27 juli 2004
Uw recht op deflatie
Llewellyn H. Rockwell Jr. (foto) is president van het Ludwig von Mises Instituut in Auburn, Alabama in de Verenigde Staten, een van de meest gezaghebbende libertarische instellingen die deze planeet rijk is. Kort geleden verscheen op zijn website een interessante bijdrage over deflatie. We drukken ze hierbij af.
Bovenop de lasten van een grote overheid, schuldberg en oorlog, kunnen we nog een zaak toevoegen aan de lijst en dat is inflatie. De nieuwste prijsgegevens geven aanleiding tot ernstige zorgen dat we nog meer worden beroofd, want dat is wat inflatie is, door onze eigen regering dan we weten! In sommige opzichten is de terugkeer naar de stijgende prijsdruk op een niveau dat de economische groei overtreft een zekere vorm van vernietiging en een nalatenschap van de overheidsmacht om een puinhoop te scheppen waar die niet hoeft te zijn.
We zijn allemaal verbijsterd over de prijsstijgingen in onderwijs, medische hulp, huisvesting en energie. Toch stijgen niet alle prijzen tegelijk. Feitelijk kunnen we denken aan recente tijden toen we een omgekeerde situatie ervoeren. Degenen die toegang hebben tot goedkope supermarkten of grote discountwinkelketens ervaren dit gevoel elke keer als ze uit winkelen gaan.
Lage prijzen scheppen een vorm van optimisme over de toekomst en geeft een blik op hoe het ook anders kan zijn. Dat de goederen en diensten zijn afgeprijsd tot nul, een wereld waarin schaarsheid geen enkel obstakel meer vormt naar een algemene voorspoed.
Hoera! Onze intuïtie vertelt ons dat dalende prijzen fantastisch zijn voor onze portemonnees, omdat we dan meer middelen over hebben om te sparen of andere consumptieartikelen aan te schaffen. Het is juist goed voor de maatschappij als geheel. Ons geld wordt steeds meer waard en daarom wordt onze arbeidsbeloning ook steeds meer waard. Als inflatie een sluipende belasting is, dan werkt deflatie als een belastingteruggave. Dalende prijzen zijn een cadeau dat de vrije markt aan iedereen schenkt, mits de natuurlijke goedgeefsheid van de markt niet wordt gedwarsboomd door centrale bankiers en overheidsfunctionarissen. De markt doet dit middels technologische innovatie die de productie efficiënter maakt en een verdere verdeling van arbeid mogelijk maakt via het veel aangevallen fenomeen van globalisatie. We worden allemaal beter van computers en de handel met de opkomende economieën van Oost-Europa en Azië.
Socialisten praten doorgaans over het samenwerken in de gemeenschap, maar de mondiale handel toont aan dat de beste manier om samen te werken als gemeenschap is om voor jezelf te werken, te handelen met elkaar en zo te komen tot een wederzijds voordeel. Op deze manier kunnen alle volkeren op aarde zich verenigen om te proberen de productie en efficiëntie te laten stijgen en tevens, want dat is zeer belangrijk, de prijzen naar beneden te krijgen - nu en voor altijd.
Helaas worden we vandaag de dag beroofd van ons recht op deflatie door middel van een enorme tegenwerkende kracht genaamd de centrale bank. Dankzij deze centrale bank en haar monetaire sluizen zakt de waarde van ons geld in plaats van dat deze stijgt. We zien nu de grootste stijging van de consumentenprijzen in 2,5 jaar. De centrale bank verzekerde ons dat het zou ingrijpen zodra de inflatie oncontroleerbaar zou worden. Maar het vertelde niet dat het zelf verantwoordelijk was voor de bestaande inflatie. Deze bekende houding werd eens vergeleken met een bestuurder, die alleen in de achteruitspiegel keek en tegelijk zijn passagiers verzekerde dat alles vooruit in orde was.
