30 juni 2004
De aard van de regering
In 2005 zal het honderd jaar geleden zijn dat Ayn Rand (foto) werd geboren. Ayn Rand is de grondlegster van een politieke stroming die sterk bij het libertarisme aanleunt en objectivisme wordt genoemd. Anders dan bepaalde libertariërs die anarcho-kapitalisten worden genoemd (o.a. vertegenwoordigd door Murray Rothbard), streven de objectivisten niet naar de afschaffing van de staat. In dit opzicht sluiten de volgelingen van Ayn Rand wellicht iets meer aan bij de minarchistische filosofie van Robert Nozick. Over het onderscheid tussen Rothbard en Nozick publiceerden wij eerder al een bijdrage van Arie in 't Veldt.
Het zal de regelmatige bezoeker van deze blog niet ontgaan zijn dat het onze bedoeling is op deze pagina's af en toe wat meer aandacht te besteden aan de politieke theorie van het libertarisme, in al zijn stromingen. Wij publiceren daarom een stuk van Ayn Rand, getiteld "De aard van de regering". Dit artikel is vertaald uit "The Virtue of Selfishness" (1964) zoals het is verschenen in de Nederlandse vertaling van "Capitalism, The Unknown Ideal" (1967) (vertaald als: "Kapitalisme, het onbegrepen ideaal", Novapres, Laren, zonder jaartal).
Een regering is een instelling, die in een bepaald geografisch gebied de exclusieve macht bezit om bepaalde regels van maatschappelijk gedrag op te leggen.
Hebben de mensen een dergelijke instelling nodig - en zo ja, waarom? Aangezien het verstand van de mens zijn voornaamste middel van voortbestaan is - zijn voornaamste middel om de kennis te vergaren die hem bij zijn gedrag moet leiden - is zijn belangrijkste bestaansvoorwaarde de vrijheid om te denken en naar eigen inzicht te handelen. Dit betekent niet dat een mens alleen op zichzelf is aangewezen of dat een onbewoond eiland de meest ideale omgeving is voor zijn specifieke behoeften. De mens kan enorme voordelen putten uit de omgang met anderen. Een sociaal milieu is sterk bevorderlijk voor zijn overlevingskansen - maar alleen op bepaalde voorwaarden...
'De twee grote waarden die aan het sociale bestaan kunnen worden ontleend zijn: kennis en handel. De mens is de enige soort, die zijn kennisvoorraad van generatie op generatie kan overdragen en uitbreiden; de potentieel beschikbare, kennis van de mens is groter dan enig mens gedurende zijn leven zou kunnen verwerven; ieder mens geniet een onschatbaar voordeel van de kennis die door anderen is ontdekt. Het tweede grote voordeel is de arbeidsverdeling: ze stelt een mens in staat om zich geheel te concentreren op één bepaald arbeidsterrein en handel te drijven met anderen die op andere gebieden gespecialiseerd zijn. Deze vorm van samenwerking stelt alle mensen die eraan deelnemen in staat om een grotere kennis, bekwaamheid en productiviteit te bereiken dan wanneer iedereen alles wat hij nodig had zelf zou moeten produceren, zoals dat het geval zou zijn op een onbewoond eiland of in een gesloten boerenbedrijf.
Maar deze zelfde voordelen geven ook duidelijk aan wat voor soort mensen en in wat voor soort maatschappij voor elkaar van waarde kan zijn: alleen rationele, productieve en onafhankelijke mensen in een rationele, productieve en vrije maatschappij.' ('De Objectivistische Ethiek' in The Virtue of Selfishness.)
Een samenleving die een individu berooft van het product van zijn arbeid, of hem knecht, of de vrijheid van zijn geest probeert te beknotten, of hem dwingt om tegen zijn eigen inzicht in te handelen - een maatschappij die edicten uitvaardigt die in strijd zijn met de behoeften van de menselijke aard - is, strikt gesproken, geen maatschappij, maar een gepeupelte dat bijeengehouden wordt door geïnstitutionaliseerde bendeterreur. Een dergelijke maatschappij vernietigt alle waarden van de menselijke coëxistentie, kan niet gerechtvaardigd worden en vormt een dodelijke bedreiging van het menselijke voortbestaan. Het leven op een onbewoond eiland is veiliger en onvergelijkelijk verkieselijker dan het bestaan in de Sovjet Unie of in Nazi-Duitsland.
Als de mensen willen samenleven in een vreedzame, productieve, rationele maatschappij en ten wederzijdse voordele met elkaar willen omgaan, dan moeten ze het sociale grondbeginsel aanvaarden, zonder hetwelk geen enkele morele of beschaafde maatschappij mogelijk is: het beginsel van de rechten van het individu.
Het erkennen van de rechten van het individu betekent het erkennen en aanvaarden van de béstaansvoorwaarden die door de menselijke aard worden gesteld.
De rechten van de mens kunnen alleen geschonden worden door het gebruik van fysiek geweld. Alleen door het gebruik van fysiek geweld kan de ene mens een ander het leven benemen, of hem knechten, of hem beroven, of hem beletten om zijn eigen doelstellingen na te streven, of hem dwingen om tegen zijn eigen inzichten in te handelen.
De eerste voorwaarde van een beschaafde maatschappij is het weren van elk fysiek geweld uit de sociale betrekkingen - wat neerkomt op de invoering van het principe dat wanneer mensen met elkaar willen omgaan en handel drijven, zij dit alleen mogen doen door middel van het verstand: door discussie, overreding, en vrijwillige, niet-afgedwongen overeenstemming.
Het noodzakelijke gevolg van het recht dat de mens heeft op het leven is zijn recht op zelfverdediging. In een beschaafde maatschappij mag alleen geweld worden gebruikt als represaillemaatregel, en dan nog alleen tegen diegenen die zelf met het gebruik van geweld zijn begonnen. Alle redenen die het aanzetten tot fysiek geweld tot een kwaad bestempelen, maken van het vergeldingsgebruik van fysiek geweld een morele noodzaak.
Als een 'pacifistische' maatschappij het gebruik van geweld als represaillemaatregel zou afschaffen, dan zou ze hulpeloos zijn overgeleverd aan de genade van de eerste de beste schurk die het immorele pad zou kiezen. Een dergelijke maatschappij zou het tegenovergestelde bereiken van wat ze beoogde: in plaats van het kwaad uit te bannen, zou ze het juist aanmoedigen en belonen.
Als een maatschappij geen georganiseerde bescherming tegen het geweld zou bieden, dan zou ze elke burger dwingen om gewapend rond te lopen, zijn huis in een fort te veranderen en iedere vreemde die zijn deur nadert neer te schieten - of zich aan te sluiten bij een beschermende bende van burgers, die dan andere bendes zou bestrijden die voor dit zelfde doel zouden zijn gevormd, waardoor die maatschappij zou ontaarden in een chaotische toestand van bendeterreur, in de eeuwigdurende stammenoorlogen van de prehistorische wilden.
Het gebruik van fysiek geweld - zelfs als represaillemaatregel - kan niet worden overgelaten aan het zelfstandige oordeel van de individuele burgers. Vreedzame coëxistentie is onmogelijk als een mens moet leven onder de voortdurende bedreiging van geweld dat elk ogenblik tegen hem ontketend kan worden. Of die geweldplegers nu goede of slechte bedoelingen hebben, of hun oordeel nu rationeel of irrationeel is, of ze nu worden geleid door een gevoel van gerechtigheid, door onwetendheid, door vooringenomenheid of door boosaardigheid - men kan het gebruik van geweld tegen de ene mens niet overlaten aan de arbitraire beslissing van een ander.
Stel u, bijvoorbeeld, eens voor wat er zou gebeuren als een man zijn portefeuille miste, begreep dat hij was bestolen, eik huis van de buurt binnendrong om het te doorzoeken, en de eerste de beste man die hem vuil aankeek neerschoot, omdat hij de vuile blik voor een bewijs van schuld zou opvatten.
Het vergeldingsgebruik van geweld vereist objectieve methoden van bewijslast om vast te stellen dat er een misdrijf is gepleegd en om te bewijzen wie het heeft gedaan, alsmede objectieve methoden om de straffen en de tenuitvoerlegging daarvan te bepalen. Mensen die zonder dergelijke voorschriften misdrijven proberen te straffen, maken zich schuldig aan een vorm van lynchen. Als een maatschappij het vergeldingsgebruik van geweld zou overlaten aan haar individuele burgers, dan zou dit ontaarden in de heerschappij van het gepeupel, lynchpartijen en een eindeloze reeks bloederige privé-vetes of vendetta's.
Als men het fysieke geweld uit de sociale betrekkingen wil weren, dan heeft men een instelling nodig die belast is met de taak om de rechten van de mens volgens objectieve voorschriften te beschermen.
Dit is de taak van een regering - van een goede regering - haar principiële taak, haar enige morele rechtvaardiging en de reden waarom mensen wel degelijk een regering nodig hebben.
Een regering is het middel om het vergeldingsgebruik van fysiek geweld onder een objectief toezicht te plaatsen - dat wil zeggen, onder objectief bepaalde wetten.
Het fundamentele verschil tussen het particuliere optreden en het overheidsoptreden - een verschil dat tegenwoordig zorgvuldig wordt genegeerd en vermeden - ligt in het feit dat een regering een monopolie bezit op het wettige gebruik van fysiek geweld. Ze moet wel een dergelijk monopolie bezitten, aangezien zij de handelende persoon is die het gebruik van geweld moet beteugelen en bestrijden; en om die zelfde reden moet haar optreden streng omschreven en afgebakend zijn. Op die manier wordt elke willekeur van haar kant vermeden, doordat ze zich, als een soort onpersoonlijke robot, alleen mag laten leiden door de bestaande wetten. Wil een maatschappij vrij zijn, dan moet haar regering onder toezicht staan.
Onder een goed maatschappelijk stelsel, staat het een particulier wettelijk vrij om alles te ondernemen wat hij wil (mits hij niet de rechten van anderen schendt), terwijl een regeringsfunctionaris bij elke officiële handeling gebonden is door de wet. Een particulier mag alles doen, behalve dat wat door de wet verboden is; een regeringsfunctionaris mag niets doen, behalve dat wat door de wet is toegestaan.
Op deze wijze wordt de 'macht' ondergeschikt gemaakt aan het 'recht'. Dit is de weerspiegeling van het Amerikaanse denkbeeld van 'een regering van wetten en niet van mensen'.
De aard van de wetten die bij een vrije maatschappij horen en de bron van het gezag van haar regering dienen allebei te worden ontleend aan de aard en het doel van een passende regering. Het grondprincipe van beide wordt aangegeven in de Onafhankelijkheidsverklaring: 'om deze rechten van het individu veilig te stellen, worden er onder de mensen regeringen ingesteld, die hun rechtmatige volmachten ontlenen aan de goedkeuring van de geregeerden...'
Aangezien de bescherming van de rechten van het individu het enige rechtmatige doel is van een regering, is ze ook het enige rechtmatige onderwerp van wetgeving: alle wetten moeten gebaseerd zijn op de rechten van het individu en gericht zijn op hun bescherming. Alle wetten moeten objectief zijn (en objectief te rechtvaardigen): alle mensen moeten van tevoren duidelijk weten wat de wet hen verbiedt te doen (en waarom), waaruit een misdaad bestaat en wat voor straf zij zullen oplopen als ze die begaan.
De bron van het overheidsgezag is 'de goedkeuring van de geregeerden.'
Dit betekent dat de regering niet de heerser is, maar de dienaar of vertegenwoordiger van de burgers; het betekent dat de regering op zich geen rechten heeft, behalve de rechten die haar door de burgers voor een specifiek doel zijn opgedragen.
Er is slechts één grondbeginsel waarin een individu moet toestemmen, als hij in een vrije, beschaafde samenleving wenst te leven: het principe om af te zien van het gebruik van fysiek geweld en zijn recht op fysieke zelfverdediging over te dragen aan de regering, ten einde een ordelijke, objectieve en wettelijk bepaalde procedure te bewerkstelligen. Of, anders gezegd, hij moet instemmen met de scheiding van geweld en willekeur (ook zijn eigen willekeur).
Wat gebeurt er nu wanneer twee mensen een verschil van mening hebben over een onderneming waarbij beiden betrokken zijn?
In een vrije samenleving worden de mensen niet gedwongen om met elkaar handel te drijven. Ze doen dit alleen uit eigen vrije wil en, wanneer er een zekere tijd mee gemoeid is, door middel van een contract. Als een contract wordt gebroken door de arbitraire beslissing van de ene mens, dan kan dit rampzalige financiële gevolgen hebben voor de ander - en om dit te compenseren zou het slachtoffer dan niets anders overblijven dan het bezit van de ander in beslag te nemen. Maar ook in dit geval kan het gebruik van geweld niet aan de beslissing van particulieren worden overgelaten. En dit leidt dan tot een van de belangrijkste en ingewikkeldste functies van de regering: tot de functie van een scheidsman die de onderlinge geschillen van de mensen volgens objectieve wetten bijlegt.