Volgens het meest recente inflatierapport zijn de prijzen aan het stijgen. Binnen de structuur van de index zelf vinden we een grote diversiteit, want veel prijzen zakken, maar ook genoeg prijzen stijgen, zodat het een snel stijgende index te zien geeft (er bestaat namelijk geen 'inflatiecijfer' als wetenschappelijk meetpunt).
De grootste stijgingen waren in voeding en energie, met in het bijzonder zuivel en benzine. Om van de ene plaats naar de andere te komen kost nu dus meer dan vorig jaar. De kosten van medische zorg stijgen nog steeds meer dan alle andere, met uitzondering van die van voeding en energie. De kosten van huisvesting stijgen ook. Met het oog op productiviteitsstijgingen, mondialisering, technologische verbeteringen en een werelddollarstandaard, die het toestaat om schijnbaar een onbeperkte hoeveelheid papier te exporteren, is het verdraaid moeilijk deze dagen om over de hele linie prijsstijgen te veroorzaken. Alle druk gaat de andere kant op. Deze zelfde druk heeft de centrale bank in staat gesteld om de rente op een uiterst laag niveau te houden, de geldkraan open te zetten, wanneer zij het nodig achtte, en tegelijkertijd een enorme rugdekking te geven aan de enorme schuldberg die is gecreëerd door de overheid.
Voeding en kleding zijn twee sectoren die behoorlijk hebben geprofiteerd van de mondialisering door middel van continu dalende prijzen, en dit ondanks de monetaire druk tot hogere prijzen. De huisvesting kan niet profiteren van de mondialisering, de energieproductie is geketend door staatscontrole en iedereen weet hoe gruwelijk de overheid is ten aanzien van de interventie in de medische sector.
Het punt is niet om te stellen dat regulering en marktcontrole inflatie veroorzaken, maar in plaats daarvan dat inflatie het minste effect heeft waar de vrije markt bezig is om de prijzen naar beneden te duwen, zoals bijvoorbeeld in de kledingindustrie. Hoe meer druk op de prijzen, hoe minder invloed de inflatie van de centrale bank heeft op de industrie, in ieder geval op korte termijn.
Op de zelfde manier zijn er bijkomende factoren die de hoge prijs van de medische zorg en energie beïnvloeden. Het socialisme heeft de vraag naar zorg verhoogd en de overheidsbeperkingen hebben een kunstmatig laag aanbod geschapen. De oorlog in Irak, evenals de sancties voordien, tezamen met milieubeperkingen, overheidsbezittingen en belastingen hebben gezorgd voor verminderde winstkansen in de energieproductie.
En toch, ondanks alles is de echte schuldige achter de prijsstijgingen en die uw recht op deflatie heeft bestolen, de centrale bank. De inflatie berooft ons van ons spaargeld, herverdeelt het geld van spaarders naar schuldenaren, verdeelt het bezit van consumenten naar diegenen die gekoppeld zijn aan de overheid, maakt het zakendoen moeilijker en subsidieert het kortetermijndenken ten koste van langjarige planning. Het drijft mensen in een arbeidsproces waar ze anders niet in zouden willen zitten als ze een keuze hadden en voorkomt dat de markteconomie haar magische werk doet om de levensstandaard jaarlijks te laten stijgen. Dus hoe kunnen we ons beveiligen tegen toekomstige inflatie? We zouden bijvoorbeeld betere centrale bankiers kunnen wensen, of verantwoordelijke politici, maar de grondleggers van de VS hoopten dat we geen overheid van mensen zouden worden. Neem in plaats daarvan de ideale methode om de geldwaarde vast te leggen tegen de aanvallen van overheidswege; de gouden standaard. Het ontneemt de staat geheel het recht om geld te creëren en dwingt iedereen om te leven binnen hun eigen begroting.
Llwellyn J. Rockwell, Jr.
Relevante websites :
www.lewrockwell.com
www.mises.org
25 juli 2004
Financieel advies - Teloorgang van een referentie-aandeel
In de hier gepubliceerde satirische bijdrage tracht Rudi De Ceuster (foto) een parallel te maken tussen de huidige politieke toestand, en de analyse van een vermogensbeheerder van een (onbestaand) beursgenoteerd bedrijf dat hij "Libero" heeft genoemd. Schrijver deze publiceert deze tekst geheel uit eigen naam. Het advies is overigens ook geheel vrijblijvend.
Experten voeren aan dat aandelen, gerekend over een langere periode, jaarlijks een return van gemiddeld 6 procent kunnen opleveren, vooropgesteld dat de uitgekeerde dividenden en de gerealizeerde meerwaarde telkens opnieuw geïnvesteerd worden.
Wie hiervoor belangstelling heeft, zal het hiernavolgend verhaal met de nodige aandacht lezen, en onthouden.
Elke gelijkenis met recente politieke gebeurtenissen is louter toevallig.
Laten we het bijvoorbeeld hebben over een bloeiende autoproducent, die we om motieven van discretie “Libero” zullen noemen.
Het begon allemaal een vijftal jaar geleden, toen een veelbelovende nieuwe Afgevaardigde-Bestuurder/CEO (Chief Executive Officer) met een geheel nieuw Management-team aantrad.
De nieuwe CEO, Citygarden genoemd, had immers hoge verwachtingen gecreëerd. Hij was bijzonder intelligent, belezen, en uiterst dynamisch, zo leek het: hij had grootse plannen voor het ietwat ingedommelde bedrijf, waarvan hij beweerde dat hij het tot een “modelbedrijf” zou omturnen. Zijn vooruitgang, zo zei hij, zou hij afmeten aan de achteruitgang van de toen reeds een tiental jaar lang oprukkende concurrentie.
Nu is Libero al sedert meer dan honderd jaar op de markt, en produceert auto’s die alom geroemd worden omwille van het prestige van het merk. De inzet en de bekwaamheid van het personeel is legendarisch, en tot voor kort kende het merk nauwelijks concurrentie op zijn thuismarkt. Terwijl andere auto-merken moeilijke tijden doormaakten, moesten saneren, en zich bezorgd toonden, liep bij Libero alles op wieltjes, zo leek het: de lonen werden stelselmatig verhoogd, en de uitgekeerde dividenden verhoogden van jaar tot jaar. De jaarverslagen gloeiden van zelfvertrouwen, terwijl in de buurlanden de automarkt afkalfde, merken verdwenen of fusioneerden, en er in de sector massaal werd afgedankt omwille van de niet-concurrentiële loonkost in Europa.
Niets kon er mislopen, beweerde evenwel het Libero-Managemen: de hondstrouwheid van het kliënteel was immers legendarisch, en de concurrentie maakte geen kans, zo werd voorgehouden.
Toch wisten analisten dat het niet alles rozegeur en maneschijn was in het bedrijf.
Libero was van oudsher een familiale onderneming, en het merendeel van de aandelen was in het bezit van één enkele familie, die zich nauwelijks om het beheer en het beleid bekommerde. De Voorzitter van de Raad Van Bestuur hield jaarlijks een toespraak voor de algemene vergadering, waaarin hij telkens weer een oproep tot “eenheid” deed.
Die oproep bevreemdde telkens nogal wat waarnemers, want Libero bestreek twee totaal verschillende markten, met twee totaal verschillende produkten. In het zuiden werd nu al decennia lang hetzelfde automodel aangeboden: groot, zwaar, met een sterke, maar gulzige motor, en een wat mollige wegligging. Dat was verwonderlijk, want de streek was bergachtig, met smalle wegen,veel bochtenwerk, en in de winter ijzel en sneeuw: de logge wagens met hun zware motoren en hoog verbruik, die de zuidelijke klanten steevast kochten, waren daar niet zo goed voor aangepast.
Maar het zuiden had een eigen dealer-net uitgebouwd dat enkel die zware modellen verkocht, en ook onderhield. Geen nieuwkomer kreeg de kans om de markt te penetreren, en dus bleven de zuiderse klanten de dure, zware en verouderde wagens kopen – zelfs al werden die met verlies geproduceerd.