Misdadigers vormen een kleine minderheid in elke half beschaafde samenleving. Maar de bescherming en gedwongen uitvoering van contracten door middel van civielrechtelijke procedures is de belangrijkste voorwaarde voor een vreedzame samenleving; zonder een dergelijke bescherming, zou geen enkele beschaving kunnen worden ontwikkeld of gehandhaafd.
De mens kan niet voortbestaan, zoals dieren doen, door zich bij zijn handelingen te laten leiden door het onmiddellijke ogenblik. De mens moet zijn doelstellingen uitstippelen en bereiken over een zekere spanne tijds; hij moet zijn daden van tevoren berekenen en zijn leven op de toekomst plannen. Hoe beter zijn verstand is en hoe groter zijn kennis, des te langer wordt de termijn waarop hij zijn planning kan baseren. Hoe hoger of gecompliceerder een beschaving is, des te langer is de reeks activiteiten die ze vereist - en des te langer is de reeks contracten die de mensen onderling moeten afsluiten, en des te dringender wordt hun behoefte aan bescherming van de naleving van dergelijke overeenkomsten.
Zelfs een primitieve ruilmaatschappij zou niet kunnen functioneren als een man afsprak om een schepen aardappelen te ruilen voor een mand met eieren en dan, na de eieren ontvangen te hebben, weigerde om de aardappelen te leveren. Stel u eens voor wat een dergelijke onberekenbare handelwijze zou betekenen in een industriële samenleving, waar de mensen soms goederen ter waarde van tientallen miljoenen dollars op krediet leveren, of houwcontracten van miljoenen sluiten, of huurcontracten voor negenennegentig jaar tekenen.
Een eenzijdige contractbreuk komt in feite neer op een indirect gebruik van fysiek geweld: het betekent dat een man de materiële waarden, goederen of diensten van een ander ontvangt, vervolgens weigert om ervoor te betalen, maar ze toch - dat wil zeggen, door geweld, niet rechtens - in zijn bezit houdt, zonder daarvoor de toestemming van hun eigenaar te hebben verkregen. Ook fraude gaat aldus gepaard met een indirect gebruik van geweld: ze komt neer op het onder valse voorwendsels of valse beloften verkrijgen van materiële waarden, zonder daarvoor de toestemming van hun eigenaar te hebben verkregen. Hetzelfde geldt voor afpersing, dat weer een andere variant van het indirecte gebruik van geweld is: ze bestaat uit het verkrijgen van materiële waarden, niet in ruil voor andere waarden, maar onder bedreiging met geweld.
Sommige van deze handelingen zijn duidelijk misdadig. Andere, zoals een eenzijdige contractbreuk, hoeven niet misdadig van opzet te zijn, maar kunnen ook voortkomen uit onverantwoordelijkheid of irrationaliteit. In weer andere gevallen liggen de zaken zo ingewikkeld, dat beide partijen het gelijk aan hun zijde menen te hebben. Maar hoe het ook zij, al dergelijke kwesties moeten onderworpen worden aan objectieve wetten en opgelost worden door een onpartijdige scheidsman die de wetten toepast, dat wil zeggen, door een rechter.
Bij de oplossing van al dit soort zaken gaat men uit van het beginsel, dat geen enkel mens waarden, goederen of diensten van een ander mag verkrijgen zonder daarvoor eerst de toestemming van die ander te hebben verkregen - en, als een gevolg daarvan, dat de rechten van een mens niet overgeleverd mogen zijn aan de genade van de eenzijdige beslissing, het arbitraire oordeel of de irrationele gril van een ander. Dat is in wezen het enige juiste doel van een regering: de mensen het sociale bestaan mogelijk te maken door ben tegen elkaar in bescherming te nemen.
De juiste functies van een regering vallen in drie ruime categorieën, die alle te maken hebben met het fysieke geweld en de bescherming van de rechten van de mens: de politie, om de mensen tegen misdadigers te beschermen - de krijgsmacht, om de mensen tegen vijandelijke indringers te beschermen - de rechtbanken, om de onderlinge geschillen tussen de mensen volgens objectieve wetten bij te leggen.
Deze drie categorieën brengen veel afgeleide aspecten met zich mee - en de praktische uitvoering daarvan, in de vorm van een specifieke wetgeving, is enorm ingewikkeld. Ze hoort thuis op het speciale vakgebied van de rechtsfilosofie. Hoewel er op dit gebied veel fouten en verschillen van inzicht mogelijk zijn, is er toch steeds één aspect dat de doorslag moet geven: het principe dat de wetgeving en de regering alleen tot doel hebben de rechten van het individu te beschermen.
Tegenwoordig wordt dit principe stelselmatig genegeerd en ontweken. Het resultaat is de huidige toestand van de wereld, met een mensheid die steeds meer terugkeert tot de wetteloosheid van de absolute tirannie, tot het primitieve barbarendom van het regeren door bruut geweld. Uit onnadenkend protest tegen deze trend, beginnen sommige mensen zich af te vragen of een regering als zodanig misschien een natuurlijk kwaad is en of de anarchie misschien het ideale maatschappelijke stelsel is. De anarchie, als politiek begrip, is een naïeve, zwevende abstractie: om alle redenen die hierboven zijn besproken, zou een maatschappij zonder een georganiseerde regering aan de genade overgeleverd zijn van de eerste de beste misdadiger die zich aandient en het land in de chaos van de bendeterreur zou storten. Maar de mogelijkheid van de menselijke immoraliteit is niet het enige bezwaar tegen de anarchie: zelfs een maatschappij waarvan eik lid volstrekt rationeel en onberispelijk moreel zou zijn, zou niet kunnen functioneren in een toestand van anarchie; het is de behoefte aan objectieve wetten en een objectieve scheidsman voor de onderlinge geschillen tussen de mensen die de instelling vaneen regering noodzakelijk maakt.
Een recente variant op de anarchistische theorie, die vooral sommige van de jongere voorstanders van de vrijheid lijkt aan te spreken, is het griezelig dwaze denkbeeld van 'concurrerende regeringen'. Uitgaande van de grondgedachte van de moderne staatisten - die geen verschil zien tussen de functies van de regering en de functies van de industrie, tussen geweld en productie, en die het regeringseigendom van de industrie bepleiten - verklaren de voorstellers van het denkbeeld der ,concurrerende regeringen' dat aangezien de concurrentie zo bevorderlijk is voor het bedrijfsleven, ze ook zou moeten worden toegepast op de regering. In plaats van één enkele, monopolistische regering, verklaren ze, zouden er verschillende regeringen in hetzelfde geografische gebied moeten zijn, die met elkaar zouden moeten wedijveren om de gunst van de individuele burgers, waarbij elke burger vrij zou zijn om die regering te kiezen en met zijn klandizie te begunstigen die hij zelf wou.
Bedenk dat de gewelddadige beteugeling van de mensen de enige dienst is die een regering heeft te bieden. Vraag uzelf eens af waar een concurrentie in gewelddadige beteugeling uiteindelijk op uit zou moeten draaien.
Men kan deze theorie geen contradictio in terminis noemen, aangezien ze duidelijk gespeend is van elk begrip van de termen 'concurrentie' en 'regering'. Noch kan men haar een zwevende abstractie noemen, aangezien ze gespeend is van elke werkelijkheidszin en zelfs niet bij benadering kan worden geconcretiseerd. We kunnen volstaan met één illustrerend voorbeeld te geven: stel dat mr. Smith, een klant van Regering A, zijn buurman, mr. Jones, een klant van Regering B, ervan verdenkt dat hij hem bestolen heeft; een groep agenten van Politie A gaat naar het huis van mr. Jones en wordt bij de deur opgewacht door een groep agenten van Politie B, die verklaren dat ze de klacht van mr. Smith niet als geldig beschouwen en het gezag van Regering A niet erkennen. Wat gebeurt er dan? De rest mag u zelf invullen.
De evolutie van het begrip 'regering' heeft een lange, kronkelige geschiedenis achter de rug. Over de juiste functie van een regering schijnt er in elke georganiseerde samenleving wel een vage notie te hebben bestaan, wat onder meer tot uitdrukking komt in zulke verschijnselen als de stilzwijgende erkenning dat er verschil bestaat tussen een regering en een roversbende (hoewel dat verschil niet altijd even duidelijk was) - het aura van aanzien en moreel gezag dat aan de regering werd verleend als de hoeder van 'orde en gezag' - het feit dat zelfs de slechtste regeringen het nodig vonden om enige schijn van orde en gerechtigheid op te houden, al was het maar uit de sleur der gewoonte of traditie, en hun macht op mystieke of sociale gronden moreel probeerden te rechtvaardigen. Net zoals de absolute vorsten van Frankrijk zich moesten beroepen op 'Het Goddelijke Recht van Koningen', zo moeten de moderne dictators van de Sovjet Unie kapitalen uitgeven aan de propaganda om, hun bewind te rechtvaardigen in de ogen van hun geknechte onderdanen.
In de geschiedenis van de mensheid is het begrip van de juiste functie van de regering een zeer recente prestatie: het is pas tweehonderd jaar oud en dateert van de Founding Fathers van de Amerikaanse Revolutie. Niet alleen identificeerden zij de aard en de behoeften van een vrije maatschappij, maar zij bedachten ook de middelen om deze in de praktijk te vertalen. Een vrije maatschappij - net als elk ander menselijk product - kan niet bereikt worden door lukrake middelen, door het alleen maar te wensen, of door alleen maar de 'goede bedoelingen' van de leiders. Er is een gecompliceerd wettelijk stelsel nodig, dat gebaseerd is op objectief geldige principes, om een maatschappij vrij te maken en vrij te houden - een stelsel dat niet afhankelijk is van de beweegredenen, het morele karakter of de bedoelingen van de een of andere overheidsfunctionaris, een stelsel dat geen enkele weg openlaat voor de ontwikkeling van de tirannie... Het Amerikaanse stelsel van het departementale evenwicht was bijvoorbeeld zo'n prestatie. En hoewel bepaalde tegenstrijdigheden in de Grondwet hier en daar de weg openlieten voor de groei van het staatisme, was de grootste prestatie toch wel het inzicht dat een grondwet een middel was om de macht van de regering aan banden te leggen.
Nu er tegenwoordig zo'n duidelijke poging wordt ondernomen om dit punt te verdoezelen, kan het niet vaak genoeg worden herhaald dat de Grondwet bedoeld is om de regering aan banden te leggen, niet de gewone burgers - dat ze niet het gedrag van de gewone burgers voorschrijft, maar alleen het gedrag van de regering, dat ze niet een handvest is voor de macht van de regering, maar een handvest voor de bescherming van de burgers tegen de regering.
Kijk dan nu eens hoezeer de huidige algemene opvatting over de regering een morele en politieke ommekeer heeft ondergaan. In plaats van een beschermer van de rechten van de mens te zijn, wordt de regering steeds meer en meer hun gevaarlijkste schender; in plaats van de vrijheid te beschermen, voert de regering slavernij in; in plaats van de mensen tegen de aanzetters tot fysiek geweld te beschermen, zet de regering zelf tot fysiek geweld aan en oefent ze dwang uit, bij iedere gelegenheid die ze vindt; in plaats van te dienen als het instrument van de objectiviteit in de menselijke betrekkingen, creëert de regering een dodelijk, heimelijk bewind van onzekerheid en angst door middel van niet-objectieve wetten, waarvan de interpretatie wordt overgelaten aan de arbitraire beslissingen van willekeurige bureaucraten; in plaats van de mensen te beschermen tegen de grillen van anderen, kent de regering haar eigen grillen steeds meer macht toe - zodat we in een snel tempo afstevenen op het stadium van de totale ommekeer: het stadium waarin de regering vrij is om alles te doen wat ze wil, terwijl de burgers alleen mogen handelen op vergunning; wat het stadium is van de donkerste perioden uit de menselijke geschiedenis, het stadium van de heerschappij van het brute geweld.
Er is dikwijls opgemerkt dat de mensheid, ondanks haar materiële vooruitgang, nooit een vergelijkbare mate van morele vooruitgang heeft bereikt. Die opmerking wordt gewoonlijk gevolgd door de een of andere pessimistische conclusie over de menselijke aard. Het is waar dat de morele staat van de mensheid schandelijk laag is. Maar als men kijkt naar de monstrueuze morele corruptie (mogelijk gemaakt door de altruïstisch-collectivistische moraliteit) van de regeringen waaronder de mensheid het grootste deel van haar geschiedenis heeft moeten leven, dan begint men zich af te vragen hoe de mensen erin zijn geslaagd om zelfs maar een schijn van beschaving te handhaven, en welk onverwoestbaar laatste greintje zelfgevoel hen al die tijd overeind heeft gehouden.
Ook begint men dan een duidelijker inzicht te krijgen in de aard van de politieke beginselen die aanvaard en verdedigd moeten worden, als een onderdeel van de strijd voor de intellectuele renaissance van de mens.
Ayn RAND (1905-1982)
Noot van de vertaler: de woorden "staatisme" en "staatistisch" zijn verzonnen vertalingen van het Amerikaanse "Statism", waarvoor geen Nederlands equivalent bestaat. Bedoeld wordt het principe of de politiek om de staat uitgebreide economische en politieke zeggenschap te verlenen, ten koste van individuele vrijheid.
Relevante websites :
www.aynrand.org
www.libertarian.nl
www.isil.org
29 juni 2004
Koelkasten en democratie
Onder de titel "De stembus versus het marktplein" publiceerde de Amerikaanse economieprofessor T. Norman Van Cott (foto) een degelijk pleidooi voor de beperking van de macht van de overheid. Het voorbeeld dat hij geeft gaat over koelkasten, maar kan worden uitgebreid tot tal van andere aspecten van onze huidige "welvaartsstaat. Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de sites van de Stichting Meer Vrijheid en van het Libertarisch Centrum Nederland. Lees en laat U overtuigen.
Etatisten-degenen die de concentratie van economische macht bij de gecentraliseerde overheid bepleiten, kwijlen als Pavlovs honden wanneer economische moeilijkheden, echt of denkbeeldig, worden genoemd. "Links"-liberale etatisten zijn gewoonlijk luidruchtiger dan hun "rechtse" tegenhangers. Niettemin beginnen ze allemaal de gewijde formule dat "nieuwe, denkbeeldige overheidsprogramma's" ons dichter bij het beloofde land zullen brengen, te herhalen zodra de economische 'alarmbel' rinkelt.
Deze kwijlende klasse is zo succesvol geweest dat vrijwel niets wat Amerikanen kopen aan de ogenschijnlijk eindeloze lijst van do's en don'ts ontsnapt. De lijsten zijn niet goedkoop.
Niet alleen verliezen Amerikanen de vrijheid om zich op wederzijds aanvaardbare voorwaarden op de markt in te laten met anderen, ze moeten ook de bureaucratische bemoeials die deze vrijheid afpakken betalen. Net als je eigen guillontine moeten kopen hè? Bovendien geven Amerikanen aanvullende miljarden uit om te vechten tegen danwel te conformeren aan de regulering. Nobelprijs-winnaar en econoom Milton Friedman schatte ooit dat de kosten voor het vechten tegen cq. conformeren aan regulering twintig keer zo hoog zijn als de expliciet budgettaire kosten van de overheid!
De populaire gedachte achter de do's en don'ts van de overheid is dat ongeïnformeerde kopers ten prooi zouden vallen aan hebzuchtige verkopers als de overheid er niet was. Roofdier en slachtoffer worden op de arbeidsmarkt omgekeerd. Dat wil zeggen: werknemers (verkopers) moeten worden beschermd tegen de hebzuchtige werkgevers (kopers). De visie van de kwijlers is dat de overheid een vriendelijk kindermeisje is dat ervoor zorgt dat de 'juiste dingen' op de 'juiste manier' worden geproduceerd.
Critici van regulering laten het offensief aan de etatisten door zich te beperken tot gevallen van regulering die verkeerd zijn afgelopen. Het staat etatisten vrij om te beweren dat het de volgende keer anders zal zijn. Professor Sam Peltzman's (Universiteit van Chicago) bekende studie van de Amerikaanse Voedsel en Waren Autoriteit, de Food and Drug Administration (FDA) is zo'n studie. Het verhogen van de regulerende lat voor nieuwe farmaceutische producenten was zogenaamd bedoeld om de kans te verminderen dat schadelijke uitsluitend-per-recept-geneesmiddelen op de markt zouden komen. Echter, de hogere lat betekende noodzakerlijkerwijs dat de introductie van nieuwe, heilzame geneesmiddelen zou vertragen. Peltzman toonde aan dat de nadelen van een vertraagde introductie groter waren dan de voordelen van minder schadelijke geneesmiddelen.
Terugblikkende studies zoals die van Peltzman overkijken een serieuze logische fout in het hart van de populaire gedachte achter de regulering. Zodra de fout wordt erkend stort deze gedachte als een kaartenhuis in elkaar. Het punt is eenvoudig maar krachtig. Te weten: in democratische maatschappijen zijn gekozen politieke bestuurders de uiteindelijke scheidsrechters over de do's en don'ts van de overheid. Wie kiest deze politieke bestuurders? Verrassing! Dezelfde mensen die niet in staat zouden zijn om geïnformeerde beslissingen in de markt te maken.
Hoe krijg je mensen die niet in staat zijn om een geïnformeerde beslissing te maken over bijvoorbeeld de veiligheid van een grasmaaier in staat om een geïnformeerde keus te maken over verkiezingskandidaten, die vervolgens de 'juiste' mate van grasmaaierveiligheid vaststellen? Zou het kunnen dat de Amerikanen in het stemhokje door een bliksemschicht van verlichting worden getroffen maar niet op het marktplein? Natuurlijk niet. Plausibeler is de stelling dat de populaire gedachte achter regulering etatistische onzin is. De logica wijst erop dat Amerikanen op het marktplein beter geïnformeerd zijn dan in het stemhokje.
Stel je, om te zien waarom, voor dat je een koelkast koopt. Je hebt je keuzemogelijkheden beperkt tot een Miele en een Bosch. Als je kiest voor een Miele is het jouw beslissing voor wat betreft het formaat, de kleur en andere kenmerken. In elke fase in het proces zijn je keuzen 'beslissend'-dat wil zeggen ze bepalen het merk, het formaat, de kleur en de mogelijkheden van de koelkast die uiteindelijk in je huis komt te staan. Je prikkel om goed geïnformeerd te zijn over koelkasten is duidelijk.
Stel dat je nu, in plaats van te shoppen voor een koelkast aan het 'shoppen' bent voor de nieuwe Amerikaanse senator voor je staat-dat wil zeggen je bent aan het stemmen. Stel verder dat de Senaat van plan is om vergaande nieuwe koelkastreguleringen van kracht te laten worden. Door te stemmen ben je bezig met 'indirect' shoppen voor een koelkast. Het probleem is dat je weinig tot geen prikkel hebt om de visies van de kandidaten op koelkastregulering te ontdekken. In de overweldigende meerderheid van verkiezingsuitslagen betekent jouw stem eenvoudigweg dat jouw kandidaat met één stem meer wint of met één stem minder verliest. Je stem is niet 'beslissend'. Niettegenstaande het feit dat nieuwe koelkastregulering vergaand zal zijn heb je niet echt een prikkel om je te verdiepen in de visies van de kandidaten.
Betekent dit dat de koelkasten die mensen kopen belangrijker zijn dan wie er in de Amerikaanse Senaat zit? Helemaal niet. Het betekent dat mensen een grotere prikkel hebben om zich te verdiepen in de koelkast die ze gaan kopen dan in de kandidaten die hun koelkastkeuzes gaan beperken. Hetzelfde geldt voor de talloze andere goederen en diensten die elke dag in de markt worden verkocht.
De bredere les is dat ongeïnformeerd stemmen een belangrijke reden dient te vormen voor democratische maatschappijen om de omvang van hun overheid te beperken. De beperkingen moeten echter verder gaan dan geschreven recht. Anders zullen de gevaren van ongeïnformeerd stemmen stranden op de poging om de gevaren te vermijden. De beperkingen moeten constitutioneel van aard zijn. Amerikanen hadden een dergelijke constitutie gedurende de eerste decennia van hun land, dus het idee is geen luchtkasteel. Helaas begon die constitutie in de 19e eeuw weg te glijden en de erosie duurt voort.
T. Norman Van Cott
Ball State University, Muncie, Indiana
Noot van de vertaler: de voorbeelden in dit artikel zijn aan de Amerikaanse situatie ontleend maar het theoretische argument (individuele rationaliteit in de context van respectievelijk marktfalen- en overheidsfalen) is universeel voor democratische staten.
Relevante websites :
www.meervrijheid.nl
www.libertarian.nl
28 juni 2004
Strategieën om armoede te bewerkstelligen
Ook Zuid-Afrika heeft al tientallen jaren voorvechters voor het vrije-marktgebeuren. De meest vooraanstaande onder hen is Leon Louw (foto), van wie wij vandaag een artikel afdrukken . De auteur toont in een héél eigen stijl aan dat betutteling en het belemmeren van de vrije markt geen aanleiding geven tot een beter en rechtvaardiger wereld maar tot grotere armoede. Het artikel werd uit het Zuid-Afrikaans naar het Nederlands vertaald door Albert Spits.
Politici uit alle landen houden van beleid dat bekend staat als de preventie van voorspoed en we moeten daarom aannemen, dat zij of hun adviseurs eigenlijk armoede willen. Voor hen is er goed nieuws, want de oorzaken van voorspoed en armoede - respectievelijk vrije markt en interventionisme - zijn nu zo bekend dat geavanceerde strategieën om armoede te maximaliseren binnen hun bereik liggen.
Dat we in een tijdperk leven van voorheen ongekende mondiale economische vrijheid en dus een mondiale vloed van voorspoed, ondanks wat tegenvallers in enkele ontwikkelde economieën, moet ernstige problemen geven voor de liefhebbers van armoede. Technologie, informatie en rijkdom maken het meer dan ooit moeilijker om gehele bevolkingen in armoede te storten. Maar het is nog steeds mogelijk. Wat kunnen we daarom leren van de grootste armoedeveroorzakers ter wereld?
In een opnieuw uitgebrachte publicatie ,,Het Wonder van Armoede'' verklaarde ik waarom armoede het grootste succes is van moderne regeringen. Regeringen moeten doortastend en vaardig zijn. Ze kunnen gebruik maken van de best geteste manieren om het moderne wonder van armoede te bereiken door te leren van 's werelds meest gevierde armoede-architecten in voormalig rijke landen als Argentinië, Oost-Duitsland, China en Tanzania.
Argentinië was een van de meest fenomenale Oude Economische Wonderen (OEW's). Door het in stand houden van een relatief vrije markt en het exporteren van vlees en graan naar Europa afkomstig van vruchtbare landerijen werd het het negende rijkste land op aarde in de late jaren 20 van de vorige eeuw. Voorstanders van armoede waren geshockeerd door dit obscene spektakel van gewone mensen, die steeds meer beschikking kregen over materiele goederen, een grotere gezondheid, een schoner milieu en verbeterde arbeidsvoorwaarden. Daarom namen vaardige militaire dictators de regering over in Argentinië na 1930. Ze gebruikten de reeds geteste technieken om het land op de knieën te brengen.
Het naoorlogse bewind van Juan Peron was daarbij de beste. Het gaf meer macht aan de vakbonden ten koste van investeerders en werkgevers en verhoogde de salarissen en uitkeringen boven het niveau, waarop de markt dat kon dragen. Het nationaliseerde het land en de bevelstructuur van de economie, drong beperkingen op aan buitenlandse investeerders, voerde valutacontroles in, belastte agrarische producten, reguleerde diensten en prijzen en beperkte de vrijheid van meningsuiting.
De daaropvolgende regimes bouwden voort op deze eerdere successen d.m.v. begrotingstekorten en geldhoeveelheidinflatie. De machtig geworden vakbonden hielpen enorm ter ondersteuning van het Peronistische anti-marktbeleid en keerde zich tegen pogingen om de overheidsuitgaven in te perken, de limitering van loonsverhoging en in dammen van de inflatie. De toegewijde Argentijnse leiders en staatsmanagers bereikten daarop een van 's werelds grootse economische neergangen. Hun economisch beleid en beperking van mensenrechten moedigden desastreuze stakingen, geweld, protesten en terrorisme aan. In de jaren 70 van de vorige eeuw was de Argentijnse economische vrijheid compleet om zeep geholpen d.m.v. buitenlandse handelsbeperkingen, valutacontroles, geldhoeveelheidinflatie, hoge belastingen en arbeidswetten gericht tegen de werkgever. Een doolhof van kleine reguleringen werd ingevoerd, wat niet anders was dan het apartheidsdirigisme van Zuid Afrika op het gebied van controles op financiële dienstverlening, informele handel, mineralen en commercie tezamen met de controle op alle communicatie.
Nog een zelfde soort OEW was het naoorlogse Oost Duitsland. Men had de technologie, industrie en natuurlijke kennisrijkdom geërfd van het oude Duitsland, dus was het een gevaarlijk vooruitzicht, dat dit land rijk zou worden. Gelukkig genoeg voerde de 'democratische' regering het uitgebreid geteste model in van het goede oude communisme om de voorspoed in te perken. Alle aspecten van het economische leven werden genationaliseerd of gereguleerd met voorspelbare, bevredigende resultaten.