Want de noordelijke markt van Libero compenseerde steevast de verliezen uit het zuiden. In het noorden werd sedert decennia een betrouwbare, stevige Libero gebouwd, met een onverwoestbare dieselmotor, een behoorlijke wegligging, en een legendarische kwaliteit.
Die kwaliteit was er de oorzaak van dat het model jarenlang ongewijzigd bleef, want men waagde het niet aan een succesmodel te raken, en bleef dan ook doof voor de steeds luider klinkende vraag naar meer luxe en comfort, een ander model, en vooral een nieuwere motor, die zuiniger was, en stiller draaide.
Ondertussen had zich immers in het noorden een concurrent gevestigd, die van jaar tot jaar meer success boekte bij het Libero-kliënteel. Het concurrerende merk heette “Cinderello”, en produceerde wagens die veel meer tegemoet kwamen aan de verzuchting van de klant naar een meer eigentijds voertuig, en dat meer rekening hield met zijn wensen. In het begin werd bij Libero nogal lacherig gedaan over de Cinderello, die een wat vreemd koetswerk heeft, en bovendien uit het Oosten kwam – maar het lachen verging algauw, toen bleek dat jaar na jaar de Cinderello een groter marktaandeel opslokte, en vooral, dat wie ééns een Cinderello kocht, daarvan blijkbaar niet meer wilde afstappen.
Ondertussen had Libero zich zwaar in de schulden gestoken, door leningen aan te gaan om de steeds grotere verliezen van de zuidelijke productie te compenseren. Die schuld woog steeds zwaarder op de balans van het bedrijf, en dreigde uiteindelijk de in het noorden gemaakte winst geheel te neutralizeren – wat automatisch de uitkering van dividenden zou bedreigen.
De toenemende onrust binnen het bedrijf hoeft dan ook geen verwondering te wekken, want de begeestering van de aandeelhouders voor Citygarden en zijn baanbrekende ploeg was ondertussen geleidelijk aan weggedeemsterd.
De nieuwe management-ploeg had geopteerd voor een bedrijfsstrategie die alles op de vorm, en te weinig op de inhoud zette. Aangevuurd door een nieuwe Communicatie-Manager, Sneeckx genaamd, werd openlijk gediscussieerd over nieuwe modellen, nieuwe motoren, een nieuw mobiliteitsbeleid, maar concreet kwam er weinig of niets uit de bus.
Ondanks voortdurende borstgeklop bleef men steevast verder de oude Libero nagenoeg ongewijzigd produceren – en integendeel, de kwaliteitscontrole ging erop achteruit, waardoor het aantal klachten toenam, en het prestige van het merk afkalfde.
Vernieuwingen die werden geïntroduceerd stuitten door de onervarenheid van het nieuwe Management steeds weer op fundamentele productieproblemen en een chronisch gebrek aan organisatietalent en follow-up, totdat de kopers doorkregen dat er in feite niets veranderde – en dat integendeel de pas gelanceerde modellen het slechter deden dan de vroegere, verouderde modellen.
Citygarden en zijn team begonnen vervolgens een operatie “window-dressing”: men begon zowel het publiek als de aandeelhouders zand in de ogen te strooien, men publiceerde imaginaire verkoops- en winstcijfers, beloofde nieuwe modellen die er nooit kwamen, keerde nep-kortingen uit, enz. – totdat uiteindelijk zowel publiek als aandeelhouders begonnen te revolteren.
Ondertussen stegen de verkopen van de concurrerende Cinderello tot ongekende hoogten.
Citygarden en Sneeckx reageerden op een bevreemdende manier: zij begonnen de klanten en de pers aan te vallen, en beschuldigden hen van verzuring, onbegrip en ondankbaarheid – alsof het de klant was, die de beleidsfouten had veroorzaakt, en die de lancering van de nieuwe modellen in goede banen had moeten leiden.
Teneinde raad werden zelfs juridische stappen ondernomen om de verkoop van de Cinderello te verbieden. Toen een rechtbank toch een uitspraak deed in die zin, vlogen de verkopen van de Cinderello nog meer de pan uit: men wilde zich nog snel zo een wagen aanschaffen.