Voorzitter Mao-Tse-Tung uit China voerde de meest spectaculaire en succesvolste armoedeprogramma's van alle tijden in. Zijn ,,Grote Sprong Voorwaarts" (1958-61) bleek een van de grootste sprongen achterwaarts, die ooit werd bereikt. De 'Culturele Revolutie' was een geweldige orgie van culturele afkeer. Hij ging tekeer tegen monsterlijke kapitalistische uitvindingen zoals toiletten en matrassen. Zijn enorme bureaucratie leverde heldhaftig strijd om de uit de hand gelopen voorspoed te voorkomen, die hun medemensen in Hong Kong overkwam. Een arsenaal van arbeidswetten gaf aan wie werkte in welke baan. Het land van succesvolle boeren werd onderverdeeld onder onkundige landarbeiders. Communes en co-operaties werden opgericht om zakelijke bedrijven over te nemen, als deze al niet werden toegevoegd aan de uitdijende overheidsagentschappen. Op bevel moesten enorme staatsfabrieken goederen produceren voor de zware industrie i.p.v. naar de consument of wie dan ook te luisteren. Plattelandsgemeenschappen werden gedwongen om industriële producten te fabriceren i.p.v. voedsel, waarvan het resultaat een minimum van 20 miljoen hongerdoden. De negatieve groei, welke economische neergang betekent, werd voor decennia in stand gehouden tegen alle ontwikkelingen in. De levensstandaard nam af met meer dan 50%. Gehele beroepen en ambachten verdwenen. Als groot genie verbood Mao ook de klassieke kunsten, zoals werken van Shakespeare, Picasso en Beethoven om het vooruitzicht te minimaliseren, voor het geval iemand zijn pas gevonden armoede zou waarderen.
Voor een Nieuw Economisch Wonder (NEW) moeten we Tanzania in ogenschouw nemen. Nkrumah had het voorspoedige Ghana, dat als eerste Afrikaanse land onafhankelijk werd, in een economische armoedeput omgetoverd, maar Nyerere was toch zijn meerdere. Zijn unieke experiment, geheten 'Afrikaans Socialisme' legde massale sociale lasten en een ongelooflijke bureaucratie op aan het land. Banken en industrieën werden overgenomen en plattelanders werden verhuisd naar collectieve boerendorpen, 'ujamaa' geheten. Het succes kwam onmiddellijk, hij halveerde agrarische export en vaagde driekwart van de industriële productie weg. Hij hield op met het onderhoud van de wegen zodat duizenden kilometers goed wegdek veranderde in karrensporen, waar alleen jeeps nog op konden rijden.
Julius Nyerere, beter bekend onder zijn koosnaam 'Mwalimu' gebruikt door degenen die zijn grootheid erkenden, sleepte het inkomen per hoofd van de bevolking naar beneden tot $120 per jaar en liet Tanzania achter als een van de zeven armste landen ter wereld, ondanks de ontvangst van de grootste buitenlandse hulp per hoofd der bevolking (Red: ook ons eigen nationale genie, toenmalig minister van buitenlandse zaken, Jan Pronk, Partij van de Armoede, heeft hieraan met groot enthousiasme meegewerkt.). Hij bereikte een ongekend tekort aan materiaal, reserveonderdelen en voedsel, terwijl de zwarte economie floreerde. De kunst van ondoelmatigheid en corrupte werd geperfectioneerd. De ,,Vader van het Afrikaans Socialisme'' erkende dat de meeste Tanzanianen armer werden tijdens zijn regering. Hij schepte jaren op over zijn successen als een gevierde 'strijdheld' in toespraken, welke werden afgesloten met staande ovaties, zoals die door hem werd gegeven een bijeenkomst in Fort Hare University enige jaren geleden.
Dichter bij huis hebben we de opwindende Zimbabwaanse NEM. Het is het modernste armoedewonder, die de successen van hun Noordelijke buur evenaart en inhaalt. Toen Zambia onafhankelijk werd erfde men een rijk agrarisch land en minerale hulpbronnen om deze vervolgens te vernietigen door middel van Marxistisch beleid zoals nationalisatie. In vergelijking faalde laatkomer Mugabe jammerlijk. Hij predikte Marxisme, maar was te lui om het te implementeren, dus de Zimbabwaanse economie groeide. In zijn laatste dagen heeft hij eindelijk notitie genomen van de eerdere voorbeeldige prestatie van Kaunda. Eindelijk bereikt Mugabe nu zijn eigen verlate armoedewonder. Zijn terugval op zowel bewezen als vernieuwende creatieve strategieën om armoede te brengen aan zijn volk zijn algemeen bekend.
Wat zijn dan de meest probate geheimen om deze armoedewonderen te bereiken? Het is duidelijk, dat als je voorkeur geeft aan armoede, je niet de wijze waarop voorspoed wordt gegenereerd kunt negeren. Je moet bijvoorbeeld nooit markten, kapitaal, ondernemersschap en ambachten cultiveren. Als je deze ontwikkelt, laat ze dan nooit hun werk doen, reguleer ze met steeds veranderende spelregels. Je kunt op veilig spelen door op ras en patriottisme in te haken en de afgunst te bewerkstelligen ten opzichte van rijken, buitenstaanders, multinationals, kapitalistische supermachten en dergelijke. Wees echter voorzichtig hoe je deze goedgeteste strategieën gebruikt om de aandacht af te leiden en er zo voor te zorgen dat de binnenlandse politiek niet als oorzaak wordt aangeduid van binnenlandse gevolgen.
Het stellen van een intrigerende vraag zou zijn, of er een enkel succesvol pad of meerdere routes bestaan om het hoogtepunt van armoede te bereiken. De mondiale ervaring leert ons, dat er gemeenschappelijke kenmerken zijn temidden van macro-opties. Uiteindelijk is het zo, dat voor elk beleid, dat je wilt kopiëren je altijd een voormalig succesvol land kunt vinden dat dit al uitvoert, neem bijvoorbeeld de overregulering van de arbeidsmarkt in Duitsland, maar die onvoldoende is gebleken om deze machtige economie te vernietigen. Je moet ook de voortdurende rijkdom van Europa in ogenschouw nemen, ondanks een diversiteit aan armoedebevorderend beleid. Dit toont aan, dat je aandacht moet schenken aan de meest consciëntieuze NEM's, die het gevaar lopen terug te keren naar iets dat riekt naar onbedoelde economische groei.
En wees niet bezorgd. Als er in eerste instantie wat groei is dan kun je een eindeloze hoeveelheid nieuwe creatieve interventie implementeren. De instelling van de armoede is vaak het detail. Mocht er bijvoorbeeld een reden zijn dat je de invoertarieven niet kunt verhogen, laadt dan de schepen langzamer uit, schroef de kosten op d.m.v. minimum kwaliteitsstandaarden, voer trage douaneinspecties in, verbiedt buitenlandse investeringen in de agrarische/industriële binnenlanden, versterk werkgevervijandige arbeidswetten, maak financiële dienstverlening moeilijk en duur, reguleer elektronische handel, nationaliseer natuurlijke hulpbronnen, houdt gekwalificeerde buitenlandse arbeid buiten de deur, en maak bedrijven het leven zuur d.m.v. consumentenbescherming en de adoptie flinke jaarlijkse hoeveelheid nieuwe wetten. De zwakke economieën in de wereld demonstreren hoe zulke methoden uiteindelijk altijd werken. Als je ze implementeert, dan is de armoede verzekerd.
Leon LOUW
Leon Louw is executive director van de Free Market Foundation sinds 1978 en heeft sindsdien op betekenisvolle wijze het beleid in Zuid-Afrika weten te beïnvloeden. Hij is een gevraagd spreker zowel in Zuid-Afrika als daarbuiten, en is bekend als auteur van de boeken "South Africa : the solution" en "Let the people govern".
Relevante websites:
www.freemarketfoundation.com
27 juni 2004
Durven vernieuwen !
Gisteren besteedde de pers aandacht aan de oproep van Bart Somers tot interne vernieuwing binnen de VLD. Zijn generatie moet inhoudelijk en strategisch de partij gaan leiden, vindt hij. De aftredende minister-president dringt aan op een veel Vlaamsere koers, duidelijker liberalisme en minder macht voor de partijhoofdkwartieren. Met de oproep tot ,,ontvoogding'' van zijn generatie, pleit Somers naar eigen zeggen niet voor het vertrek van Guy Verhofstadt, maar wel om meer ruimte naast hem. ,,We kunnen de partij vernieuwen in de mate dat Verhofstadt niet alleen de leiding van de partij heeft. Een partij die afhangt van één persoon, is heel kwetsbaar.'' Somers zegt zelf de richting mee te willen uitwijzen.
Iets meer dan een week geleden pleitte Nova Civitas zelf voor een andere aanpak binnen de partij, en voor het afstappen van het informeel leiderschap van de premier. Met de oproep tot ,,ontvoogding'' van zijn generatie, pleit Somers naar eigen zeggen niet voor het vertrek van Guy Verhofstadt, maar wel om meer ruimte naast hem. ,,We kunnen de partij vernieuwen in de mate dat Verhofstadt niet alleen de leiding van de partij heeft. Een partij die afhangt van één persoon, is heel kwetsbaar.'' Somers zegt zelf de richting mee te willen uitwijzen. Anderen, zoals Sven Gatz en Vincent Van Quickenborne, lieten eenzelfde klok luiden : "De partij moet Vlaamser, liberaler en democratischer worden".
We publiceren hierbij een analyse van Bart Sturtewagen, die de uitlatingen van Somers becommentarieert. Dit artikel verscheen op zaterdag 26 juni als commentaarstuk in de Standaard.
Moed om voor idee op te komen
TIEN jaar geleden was de VLD de meest verfrissende en vernieuwende factor op het politieke schaakbord. De vraag hoe ze die rol na amper vijf jaar regeren al is kwijtgespeeld, kon of mocht na de pijnlijke verkiezingsnederlaag van 13 juni niet worden gesteld. De partijtop bleef gewoon op post en ontkende simpelweg dat er iets ernstigs aan de hand was. Een zeteltje of twee minder in het Vlaams parlement, dat is toch niet erg? De mindere prestatie was het gevolg van enige kleine onhandigheden. Voortregeren op zoveel mogelijk niveaus moet dat spijtige incident zou gauw mogelijk doen vergeten.
Bart Somers, uittredend minister-president, is de eerste die met grote stelligheid en luidop zegt dat hij die gang van zaken niet ziet zitten. Zijn oordeel is glashelder en glashard. De VLD moet ophouden water en vuur te proberen verzoenen en van zoveel mogelijk walletjes te eten. Op haar kernthema's die in het drieletterwoord zitten verscholen - Vlaams, Liberaal, Democratie - moet ze de moed hebben haar eigen principes uit te dragen. Ook als ze daarmee in botsing komt met anderen, boven en onder de taalgrens. Opnieuw een ideeënpartij worden is voor Somers een hogere prioriteit dan tot elke prijs betrokken zijn bij het in de praktijk brengen van die ideeën. Concreet: als de VLD zich onvoldoende kan herkennen in het programma van een Vlaams driepartijenkabinet dan moet ze voor de oppositie kiezen.
Natuurlijk spreekt hier een man die voor zijn loyaliteit én zijn ambitie een hoge prijs dreigt te betalen. Tegen beter weten in stemde hij erin toe voor minder dan een jaar de leiding te nemen van de Vlaamse regering waaruit Patrick Dewael was gedeserteerd. Daarvoor verliet hij zijn thuisbasis Mechelen waar veel van wat hij er als burgemeester aan krediet had opgebouwd, bij de jongste verkiezingen teloor bleek te zijn gegaan. Pas veertig geworden, staat hij voor de levensgrote vraag of hij niet tot een verloren generatie behoort. Een generatie die te lang in de zware slagschaduw van de generatie-Verhofstadt opereerde om er vandaag nog een alternatief voor te kunnen bieden.
Hij was een paar maanden voor de verkiezingen al de gangmaker van een vernieuwingsinitiatief, Generatie 2016. Omdat het jammerlijk doorkruist werd door het koningsdrama rond het migrantenstemrecht en omdat de groep meer leek te bestaan uit voldane apparatsjiks dan uit hongerige jonge wolven, viel het tussen de plooien. Dat geeft aan zijn beslissing om nu opnieuw de nek uit te steken, iets van een offensief van de laatste kans. De partij doet er goed aan zijn hartenkreet ernstig te nemen. Als ze de tekenen aan de wand blijft negeren, rijdt ze zichzelf de vernieling in.
De boodschap van Somers is overigens bruikbaar voor consumptie buiten de eigen kring. Hij zegt: een liberale partij moet voluit voor ondernemen gaan en bijvoorbeeld durven zeggen dat wie niet werkwillig is, geen recht heeft op werkloosheidsvergoeding. Ook al stoot ze zo potentiële kiezers af. Zo moet een socialistische partij tegen fiscale amnestie zijn, een christen-democratische het traditionele gezin en het middenveld verdedigen en een groene geen wapens uitvoeren naar een oorlogsgebied. Alle zullen ze bij tijd en wijle verplicht zijn compromissen te sluiten. Daarin schuilt geen oneer. Maar graaien naar kiezers in alle richtingen, waardoor partijen op de duur voor elkaar inwisselbaar worden, doodt het politieke systeem.
Auteur : B. Sturtewagen
Relevante websites
www.standaard.be
26 juni 2004
Europees parlement is tegen vrije handel
In de Verenigde Staten volgen verschillende drukkingsgroepen het stemgedrag van senatoren en congresleden nauwgezet op inzake onderwerpen die hen ter harte gaan. Dat stemgedrag wordt dan gepubliceerd in hun nieuwsbrieven, zodat de achterban een duidelijk beeld krijgt van wie voor of tegen iets is. In Vlaanderen, België en Europa is dit hoogst ongebruikelijk. "Dat", schrijft Luc Van Braekel op zijn weblog, "ondervond het Zweedse studiebureau Timbro, toen het wou nagaan hoe het de individuele Europese parlementsleden gestemd hebben in materies die met vrijhandel te maken hebben". Timbro moest tot bij de voorzitter van het Europees Parlement navraag doen over het individuele stemgedrag van de parlementsleden, en uiteindelijk de individuele parlementsleden bevragen over de historiek van hun stemgedrag. Ondanks de aanwezigheid van een hypermodern computergestuurd stemsysteem in het Europees Parlement, wordt het stemgedrag van de parlementsleden slechts in uitzonderlijke gevallen officieel bewaard. Timbro (zie logo) stelt in dit verband: "dit kan voordelen hebben voor sommige parlementsleden, maar het nodigt alvast niet uit tot deelname of interesse van de burgers in het werk van het Europees Parlement".
Maar goed, het ging dus over het stemgedrag inzake vrijhandel. De resultaten zijn bedroevend voor de voorstanders van vrije concurrentie en globalisering. Het Vlaamse zakenweekblad Trends blokletterde deze week: "Het Europees Parlement heeft 3% vrijhandelsgezinde leden en 97% die de wereldhandel wil fnuiken door handelsgrenzen of toelagen".
Trends-directeur Frans Crols becommentarieert de resultaten: "Bart Staes van Groen! en Frank Vanhecke van het Vlaams Blok vormen een nationaal front tegen opener grenzen voor de goederen en diensten van niet-Europeanen. [...] Geen enkele Belgische liberaal is vrijhandelaar. Bij de pseudo-marktvrienden behoren Dirk Sterckx, Willy De Clercq, Ward Beysen".
Het Europees Parlement is tegen vrije handel
Het Europees Parlement heeft 3% vrijhandelsgezinde leden en 97% die de wereldhandel wil fnuiken door handelsgrenzen of toelagen. Bart Staes (Groen!) en Frank Van Hecke (Vlaams Blok) zijn allebei protectionisten.
Europa moet het meest kennisintensieve werelddeel worden, zo werd afgesproken op de top van Lissabon. Logisch zou zijn dat de vrije handel van goederen en diensten wordt ingeroepen om deze sprong te vergemakkelijken. Niet dus. Het Europees Parlement toont de werkelijkheid: 3,1% van de Europese parlementariërs is vrijhandelsgezind.
De Zweedse denktank Timbro publiceert een studie over het stemgedrag in vrijhandelskwesties van 384 Europarlementsleden en stopt de parlementariërs in vier categorieën: vrijhandelaars (tegen handelsbarrières en toelagen), internationalisten (tegen handelsbarrières, voor toelagen), isolationisten (voor handelsbarrières, tegen toelagen) en protectionisten (voor handelsbarrières en toelagen). Van de 487 parlementsleden uit acht landen (België, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Spanje, Zweden en Denemarken) vielen er 103 weg omdat ze te weinig participeerden in de periode 1999-2002, zodat hun stemgedrag de uitkomst onfair zou beïnvloed hebben.
Slechts twaalf van de 384 parlementsleden (3,1%) zijn aanhangers van de vrije handel van goederen en diensten, en 96,9% wil de wereldhandel verstropen. België heeft geen EP'er bij de vrijhandelaars, Zweden vier - de grootste groep en het zijn vier socialisten (!) -, het Verenigd Koninkrijk drie, Spanje één, Frankrijk één, Italië één, Duitsland één (op 93 Duitse parlementsleden, dus 1%). Bij de bestudeerde groep zijn 108 protectionisten, dus parlementsleden die handelsgrenzen en toelagen koesteren. De protectionisten zijn achtmaal sterker dan de vrijhandelaars. Frankrijk spant de protectionistische kroon (62% van zijn EP'ers), gevolgd door België (45% van de 25 parlementairen, met de zwaargewichten Daniel Ducarme (MR) en Jean-Maurice Dehousse (PS)). Nog Belgische protectionisten zijn: Frank Van Hecke (Vlaams Blok), Bart Staes (Groen!) en Nelly Maes (SP.A-Spirit). Gérard Deprez (MR) is het meest pro vrijhandel.
Dehousse stemde slechts in 20% van de gevallen voor open grenzen en in 14% voor de afschaffing van toelagen, Ducarme respectievelijk in 50% en 33% van de gevallen, Maes 0% en 20%, Staes 0% en 17%, Frank Van Hecke 33% en 40%.
Bij de internationalisten stemmen Miet Smet (CD&V) en Marianne Thyssen (CD&V) 100% voor open grenzen en 14% voor de afschaffing van toelagen, Johan Van Hecke (VLD) 80% en 40%, Anne Van Lancker (SP.A) 80% en 20%, Kathleen Van Brempt (SP.A) 67% en 0%, Ward Beysen (onafhankelijk liberaal) 83% en 56%, Willly De Clercq 80% en 50%, Frédérique Ries (MR, en tot voor enkele dagen staatssecretaris Europese Zaken) 80% en 33%, Dirk Sterckx (VLD) 80% en 33%.
Belgisch protest tegen liberalisering
Italië heeft een groot aantal protectionisten (33%), gevolgd door Denemarken (23%), Duitsland (22%), Spanje (20%), het VK (17%) en Zweden (15%). De Belgische vice-voorzitster van de groene fractie, Monica Frassoni, stemde samen met vijf andere parlementariërs (waarvan drie groenen) steevast voor handelsbarrières en toelagen. De groene parlementsleden zijn de sterkste protectionisten. De internationalisten (tegen handelsgrenzen, voor toelagen) vormen de grootste groep van Europese parlementariërs (248 van de 384) en daarin is de Europese Volkspartij (christen-democraten en conservatieven) het sterkst present.
Voor de uitbreiding van de EU van vijftien naar 25 landen telde het Europees Parlement 626 leden, sinds de voorbije Europese verkiezingen 786. Fredrik Erixon van Timbro: "Het Europees Parlement speelt niet de rol van het Amerikaanse Congres in de sturing van het handelsbeleid, maar het heeft een rol en die groeit. Een nieuwe liberaliseringsronde van de Wereldhandelsorganisatie is bezig sinds 2001 en Europa stelt zich weinig meegaand op." De recente voorstellen van Europees commissaris Frits Bolkestein om de dienstenbranche in versneld tempo te liberaliseren heeft bijvoorbeeld in België geleid tot protesten van NGO's en vakbonden.
De Europese Unie is gegrondvest op het beginsel van de negentiende-eeuwse Franse econoom Frédérique Bastiat: "Als goederen niet over de grenzen gaan, zullen legers dat doen." In de EU blijven echter belangrijke sectoren gesloten voor de wereldhandel. De landbouw is een schrijnend voorbeeld. De EU heeft niet langer een tekort aan voedsel zoals in 1945, wel een structureel overschot van 25%. De Franse econoom Patrick Messerlin becijferde dat de Europese verbruikers 50 tot 60 miljard euro zullen winnen door de liberalisering van 22 beschermde sectoren. Andere studies bewijzen dat het schrappen van het landbouwprotectionisme de voedselrekening van de Europese verbruikers met 80 tot 100% zal doen dalen.
Artikel 133 van het EU-verdrag geeft de Unie exclusieve bevoegdheid over het handelsbeleid. Fredrik Erixon: "Europese parlementariërs hebben een ander profiel dan nationale. Onderschat hun invloed en mogelijkheid om beleid te maken niet. Een Europees parlementslid kan een wet substantieel beïnvloeden op een manier die een nationale parlementariër, die veel meer rekening moet houden met stabiliteit en coalities, niet zal aandurven. Die stemt opportunistischer." Een sterker Europees Parlement voor handelskwesties zal beletten dat Jacques Chirac en Gerhard Schröder op een hotelkamer beslissen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Frans Crols
Trends, 24 juni 2004
Relevante websites
www.timbro.com (homepage)
www.trends.be
www.trends.be (rapport timbro)
www.lvb.net
25 juni 2004
Wat make-up zal niet volstaan (Rolf Falter)
Een week lang al regent het belerende analyses over de kiezers van het Vlaams Blok. Zou het niet nuttiger zijn - ook als men geen kiezer is van het Vlaams Blok en het nooit wil worden - eens te vertrekken van de idee dat de kiezer van het Vlaams Blok niet minder rationeel handelt dan andere burgers, en dus gegronde redenen heeft voor zijn onbegrepen stemgedrag? ROLF FALTER zoekt antwoorden in een vrije tribune, verschenen in de Tijd op 23 juni jl.
Het Vlaams Blok is in zijn 25-jarige bestaan gegroeid als een ui. De oudste rok of laag is de harde kern van wijlen de Volksunie, Antwerpenaren en enkele anderen die uit de repressie hebben onthouden dat de Tweede Wereldoorlog door de verkeerden is gewonnen en dat België nooit meer hun vaderland kan zijn. De tweede laag is die van vooral socialistische kiezers die als eersten in hun wijken geconfronteerd werden met immigratie op grote schaal, en die tot meningen kwamen die inmiddels beleid aan het worden zijn, maar die tien jaar geleden nog door de politieke en media-elite werden verketterd. De derde laag is die van gegoede en oudere burgers die persoonlijk ondervonden dat de immigratie uit Noord-Afrika en van achter het verdwenen IJzeren Gordijn nieuwe vormen van criminaliteit opleverde, waarover tot voor drie jaar - remember Marion Van San! - niet gesproken mocht worden.
De meest recente laag is die van sociaal-economisch ontevredenen, die zien en voelen dat een reeks noodzakelijke hervormingen in dit land - belastingverlaging, een afzwakking van de kostenstijging in de sociale zekerheid, en beter bestuur door onder andere meer decentralisering naar beide landsdelen - geblokkeerd blijven door vakbonds- en communautaire veto's. Dat zijn de kiezers die eerst de CVP en de VU en nu ook de VLD hebben opgegeven, overigens precies zoals parlementsleden van het Vlaams Blok dat al in juli 1999 in De Standaard tegenover Derk-Jan Eppink voorspelden. Hoezeer men terecht ook wijst op de nazi-sympathieën waarvan de huidige leiding van het Vlaams Blok in het verleden blijk heeft gegeven, men kan haar niet ontzeggen dat ze veel beter dan andere partijen een neus heeft voor wat 'de mensen' op de maag ligt.
Over het kiezerskorps van het Vlaamse Blok zijn al loodzware analyses gemaakt - afhakers van de globalisering, de onderkant van de duale samenleving, de verwende burger, de geatomiseerde samenleving zonder middenveld - maar de enige die tot nog toe proefondervindelijk juist is gebleken, is dat die aanhang blijft groeien. Men is een tijdbom blijven observeren met het argument dat het maar om een soufflé ging die op het punt stond in te zakken.
Spectrum
Het is geen toeval dat het Vlaams Blok een spectrum van centrumrechts tot extreem rechts bespeelt. In al onze buurlanden wisselt met de regelmaat van twee regeerperiodes de koers van het beleid, van centrumrechts naar centrumlinks en omgekeerd. Beide strekkingen leveren nuttige maatregelen op en nuttige correcties op de dwaasheden van de vorige bewindsploeg.
In België domineert sedert 1945 een centrumlinks beleid en werd elke poging om het anders te doen vroegtijdig geaborteerd, in 1961, in 1968, in 1977 en de laatste keer in 1987. Sedert 1945 heeft nog nooit een centrumrechtse minister geregeerd op Sociale Zaken, Pensioenen, Arbeid of de Spoorwegen. Aan dat verhaal zit ook een communautaire dimensie. In Franstalig België is er sedert 1945 ononderbroken een ruime centrumlinkse meerderheid. Vlaanderen daarentegen is lange tijd dominant centrumrechts geweest, en nu grosso modo fifty-fifty. Maar zelfs in het redelijk autonoom geworden Vlaanderen van na 1988 is er al vijftien jaar geen centrumrechtse regering. In 1978 werd Vlaanderens populairste politicus uit de geschiedenis - Leo Tindemans - door een Franstalig veto tegen zijn persoon uit de Wetstraat 16 gedreven. In 1987 moest de overduidelijke winnaar van de verkiezingen in Vlaanderen, Guy Verhofstadt, wijken voor de winnaar van de verkiezingen in Wallonië, Guy Spitaels. Verhofstadt heeft er zestien jaar lang electoraal kapitaal in Vlaanderen aan overgehouden.