Na dit alles verwachtten alle analisten eindelijk een kordate reactie vanwege de aandeelhouders en van het Management van Libero.
Bij deze laatsten was reeds enige tijd een grondige onvrede aan het broeien omwille van het gevoerde beleid. Dat ongenoegen bereikt een hoogtepunt toen van langsom meer bleek dat het Citygarden team vooral focuste op steriele aanvallen op de concurrentie (Cinderello) – in plaats van na te gaan waarom de concurrentie scoorde, en daarop in te spelen.
Doordat de Libero-wagens uiteindelijk helemaal niet meer leken te beantwoorden aan de behoeften van de markt, bleven de Cinderello-verkopen maar stijgen – en dreigden bij Libero grote verliezen, en massale afdankingen.
Enkele Libero-Managers, die de euvele moed hadden om Citygarden en zijn team hierop te wijzen, en aandrongen op een nieuw model dat de kwaliteiten van de Cinderello evenaarde, maar dan met een moderner koetswerk, werden op staande voet ontslagen, of kregen in het beste geval een demotie te slikken, die vervolgens breed werd uitgesmeerd in de bevriende pers.
De aandeelhouders van hun kant stemden met hun voeten: er volgde een massale uitverkoop van Libero-aandelen, en tot 20 procent van de free float werd uiteindelijk op de markt gegooid. Algauw bleek dat een groot deel van de investeerders zijn heil had gezocht in de aankoop van Cinderello-aandeel, zelfs al keren deze geen dividend uit: men ging blijkbaar uit van de redenering van organische groei.
De finale stap – het ontslag van het Citygarden team – werd door de aandeelhouders nog niet gezet. Blijkbaar zijn een aantal investeerders nog van oordeel dat een nieuwe kans moet worden gegeven aan tenminste een deel onder hen – hoewel de markt nog steeds bijzonder negatief reageert.
Wat moet de analist uit dit alles besluiten?
Vooreeerst lijkt het hallucinant dat een ploeg, die zo vastbesloten is aangetreden onder het mantra “we gaan alles verbeteren”, na vijf jaren een dergelijke puinhoop achterlaat, en zo weinig positiefs op zijn actief kan zetten.
Daarbij komt dat men op het strategische vlak ogenschijnlijk geen enkele stap overweegt, zelfs niet na alles wat recentelijk is gebeurd.
Bovendien is de dynamiek en de verstandhouding binnen het managementsteam totaal zoek – men hoeft dus niet op een ommekeer in het beleid te hopen.
Hoogst bevreemdend is tevens de onbegrijpelijke reactie van het management-team op het spectaculaire en voortdurende succes van de concurrentie: in plaats van in te spelen op de vraag van het kliënteel, negeert men de uitdrukkelijke en redelijke behoeften van deze laatsten – en beledigt men zelfs in het openbaar potentiële klanten, die eerder naar de concurrentie waren overgestapt.
Dit alles komt dan nog van een team dat inzake beheer reeds een eerste vernietigend rapport heeft gekregen.
In plaats van stabiliteit na te streven aan de top, met een duidelijke strategie, en enige coherentie, werd de aandeelhouder echter de laatste 13 maanden geconfronteerd met een voortdurende wissel in alle cruciale beleidsfunctie’s, en met een CEO die openlijk bij de concurrentie solliciteert, en wanneer hij gebuisd wordt, dan maar vrede neemt met zijn huidige functie.
Het nogmaals vernieuwde team bestaat grotendeels uit beginners, die bovendien nauwelijks op enige ervaring kunnen bogen in de materie waarvoor zij sedert de laatste reorganisatie verantwoordelijk zijn.
En ondertussen nemen de grote uitdagingen waarmee het bedrijf geconfronteerd wordt – mobiliteit, schuldaflossing, tewerkstelling, veiligheid – steeds ernstiger vormen aan.