Betekent dat dat er slecht geregeerd is geworden in Vlaanderen? Natuurlijk niet. Het ecologisch beleid is een goed voorbeeld. Er is sedert 1988 in Vlaanderen op dat terrein ontzettend veel en ontzettend goed werk geleverd en veel rechtgezet van wat door België was verwaarloosd: de waterzuivering, de afbakening en inrichting van natuurgebieden, de kanalisering van de ongebreidelde bouwwoede, de sortering en recyclage van afval, de uitbouw van een goede beleidsvoorbereiding. Maar tegelijk is dat beleid ook doorgeslagen in te veel regeldrift, de feitelijke - en inmiddels door de VLD wat rechtgetrokken - onteigening-zonder-vergoeding van zonevreemde woningen en gebouwen, de stalinistische ambities tot herverstedelijking in het ruimtelijk structuurplan, de te hoge fiscale kosten van de waterzuivering die vooral de holding van de christelijke arbeidersbeweging ten goede komt.
Frustratie
De verwezenlijkingen van centrumlinks moeten we toejuichen, maar de dwaasheden worden niet meer gecorrigeerd. De frustratie daarover kan de kiezer die er door getroffen wordt niet meer kwijt, omdat hij weet dat er weinig of geen kans bestaat op een centrumrechtse regering. Men stemt op het Vlaams Blok omdat men de onbeweeglijkheid van een aantal essentiële dossiers ervaart. Frank Vandenbroucke heeft de oprechte ambitie een noodzakelijke en sociaal-democratische verantwoorde hervorming van de sociale zekerheid door te voeren. Dat hij vlak voor 13 juni liet verstaan de portefeuille te willen verlaten die het kernstuk van het regeerakkoord van Verhofstadt II beheert, heeft elke goede verstaander in Vlaanderen begrepen.
Al in 1988 schreef wijlen Frans Verleyen dat de Parti Socialiste, de meest behoudsgezinde partij van het land, zich via de staatshervorming van toen van een permanente plaats aan de Belgische macht had verzekerd, met nog geen 15 procent van de stemmen in heel het land. Tot op heden is die stelling in de feiten niet tegengesproken. Het Vlaams Blok is de etterbuil van een vastgereden Belgische democratie.
Wie er iets aan wil doen, zal niet volstaan met wat morrelen in de marge, of met nieuwe make-up voor een constant beleid. Wat weg moet in Vlaanderen is de indruk van onbeweeglijkheid. En dus moet men:
1. Leren leven met asymmetrie. Het mag zijn dat dat talloze belangen- en bevoegdheidsconflicten oplevert, er bestaan daarvoor procedures, die men op een volwassen manier zal moeten uitzweten, of veranderen. De feitelijke politieke asymmetrie tussen Vlaanderen en Wallonië onder de duim blijven houden en daardoor ook het officieel gepropageerd federalisme blijven fnuiken, is de kortste weg naar het separatisme.
2. Zoeken naar formules die de vakbonden en werkgeversorganisaties geruststellen over hun inkomsten en die tegelijkertijd de hinderpalen voor hervormingen in de sociale zekerheid en de dringende modernisering van de overlegeconomie wegnemen. Het kernprobleem is dat vakbonden en werkgeversorganisaties zich
laven aan overheidsmanna en mede daardoor een institutioneel belang hebben bij loonstijgingen en de ermee gepaard gaande verhoging van de geldmassa in de sociale zekerheid.
3. Alle communautaire taboes wegruimen, zonder politiek Franstalig België daarom te verplichten tot zelfmoord. Wil men beter bestuur, dan kan men niet heen om een decentralisering van de vele bevoegdheden waarover Franstaligen en Vlamingen intrinsiek van mening verschillen. Wil men de stijgende kosten in de sociale zekerheid beheersen, dan zal iedereen meer verantwoordelijk moeten zijn voor zuinig beheer, ook de gewesten en gemeenschappen in dit land.
4. De discussie over de federale administratie herlanceren waar ze na de mislukking van Copernicus gestopt is. In haar huidige budgettaire en statutaire toestand is de federale administratie gedoemd tot wegrotten. Het zal dus moeten gaan om minder ambtenaren, maar beter betaald, beter presterend en met veel minder voogdij vanuit de blijkbaar onverwoestbare kabinetten. Er staan daarover trouwens al bruikbare passages in het huidige regeerakkoord.
5. De vete stoppen tussen CD&V en VLD. Natuurlijk is het waar dat beide partijen bijna identiek hetzelfde kiezerspubliek hebben, en dat dat verklaart waarom ze elkaar zo hevig bestrijden, tot groot profijt van Vlaams Blok en PS. Maar Wilfried Martens heeft al jaren gelijk met zijn stelling dat een partij die zoals de CDU het hele spectrum van rechts tot links-iets-over-de-middenlijn bestrijkt een goede zaak zou zijn voor Vlaanderen. Een wat minder gespannen omgang met elkaar zou al veel kunnen helpen.
Natuurlijk, het is eigen aan gevestigde belangen dat ze doorgaans verkiezen de platgetreden paden te bewandelen omdat het onze tijd nog wel zal duren. De omslag zal dan des te heviger zijn, op het deptepunt van een recessie, bij een communautair conflict of een politiek-emotionele schokgolf genre-Dutroux. Sedert 13 juni staat het Vlaams Blok op één verkiezing van de macht.
R. Falter
De auteur is journalist van De Tijd.
Relevante websites :
www.tijd.be
Deze vrije tribune werd eveneens overgenomen in onze rubriek "artikels". We benadrukken dat zij - zoals elke "vrije tribune" - louter de mening van de auteur weergeeft.
24 juni 2004
"Als we vandaag de discussie negeren, verliezen we het gevecht van morgen" (J. Norberg)
Dit weekend vindt in Amsterdam het eerste festival Globalisering plaats. Wij publiceren bij die gelegenheid een goed stuk van Johan Norberg (foto), de auteur van het inmiddels legendarische boek "Leve de Globalisering". Dit stuk werd eerder gepubliceerd onder de titel "Waarom we moeten strijden tegen de andersglobalisten". Wie meer wil weten over het festival kan op onze agendapagina's terecht.
In 1936 ontving de liberale econoom F.A. Hayek een boek van een collega, en hij peinsde er over om een uitvoerig kritische stuk te schrijven, maar besloot hier toch van af te zien. De theorieën erin vertoonden teveel gebreken en waren te onsamenhangend. Hij dacht dat niemand ze toch serieus zou nemen. Waarschijnlijk zou de auteur vanzelf van gedachten veranderen. Waarom tijd verspillen die hij beter kon gebruiken om zijn eigen gedachten te ontwikkelen?
Zijn collega was John Maynard Keynes, en zijn boek was 'The General Theory of Employment, Interest and Money'. Toen het Keynesianisme 's werelds ministeries van financiën stuk voor stuk veroverde, had Hayek voor de rest van zijn leven spijt van zijn beslissing.
We lopen het gevaar opnieuw Hayeks fout te maken als we de antiglobalisten niet serieus nemen. Veel serieuze denkers nemen Hayeks benadering over. Typerend is het commentaar van een handelseconoom die me verzekerde dat het tijdverspilling zou zijn om de confrontatie aan te gaan met antikapitalisten. Ze zouden zich toch laten leiden door ideologische motieven en niet door feiten, ze hebben toch geen flauw benul van eenvoudige economische grondbeginselen en bovendien zullen redelijke argumenten hen toch niet van gedachten veranderen.
Dit argument houdt tot op een zekere hoogte stand, maar het mist het essentiële punt dat we de antiglobalisten het hoofd moeten bieden niet om hen te overtuigen, maar om ervoor te zorgen dat ze anderen niet overtuigen. Als ze niet worden uitgedaagd in een publiek debat, zullen hun verwarde inzichten al snel het publieke beleid domineren.
Mensen en politici halen hun kennis in het algemeen uit de media, niet van de economie faculteiten op universiteiten. En als de media dagelijks zijn gevuld met mensen als Naomi Klein, John Pilger en Ralph Nader, dan zal het publiek al snel hun standpunten delen. Antikapitalistische NGO's hebben politici al een excuus gegeven om genetisch gemodificeerde organismen in de ban te doen, ze hebben intellectuele eigendomsrechten een slechte naam gegeven en ze vernederen met regelmaat ondernemingen, die al te vaak met excuses hebben moeten reageren op de maatschappelijke verontwaardiging, terwijl ze louter datgene doen wat alle ondernemingen zouden moet doen, trachten geld te verdienen.
Antikapitalistische NGO's hebben ook op hun manier bijgedragen aan het mislukken van de besprekingen van de WTO in Cancun. Ze hebben geholpen bij het radicaliseren van ontwikkelingslanden waardoor uiteindelijk functionarissen uit deze landen weigerden lagere tarieven aan te bieden op vervaardigde goederen in ruil voor landbouwhervormingen. Beetje bij beetje verkrijgen dit soort organisaties een grotere invloed binnen de besluitvorming --en meer middelen-- van instellingen als de V.N. en de Wereld Bank. Tegenwoordig zijn er in de hoofdkwartieren van deze instellingen meer NGO-activisten te vinden dan werknemers.
Maar de lange termijn invloed gaat zelfs verder dan deze rechtstreekse gebeurtenissen. Antikapitalisten zijn het intellectuele klimaat aan het veranderen onder de jeugd en studenten in het Westen. De positie innemen van het antimarkt zijn is vandaag “in”; het is modieus terwijl globalisering wordt geassocieerd met bureaucratieën zoals de EU en de IMF. Volgens onderzoeken heeft globalisering (welke letterlijk betekent, vrije interactie van informatie, producten, etc., tussen mensen over de hele wereld) nu een negatieve betekenis onder de jeugd in Europa en Amerika.
Sommige markten verdedigen zichzelf met enige geruststelling dat dit uiteindelijk draait om beleid ten aanzien van handel, dat de antiglobalisten niet anders zijn dan andere traditionele protectionistische krachten, en dat ze daarom geen indrukwekkende resultaten zullen behalen. Maar dat is een misvatting.
Het debat omtrent globalisering gaat niet hoofdzakelijk over tarieven en quota's, het gaat over bedrijven, belastingen, verplaatsingen van kapitaal, regelgeving, beleid ten aanzien van milieu, privatisering, etc. Als we vandaag de discussie negeren, dan verliezen we het gevecht van morgen.
Op dit moment brengt een jonge generatie haar vormende jaren door in werkgroepen of met boeken die hen leren om particuliere ondernemingen te wantrouwen en hen laten geloven dat de staat het vermogen bezit de wereld te redden. En zij blijken vaak de best opgeleide jongeren, uit de beste universiteiten, van welgestelde gezinnen. Zij beginnen nu hun lange mars door verscheidene instellingen. Over een paar jaar zullen we hen tegenkomen als professors, als politici, als journalisten en redacteuren. Dezelfde ontwikkeling deed zich voor na de studentenopstanden eind jaren zestig.
Maar het is niet onvermijdelijk. De opwinding die we zagen ten aanzien van globalisering in de jaren negentig kwam doordat, voor het eerst in jaren, een breed publiek geïnteresseerd was geraakt in de wereldeconomie en de daarmee gepaard gaande gevolgen. Achteraf gezien was dat de gouden kans om het complexe proces uit te leggen van een markteconomie. Toen er een toenemende aandacht was voor het armoedeprobleem, waren mensen bereid om te luisteren naar de uitleg dat de wereldhonger- en armoede sneller waren teruggebracht in het tijdperk van de globalisering dan ooit eerder in de wereldgeschiedenis, en dat dit het snelst plaatsvond in landen die zichzelf openden om handel te drijven met de rest van de wereld.
We kunnen deze opwinding opnieuw aanwakkeren als we met antiglobalisten samenkomen in openbare forums. Ondanks de inspanningen van de ontwikkelingseconoom Jagdish Bhagwati van de Universiteit van Columbia, die een belangrijke taak verricht als een handelsreiziger voor handelsreizigers, vallen de voorstanders van een vrijhandel op door hun afwezigheid. Het intellectuele domein wordt voornamelijk bevolkt door antikapitalisten.
Mijn persoonlijke ervaringen uit ontmoetingen en debatten met antiglobalisten is dat--als je boegeroep en fluitconcerten kan weerstaan--het waard is hen te ontmoeten in openbare debatten. Als je maar de feiten onder de aandacht blijft brengen, zullen de meeste mensen uit het publiek bereid zijn om te luisteren.
Je kunt niet teleurgesteld zijn dat je tegenstanders niet van gedachten veranderen, je bent er niet voor hen maar voor die toeschouwers die intellectueel open zijn en een oprechte interesse hebben in zulk soort kwesties.
Als je er niet bent, dan zullen zij alleen de mogelijkheid hebben om naar antikapitalisten naar te luisteren. Vaak is het niet zo dat ze de argumenten voor het kapitalisme hebben afgewezen--ze hebben er alleen nooit van gehoord. Hayek is nou niet de vereiste boekenkost voor hun curriculum.
En ook hoeft men niet de antiglobalisten zelf op te geven. Mijn eigen ervaring heeft mij geleerd dat door te debatteren en door de antikapitalisten op de proef te stellen, ze eenmaal intellectueel een zetje gegeven te hebben, velen van hen zullen nadenken over meer constructieve oplossingen voor de problemen die zij zelf aankaarten. Velen zullen de antikapitalistische retoriek achterwege laten. Sommige zullen zich zelfs bekeren tot de positie voor de wijsheid van de vrije markt.