Zij worden echter door het Management-team welhaast genegeerd.
Ons advies zou dan ook luiden: verkopen, dat aandeel.
R. De Ceuster
De auteur is lid van het bestuurscomité Nova Civitas Antwerpen. Deze tekst is echter in persoonlijke naam geschreven.
22 juli 2004
De mythe van de efficiënte overheidsdienst
In onze reeks bijdragen over libertarisme, vandaag een tekst van Murray N. Rothbard. Dit artikel komt uit "Man, Economy, and State with Power and Market" (pp.1260-1272). Het verscheen eerder op www.mises.org en werd vertaald door Bas Jonker. Murray N. Rothbard (1926–1995) was de grondlegger van het moderne libertarisme en de voornaamste woordvoerder van de Oostenrijkse School binnen de economie. Hij was de auteur van The Ethics of Liberty en For a New Liberty en een scala van andere boeken en artikelen. Hij was ook academisch vice-president van het Ludwig von Mises Institute en The Center for Libertarian Studies. Samen met Lew Rockwell was hij de hoofdredacteur van The Rothbard-Rockwell Report.
De welbekende inefficiënties van overheidsdiensten zijn geen empirische ongelukken, als gevolg wellicht van het gebrek aan een lange traditie van publieke service. Zij zijn inherent aan alle overheidsdiensten, en de excessieve vraag aangestoken door gratis of te goedkope diensten is slechts een van de vele oorzaken van deze toestand.
Een gratis aanbod subsidieert niet alleen de gebruikers ten koste van de niet-gebruikers, maar ook zorgt het voor een suboptimaal gebruik van middelen door het niet aanbieden van een dienst waar deze het hardst nodig is. Hetzelfde kan in mindere mate gezegd worden wanneer de prijs van de dienst lager is dan de marktprijs. Op een vrije markt kunnen consumenten de prijs dicteren en er daarbij voor zorgen dat productieve middelen op optimale wijze worden benut om aan hun wensen te voldoen. Een overheidsdienst kan dit echter niet. Laten we eens kijken naar gratis diensten. Omdat er geen prijsmechanisme is, is er geen enkele manier voor de overheid om de beschikbare diensten in te zetten op de beste wijze en voor de gretigste afnemers. Elke koper, elk inzet, wordt kunstmatig over dezelfde kam geschoren. Het resultaat is dat het belangrijkste gebruik wordt geminacht en de overheid met een onoplosbaar verdelingsvraagstuk blijft zitten dat zij op geen enkele wijze goed kan oplossen. De overheid kan worden geconfronteerd met het volgende probleem: moeten we een weg bouwen op plaats A of plaats B? Er is geen rationele manier waarop zij deze beslissing kan maken. Zij kan niet de gebruikers van de weg op de meest optimale manier helpen. Zij kan slechts beslissen op basis van de grillen van de regerende partij, ofwel alleen als de overheidsdienaar en niet het publiek “consumeert”. Indien de overheid dat wil doen wat het beste is voor het publieke belang, wordt zij geconfronteerd met een onmogelijke taak.
De overheid kan een dienst opzettelijk gratis maken, of het kan ervoor kiezen een echte prijs voor de dienst te vinden, dus werken als een bedrijf. Dit laatste is vaak de leus van conservatieven – dat de overheidsdienst zich als echt bedrijf gedraagt, dat tekorten worden beëindigd etc. In de praktijk betekent dit bijna altijd een prijsstijging. Is dit echter een oplossing? Vaak wordt gezegd dat een enkele overheidsdienst, die opereert in de sfeer van een private markt, daarin inkopen doet etc, op een efficiënte manier haar diensten kan prijzen en haar middelen kan inzetten. Dit is niet waar. Er is sprake van een fataal mankement die in elke overheidsdienst voorkomt en er voor zorgt dat een rationeel prijsmechanisme of een efficiënte inzet van middelen onmogelijk is. Door dit mankement zal een overheidsdienst nooit als een gewoon bedrijf gerund kunnen worden, wat ook de motieven van die overheid zullen zijn.