Eén van de meest toonaangevende antikapitalisten, George Monbiot, heeft recentelijk toegegeven dat protectionisme en de nadruk op lokale productie die hij in het verleden heeft verdedigd, armen landen alleen maar armer zullen maken. Alvorens de WTO-besprekingen, was de Britse linkse krant The Guardian gestart met een website tegen de landbouwsubsidies. En de grootste campagne tegen de protectionisme van de rijke landen was niet georganiseerd door handelseconomen, maar door de ontwikkelings- en hulporganisatie Oxfam. Veel traditionele antiglobalisten zijn hier door beïnvloed.
De richting voor de toekomst van deze beweging zal afhangen van de mate waarin de activisten aangesproken worden en gedwongen worden om constructief te zijn. En dat laatste is belangrijk als we werkelijk belangstelling hebben door welk perspectief de jonge generatie beïnvloed zal zijn. Zoals Keynes al stelde aan het einde van de the General Theory: “vroeg of laat, zijn het ideeën, niet gevestigde belangen, welke gevaarlijk zijn voor goed of kwaad.”
Dit artikel verscheen eerder (22 oktober 2003) in de Wall Street Journal Europe, en werd vertaald door Christopher D.H. van Dijk. Dhr. Norberg, is schrijver van het recent verschenen Leve de globalisering en debatteert met antiglobalisten over de hele wereld. Het artikel werd ook afgedrukt op de sites van de Stichting Meer Vrijheid en van het Libertarisch Centrum Nederland.
Het laatste weekend van juni zal Norberg spreken op het Globaliseringsfestival in Amsterdam. Meervrijheid is ook vertegenwoordigd op dit festival en zal enkele workshops geven over de zegeningen van de vrije markt en globalisering voor ontwikkelingslanden. We willen duidelijk maken dat we de bezorgdheden en doelstellingen van de antiglobalisten delen (bestrijding van armoede, honger, ziekte, milieuvervuiling, oorlog enzovoorts), maar dat de enige manier voor een betere wereld de vrije markt is. Meer informatie over de workshop vindt U op de site van de Stichting Meer Vrijheid en op onze eigen agendapagina's.
Relevante websites:
www.johannorberg.net
www.meervrijheid.nl
www.libertarian.nl
www.wsj.com
23 juni 2004
Peter Vandermeersch : "Na de verbijstering, de bezinning"
In De Standaard van 17 juni 2004 publiceerde Peter Vandermeersch (foto), hoofdredacteur van de krant, een open brief aan zijn collega's. "Open brief", hij is dus duidelijk ook voor het grote publiek bedoeld. Het publiek, dat zijn U en ik. We reproduceren de tekst hier in zijn geheel, omdat hij duidelijk de opvatting van Vandermeersch weergeeft op de manier waarop in Vlaanderen aan journalistiek wordt gedaan en wenken inhoudt nopens de manier waarop de pers – steeds volgens de hoofdredacteur – zou moeten handelen.
Dat we deze tekst hier afdrukken houdt niet in dat we de standpunten van Peter Vandermeersch tot de onze maken. Hij schrijft dat het hier gaat om een "discussienota". Dat deze tekst hier wordt opgenomen kan ook bij ons eigen lezerspubliek een aanzet geven tot gedachtenwisseling, tot commentaren, suggesties, kritieken.
De pers stelt regelmatig dingen ter discussie. Vandaag stelt de hoofdredacteur van een van de grootste kranten van het land de pers zelf ter discussie. Hij zegt : "Het Vlaams Blok is niet groot geworden dankzij maar ondanks de media. Dat moet ons tot de nodige bescheidenheid aanzetten ". Een gedurfde en – ook al deelt men zijn analyse misschien niet – eerlijke daad. We gaan mee het debat aan. De verhouding tussen pers en politiek is het thema op de gespreksavond van N.C. Antwerpen van 29 juni a.s. (zie voetnoot).
Collega's,
We moeten ootmoedig in eigen boezem kijken en durven vast te stellen dat ook wij alweer het Vlaams Blok hebben onderschat. Elke verkiezingszondag sinds 1991 stellen we hetzelfde fenomeen vast: op alle redacties heerst er verbijstering. Het Vlaams Blok als tweede partij met 24 procent van de stemmen? Ook de peiling van deze krant en de VRT - die al enkele jaren bewezen heeft de politieke tendensen goed op te pikken - gaf het Blok ,,maar'' 19,8 procent.
Vlaamse redacties hebben niet het monopolie op die onwetendheid. Op maandag 22 april 2002 was ik 's ochtends te gast op de redactie van de Franse krant Le Monde, algemeen beschouwd als een van de beste kranten ter wereld. De avond voordien had de Franse kiezer niet Lionel Jospin maar wel Jean-Marie Le Pen naar de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen gestemd. De sfeer op de Parijse redactie kon je maar met één woord samenvatten: verbijstering.
Ook onze Nederlandse collega's waren (of zijn?) in hetzelfde bedje ziek. Toen Pim Fortuyn de spreekbuis werd van honderdduizenden Nederlanders, keken de - naar Vlaamse normen uitstekend bestafte - redacties de verkeerde kant op. Achteraf, toen Fortuyn vermoord en begraven was, moesten ze deemoedig toegeven dat ze de polsslag van de Nederlandse samenleving veel te weinig gevoeld hadden.
Dat is vanzelfsprekend een bijzonder pijnlijke vaststelling. Redacties van kranten, weekbladen, radio en televisie worden bevolkt met mensen die betaald worden om te berichten over wat er in de samenleving gebeurt. Vele van die journalisten hebben de pretentie om met stellige zekerheid te berichten, te analyseren en te commentariëren over hoe die maatschappij politiek, sociaal, economisch in elkaar steekt.
En heel dat apparaat slaagt er niet in om een van de allerbelangrijkste maatschappelijke gebeurtenissen, het ontstaan en de ontwikkeling van een brede politieke beweging, op een correcte manier aan te voelen, laat staan de evolutie ervan te voorspellen.
In de naweeën van de overwinning van het Vlaams Blok moeten wij ons dan ook beraden over twee belangrijke vragen. We moeten ons afvragen of wij wel weten wat er in de samenleving gebeurt. En we moeten ons afvragen of onze houding ten opzichte van het Vlaams Blok wel een journalistiek correcte houding is.
1. Weten we wel wat er in de samenleving gebeurt?
We weten wat er in de Wetstraat gebeurt. Elke slag die er uitgedeeld wordt, tellen we. We weten bijzonder goed hoe Dirk Sterckx en Karel De Gucht het met elkaar vinden. We weten dat Tony Blair weigert om Guy Verhofstadt te steunen voor het voorzitterschap van de Commissie. En er ontgaat ons geen enkele beweging tussen Spirit en N-VA.
Het is een vaststelling die al eerder gemaakt is: de Wetstraat kennen we, maar de Dorpsstraat blijkbaar veel minder. We weten dus te weinig hoe het er in volksbuurten toegaat. Welke hoop en angsten die mensen hebben. Maar gaat het enkel over de volksbuurten?
Weten we wel wat er in Rotaryclubs gezegd wordt? Hoe bedrijfsleiders naar onze samenleving kijken? Wat de frustraties van de leraarskamers zijn? Op welke manier dokters en verplegers moeten werken? In welke omstandigheden politiemensen hun job uitvoeren?
Als we eerlijk zijn, moeten we vaststellen dat we daar te weinig over weten. Nu en dan maken we uitstekende reportages. Ik ben trots op onze campagnereeks ,,In de kantine'', waarin we peilden naar hoe Vlaanderen naar politiek keek. Maar dit lijkt me niet voldoende.
Ben ik te zwartgallig? Misschien. Want ik weet natuurlijk wel dat we met onze redactie geregeld maatschappelijke kwesties opgetild hebben op het publieke forum. De verkeersveiligheid, het goed bestuur en de sociale woningbouw zijn maar drie voorbeelden in een lange rij. Maar veiligheid, bijvoorbeeld, hebben we ook redactioneel te lang laten liggen.
Aansluitend hierbij maak ik me overigens zorgen over de samenstelling van onze redactie. Is die wel in voldoende mate een afspiegeling van de maatschappij? Helemaal niet. Redacties - de onze en alle andere die ik ken - worden vooral bevolkt door mannen en in mindere mate vrouwen, met een opleiding menswetenschappen (talen, geschiedenis, sociologie, politieke wetenschappen, rechten) die eerder links dan rechts stemmen en zichzelf eerder progressief dan conservatief vinden.
Je vindt op de redacties nauwelijks allochtonen en nauwelijks Vlaams Blokkers. We wonen in relatief geprivilegieerde wijken, gaan naar relatief beschaafde feestjes, kennen weinig mensen die op het Vlaams Blok stemmen en ons contact met de allochtonen beperkt zich meestal tot het Turkse restaurant waar de wijn overvloedig is en tot die fantastische band op het Couleur Café-festival.
Overigens: kennen we de hele Wetstraat wel voldoende? Er kan geen halve discussie zijn tussen twee Groenen, of we weten er alles van. Als er bij de VLD hommeles is, horen we dat eerder dan de betrokkenen. Maar we slagen er nog steeds onvoldoende in om het Vlaams Blok, zijn tactieken en frustraties, zijn ambities en twijfels te kennen en in kaart te brengen.
2. Is onze houding ten opzichte van het Vlaams Blok wel journalistiek correct?
,,Tony Mary draagt de verantwoordelijkheid'', zo zei Rik Van Cauwelaert, hoofdredacteur van Knack, maandag aan De Morgen. ,,De berichtgeving (op de VRT) over het Vlaams Blok was een regelrechte schande'', aldus Van Cauwelaert. ,,De zender heeft het Vlaams Blok gebanaliseerd. Er heerste een sfeer van hen vriendelijk toe te lachen, van hen slecht geïnformeerd tegemoet te treden.'' Die kritiek is niet nieuw. Vorig jaar al hadden verscheidene mensen het over de ,,fluwelen aanpak'' van het Blok door de VRT.
Ik ben het grondig oneens met Van Cauwelaert. Ik vind dat vertegenwoordigers van het Blok wel degelijk hard en kritisch zijn aangepakt. Sommigen vinden zelfs te hard. Communicatieadviseur Evert Van Wijk bijvoorbeeld vond dat Phara de Aguirre te scherp was, ,,wat de underdogpositie versterkt waarin het Vlaams Blok zich graag maneuvreert''.
Zelf heb ik naar mijn tv-scherm geroepen toen ik zag hoe Luc Alloo elke minuut meer stemmen aan het ronselen was voor Marie-Rose Morel. Luc zou Marie-Rose even inpakken. Door zijn denigrerende houding draaide het anders uit.
Het is een debat dat even oud is als het Vlaams Blok zelf. Moet je deze partij doodzwijgen of moet je erover berichten? En hoe bericht je er dan over? Geef je interviews aan kopstukken van het Vlaams Blok? Geef je vrije tribunes aan mandatarissen van het Blok?
Verschillende media pasten de voorbije jaren verschillende ,,strategieën'' toe. De VRT, bijvoorbeeld, schreef enkele jaren geleden de nota ,,VRT en de Democratische Samenleving'', waarin gezegd werd dat ,,Het Blok geen politieke partij is als een ander''. Er moet, zo stond te lezen ,,bijzonder omzichtig omgesprongen worden met het aan het woord laten van vertegenwoordigers van het Vlaams Blok, zeker in rechtstreekse uitzendingen''.
Het is duidelijk dat dat in deze campagne niet gebeurde. Wat mij betreft zeer terecht. Als we niet berichten, analyseren, interviewen en commentariëren, verzaken we om politiek-strategische redenen aan onze bestaansreden: informeren.
Laten we daar duidelijk over zijn: het Vlaams Blok is niet groot geworden dankzij maar ondanks de media. Ook dat moet ons tot de nodige bescheidenheid aanzetten.
In de Franstalige pers in ons land bestaat wel een journalistiek cordon. Daar besloten de belangrijke kranten bijvoorbeeld om geen interviews te geven aan leden van het Vlaams Blok of het Front National en om evenmin ,,sympathieke'' foto's af te drukken. Een glimlachende Dewinter zal je dus niet vinden in Le Soir. Sterker nog, vorige dinsdag publiceerde die krant de pasfoto's van alle gekozenen, maar bijvoorbeeld niet die van de leden van het Front National (Overigens verhindert dit journalistieke zwijgen niet de opkomst van het FN, dat intussen ook al acht procent van de Franstalige kiezers weet te verleiden).
De Standaard besloot enkele jaren geleden om het Vlaams Blok in de berichtgeving als andere partijen te behandelen. Er is, zo heb ik altijd beweerd, geen cordon journalistique. Het cordon sanitaire is een politiek instrument, geen journalistiek. Daarom vond ik het goed dat wij het Blok goed volgen en wel degelijk interviews geven aan kopstukken.
Er bleef één uitzondering op de regel: we besloten geen vrije tribunes aan Blok-mandatarissen te geven (wat overigens tot de eigenaardige situatie leidt dat we wel een stuk afdrukken waarin Karel De Gucht tegen stemrecht voor immigranten pleit, maar nooit eenzelfde stuk van Gerolf Annemans op die pagina's zouden zetten). Ben ik de enige die het daar lastig mee heeft?
Nog essentiëler is de vaststelling dat we in commentaren altijd gepleit hebben voor het behoud van het cordon sanitaire. Om ethische redenen kun je niet een partij aan de macht laten komen die in essentie aanzet tot onverdraagzaamheid in onze samenleving. De veroordeling van het Blok voor racisme door het hof van beroep van Gent sterkte ons in die mening.
Je kunt er intussen niet onderuit dat het cordon electoraal niet werkt - het is op zich een van de redenen van het succes van het Blok - en dat vasthouden aan dat cordon dus het tegenovergestelde bereikt van wat we willen.
We moeten, binnen en buiten de redactie, het debat over de wenselijkheid van het cordon dan ook voeren. Elementen van het debat: hoe zal het Hof van Cassatie omgaan met het Blok-arrest? Welke conclusies trekt het Vlaams Blok mogelijk uit die uitspraak? Is er een kans dat het Blok verzaakt aan zijn racistische standpunten? Wil het Vlaams Blok wel regeren?
Ik heb de jongste dagen van verschillende mensen verschillende verwijten te horen gekregen. We waren, zo betoogden sommigen ook binnen deze redactie, in onze rapporten, commentaren en analyses te streng voor paars en spreidden daardoor het bedje van de anti-politiek. Dus moeten we in eigen hart kijken. Anderen zeggen net het tegenovergestelde: wij, de media, zaten te veel op de schoot van de traditionele partijen en werden dus een medespeler van vermeende politieke intriges en van een oude politieke cultuur die net door de Blok-kiezer werden afgestraft.
De enen, zoals Van Cauwelaert, verwijten de media een banalisering van de Blok-kandidaten. Anderen hebben het over de ,,demonisering'' van die kandidaten die harder dan normaal zouden zijn aangepakt door de Siegfrieds en Phara's van deze wereld. De eersten zien in de banalisering, de anderen in de demonisering de oorzaken van het electorale succes van het Vlaams Blok. Volgens die laatsten versterken de media de underdogpositie waar het Blok garen bij spint.
Ik heb sterk de indruk dat we in het debat nooit kunnen winnen. In een analyse die we eerder deze week op deze pagina's afdrukten, verdedigt Luc Huyse de intrigerende stelling dat de veelheid van berichtgeving in de media het Blok misschien wel heeft groot gemaakt (DS 15 juni). ,,De curve die de groei van het Vlaams Blok sinds de jaren tachtig weergeeft, loopt parallel met de lijn die de aanwas van de hoeveelheid mediaberichten over de politiek uittekent.'' Dat is een uitdagend standpunt: we hebben te veel over politiek bericht en daardoor zijn de mensen in de anti-politiek gevlucht.
Ook opnieuw te horen bij Huyse en anderen: de media hebben het te weinig over inhoud gehad en ,,te veel over kleine kantjes en weinig terzake doende details''. Een gedachtegang die ook door de sociologe Bea Cantillon wordt verdedigd. Zij pleit deze week in Knack zelfs voor het verbieden van het VRT-programma Doe de stemtest.
Het lijkt mij een selectieve lezing van de voorbije campagne in de media. Want in al die uitzendingen van Terzake 04 over Woord tegen woord en De volksjury tot Doe de stemtest heb ik ongelofelijk veel over inhoud horen praten. Over beloftes, programma's en verwezenlijkingen. Als krant hoeven wij ons in deze zeker niet te schamen. Wie zich wou informeren kon dat de voorbije weken en maanden op een nooit gezien niveau. Ik ben trots op De Standaard van de voorbije weken.
Maar ook hier kunnen we blijkbaar niet winnen: in de ogen van onze critici geven we de ene keer te veel en de andere te weinig informatie. De ene keer is het ,,ontoegankelijk'' en de volgende keer ,,verkleuterd''.
Besluit?
Ik heb dit meer neergeschreven als een discussienota dan als een beleidsnota. Wij als De Standaard hebben de pretentie om een rol te spelen in de Vlaamse samenleving. We willen die samenleving open en verdraagzaam, democratisch en welvarend. Het is onze taak om over die samenleving te berichten, die te analyseren en te becommentariëren. Het is ook onze taak om het forum te bieden voor het intellectuele debat.
P. VANDERMEERSCH
Peter Vandermeersch is hoofdredacteur van de Standaard.
Wie een reactie wil versturen aan de krant, kan dit doen op redactie@standaard.be of peter.vandermeersch@standaard.be. U kan ook repliceren via deze website (door een reactie te plaatsen op dit bericht).
Bron : www.standaard.be
Noteer dat de verhouding pers-politiek ook aan de orde is op de slotmanifestatie van Nova Civitas Antwerpen, op 29 juni 2004. Klik hier voor meer details terzake.
22 juni 2004
De macht aan de arbeiders : J. Piñera over het Chileense pensioensysteem
Politici en werkgeversverenigingen en vakbonden hebben het sociale stelsel zo zwak gemaakt dat nu de toekomstige pensioenen in gevaar dreigen te komen. Nochtans bestaan er alternatieven. Onder de titel "De macht aan de arbeiders" publiceerde dr. J. Piñera een beschrijving van het PSR-systeem zoals het in Chili werkt. In dat land werkt al jarenlang een individueel flexibel pensioensysteem tot tevredenheid van alle betrokkenen. Het Cato Instituut (waartoe Piñera behoort) en Milton Friedman zijn daar indertijd bij betrokken geweest. U vindt hierbij de tekst van het essay, vertaald door Henk Jelgerhuis. Er is eveneens een tekst te bekomen via het Libertarisch Centrum Nederland.
Een groot spook bedreigt de wereld. Het is het spook van het failissement van de staatspensioenvoorzieningen.
Het omslagstelsel voor de financiering van de staatspensioenen, dat gedurende de tweede helft van deze eeuw praktisch de boventoon speelde, heeft een fundamentele zwakte, die is gebaseerd op een foute veronderstelling hoe mensen zich gedragen; het vernietigd, op het persoonlijke vlak, het belangrijke verband tussen inspanning en beloning - met andere woorden het doet de binding tussen persoonlijke verantwoordelijkheid en persoonlijke rechten te niet. En, .........wanneer dat op een grote schaal gebeurt en voor een hele lange tijd, dan is de uitkomst disastreus.
Twee invloeden van buitenaf vergroten het gevolg van die fundamentele zwakte: (1) de wereldwijde teruggang van de vruchtbaarheidscijfers; en (2) de vooruitgang van de medische wetenschap, waardoor mensen steeds ouder worden. Het gevolg is , dat steeds minder werkzamen voor steeds meer gepensionneerden moeten opdraaien. Aangezien de verhoging van de pensioenleeftijd en van de inhoudingen onvermijdelijk een bovengrens heeft, moet men in het omslagstelsel op een gegeven ogenblik de uitkeringen gaan verlagen - dit is een duidelijke aanwijzing van een failliet systeem.
Of nu de vermindering van de uitkeringen wordt bereikt door inflatie, zoals in de meeste ontwikkelingslanden, of door de wetgeving te verandeeren, de uitkomst voor de gepensionneerde blijft hetzelfde: zorgen op de oude dag veroorzaakt, pardoxaal genoeg, door de ingebouwde onzekerheden van het "sociale verzekeringssysteem".
In 1980 besloot de Chileense Regering om de koe bij de horens te vatten. Een door de Overheid beheerd pensioensysteem werd vervangen door een revolutionaire nieuwigheid: een door particulieren beheerd nationaal systeem van Pensioen Spaar Rekeningen (PSR).
Nu, na 15 jaren in bedrijf te zijn, spreken de resultaten voor zichzelf. Uitbetalingen in het nieuwe geprivatiseerde systeem zijn nu al 50 tot 100% hoger - afhankelijk of het AOW betreft, Arbeidsongeschiktheid-, of Weduwen en Wezenuitkeringen - dan onder het omslagstelsel.
De middelen, die door particuliere pensioenfondsen worden beheerd, bedragen ongeveer ƒ 50 miljard ofwel zo'n 40% van het Bruto Nationaal Product over 1995.
Door de verbetering van het functioneren van zowel de kapitaals-, als van de arbeidsmarkt blijkt de privatisering van de pensioenen één van de belangrijkste factoren te zijn, die het groeipercentage van de economie omhoogstuwde van de historische 3% naar gemiddeld 6,5% over de laatste 12 jaren.
Daarnaast is het een feit, dat de Chileense spaarfondsen zijn gegroeid tot 27% van het BNP en dat de werkloosheid is afgenomen tot 5% sinds men de verandering in werking stelde.
Maar nog veel belangrijker is, dat pensioenen geen overheidszaak meer zijn en daarmede werd een enorme sector van de economie gedepolitiseerd, waardoor de mensen veel meer greep kregen op hun eigen leven. De structurele zwakte van het pensioensysteem is verwijderd en de toekomst van de pensioenuitkering is afhankelijk van persoonlijk handelen en van het vrije marktsysteem.
Het grote succes van het Chileense Privé Pensioensysteem heeft ertoe geleid, dat drie andere Zuid Amerikaanse staten ook besloten het roer om te gooien. In de afgelopen jaren hebben Argentinië (1994), Peru (1993), en Columbia (1994) gelijksoortige veranderingen uitgevoerd. In deze vier Zuid Amerikaanse landen hebben 11 miljoen werkenden persoonlijke pensioenrekeningen.
Het Chileense experiment zou zeer instructief kunnen zijn voor vele andere landen in de wereld. Zelfs in de Verenigde Staten wordt serieus gedebatteerd over privatisering van het 60-jaar oude (staats-) pensioensysteem.
Het zij mij vergund op te merken, dat het Amerikaanse Sociale Verzekeringssyteem het grootste volledige overheids- programma is ter wereld, waarin jaarlijks meer dan ƒ 700 miljard wordt uitgegeven (Méér dan het totale defensiebudget gedurende de Koude Oorlog !)
Een voorbeeld van de kracht van vernieuwende ideeën is dat zelfs uit de Volksrepubliek China officiële afgevaardigden naar Chili zijn gekomen om het privé pensioensysteem te bestuderen.
Eén van de gevolgen is een interessant verslag van een meningsverschil waarover 'The Economist' kortelings rapporteerde:
Er is in het algemeen meer een bitse dan een komische situatie in de langdurende tweestrijd tussen Groot Brittannië en China met betrekking tot de toekomst van Honkong. Toch zou Chris Patten - de Gouverneur van Honkong - een glimlach niet hebben kunnen onderdrukken toen zelfs China zijn plannen voor een pensioensysteem gebaseerd op het omslagstelsel, onderuit haalde. Zhou Nan, de hoofdvertegenwoordiger van Communistisch China in Honkong, mompelde dat de heer Patten als Conservatieve Brit bezig was "uiterst kostbare Euro-Socialistische" ideeën in Honkong in te voeren. (15 Februari 1995)
Het is zeer wel mogelijk, dat voor de Eenentwintigste Eeeuw ingaat, reeds meerdere andere landen, met inbegrip van alle Amerikaanse, hun pensioensysteem geprivatiseerd zullen hebben. Dat zou een enorme vergroting (terugstroom) van macht voor de burgers betekenen ten koste van de overheden, waardoor de persoonlijke vrijheid sterker benadrukt wordt. Dat op zijn beurt zal een snellere economische groei bevorderen en armoede - speciaal op latere leeftijd - ver- minderen.
"....pensioenen hebben opgehouden een overheidszaak te zijn, waardoor het politieke element uit een enorm grote sector van de economie is verdwenen en iedereen veel meer controle heeft over zijn eigen bestaan".
HET CHILEENSE PSR SYSTEEM
Onder het Chileense PSR-systeem is het bedrag, dat een werknemer gedurende zijn werkzame jaren bijeenbrengt bepalend voor de basis van zijn pensioengrondslag. Noch de werknemer, noch de werkgever betaalt sociale lasten aan de overheid. De werknemer krijgt echter geen door de overheid gegarandeerd pensioen. Gedurende zijn werkzame leven wordt daarentegen door zijn werkgever automatisch maandelijks 10% van zijn salaris op zijn persoonlijke Pensioen Spaar Rekening gestort. Dit percentage heeft alleen betrekking op de eerste ƒ 44.000,00 van zijn jaarinkomen. Zodoende gaat het "verplichte" gedeelte van het spaarbedrag naar beneden als salarissen omhoog gaan bij stijgen van de economische bedrijvigheid.
Het is een werknemer toegestaan een verdere 10% van zijn salaris per maand, die van zijn inkomstenbelasting aftrekbaar zijn, aan zijn PSR toe te voegen als een soort vrijwillig sparen. In het algemeen zal een werknemer dus meer dan de min