Maar wat is nou dit mankement? Het is gelegen in het feit dat de overheid bijna een oneindige stroom van middelen kan verkrijgen dankzij de belasting. Private bedrijven moeten hun kapitaal krijgen van investeerders. Het is deze verdeling van fondsen door investeerders, gebaseerd op tijdsvoorkeur en vooruitziendheid, die het geld en middelen verstrekt aan het meest winstgevende en daarom het nuttigste gebruik. Private ondernemingen krijgen alleen geld van consumenten en investeerders; met andere woorden, zij krijgen hun geld van mensen die hun diensten waarderen en kopen en van investeerders die hun spaarcenten durven te riskeren in een investering die hopelijk winst oplevert. Om kort te gaan, betaling en de dienst zelf zijn ontegenzeggelijk aan elkaar gekoppeld op de markt. De overheid kan daarentegen zoveel mogelijk geld krijgen als zij wil. De vrije markt heeft een “mechanisme” om de middelen te sturen naar de plaats waar zij voor de mensen het meeste nut oplevert. Het fungeert daarnaast ook als middel voor ondernemers om door efficiënte verdeling en prijzen van hun diensten dit optimale gebruik te verzekeren. De overheid heeft echter niet zo’n controlemiddel op zichzelf. Private ondernemingen zullen alleen geld krijgen van tevreden klanten en van investeerders die door winst en verlies geleid worden. De overheid kan het geld letterlijk in een opwelling verkrijgen.
Nu dit controlemiddel weg is, is ook elke mogelijkheid om op rationele wijze de middelen te verdelen weg. Hoe kan zij weten of weg A of B gebouwd moet worden, of te “investeren” in een brug of een school – hoeveel moet er sowieso uitgegeven worden voor haar activiteiten? Er is geen rationele manier waarop zij de middelen van verdelen of zelfs te beslissen hoeveel geld te gebruiken. Wanneer er een tekort is aan leraren of schoolgebouwen of politie op straat, de overheid en haar medestanders hebben maar één antwoord: meer geld. Het volk moet meer van hun geld afstaan aan de overheid. Waarom zie je dit nou nooit gebeuren op de vrije markt? De reden is dat het geld moet worden teruggetrokken uit een plaats waar zij nu gebruikt wordt – en deze terugtrekking moet verantwoord worden. Deze verantwoording wordt gebracht door het winst en verlies criterium: de aanwijzing dat aan de meeste urgente wensen van de consument voldaan wordt. Indien een bedrijf of product hoge winsten behaald voor haar eigenaars, en men verwacht dat deze winsten zullen blijven bestaan, zal er meer geld die kant op gaan; vice versa, zal er geld uit de industrie vloeien wanneer er verliezen worden geleden. Dit winst en verlies criterium is een kritische gids in het dirigeren van de stroom van productieve middelen. Een dergelijke gids bestaat niet voor de overheid, die geen rationele manier kent om te beslissen hoeveel uit te geven, zowel in totaal als voor specifiek beleid. Hoe meer geld zij uitgeeft, hoe meer diensten zij kan verzorgen – maar waar houdt het op?
Voorstanders van overheidsbedrijven kunnen de bal terugkaatsen door hun departement te vertellen zich als een bedrijf met winstdoelstelling te gedragen en zich op dezelfde wijze te vestigen als een private onderneming. Er zijn echter twee mankementen in deze theorie. In de eerste plaats is het onmogelijk om bedrijfje te spelen. Ondernemen betekent het riskeren van je eigen geld in een investering. Bureaucratische managers en politici hebben geen echte prikkel om ondernemerskwaliteiten te ontwikkelen, om zich echt aan te passen aan de wens van de consument. Zij riskeren dan ook niet het verlies van hun eigen geld in de onderneming. In de tweede plaats, los van de vraag van prikkels, zelfs de gretigste managers kunnen niet als bedrijf functioneren. Ongeacht hoe het bedrijf behandeld wordt na oprichting, de initiële start is gemaakt met overheidsgeld, en daardoor door gedwongen taxatie. Een arbitrair element is als het ware “ingebed” in de fundamenten van de onderneming. Verder zullen toekomstige uitgaven gemaakt worden uit belastingopbrengsten, en daarom zullen beslissingen van managers onderworpen zijn aan dezelfde dwaling. Het gemak om geld te verkrijgen zal de activiteiten van de overheidsdienst verstoren. Daarnaast, stel dat de overheid “investeert” in een bedrijf E, zou de vrije markt zelf ook hetzelfde bedrag hebben geïnvesteerd in hetzelfde bedrijf, of niet. Indien de markt dit zou hebben gedaan, wordt de economie op zijn minst geschaad door het gedeelte wat naar de bureaucratie gaat. Doet de markt dit echter niet, en dit is bijna zeker, dan volgt hieruit onmiddellijk dat de uitgave aan E een verstoring is van het privaat nut op de markt – oftewel dat een andere uitgave een groter rendement zou hebben behaald. Hieruit volgt wederom dat een overheidsbedrijf niet de voorwaardes van een private onderneming kan kopiëren.
Het oprichten van een overheidsbedrijf creëert daarnaast ook nog eens een inherent competitief voordeel over private bedrijven, omdat in ieder geval een gedeelte van haar kapitaal is verkregen door dwang in plaats van de levering van gewenste diensten. Het is evident dat de overheid, door haar subsidies, indien zij wenst private ondernemingen uit de markt kan drukken. Privaat kapitaal in dezelfde industrie zal grotendeels verdwijnen, aangezien toekomstige investeerders zullen anticiperen op verliezen veroorzaakt door de geprivilegieerde overheidsconcurrenten. Bovendien, omdat alle diensten met elkaar concurreren om de dollar van de consument, zullen alle private bedrijven en investeringen tot op zekere hoogte worden aangetast en gehinderd. Wanneer het overheidsbedrijf haar deuren opent, zal ook in andere industrieën de angst toenemen, zij kunnen immers de volgende zijn wiens bezittingen worden geconfisceerd of gedwongen worden te concurreren met door de overheid gesubsidieerde bedrijven. Deze angst heeft als gevolg dat productieve investeringen verder afnemen en de levensstandaard dientengevolge verder daalt.
Het argument tegen deze praktijk, één die vaak correct wordt gebruikt door tegenstanders van overheidsbezit, is als volgt: indien opereren als bedrijf zo begerenswaardig is, waarom neemt men dan een dergelijke enorme omweg? Waarom wordt staatseigendom niet geschrapt en de dienst overgelaten aan private ondernemingen? Waarom zou je zulke inspanningen doen om een bepaald ideaal (privaat eigendom) te imiteren wanneer het ideaal direct nagestreefd kan worden? Het pleidooi bedrijfsmatig te werken in de overheid heeft dus geen enkel nut, zelfs als het succesvol zou kunnen zijn.
De inefficiënties van overheidshandelen worden door een aantal andere factoren veroorzaakt. Zoals net betoogd, een overheidsbedrijf kan in de regel concurrenten uit een industrie stoten omdat de overheid zichzelf kan subsidiëren en zichzelf bijna oneindige fondsen ter beschikking kan stellen. Juist om deze reden heeft zij weinig prikkels efficiënt te werken. In gevallen waarin zij zelfs niet onder deze voorwaarden kan concurreren, kan zij zichzelf een verplicht monopolie toe-eigenen, daarbij concurrenten met dwang wegwerken. In de Verenigde Staten is dit gebeurd met de posterijen. Wanneer de overheid zichzelf een monopolie verschaft, kan zij naar het andere uiterste van gratis diensten gaan: het kan een monopolieprijs heffen. Het heffen van monopolieprijzen – identificeerbaar verschillend van marktprijzen – verstoort de middelen opnieuw en creëert een kunstmatige schaarste van een bepaald goed. Bovendien staat het toe een enorm verlaagde kwaliteit van diensten te leveren. Een overheidsmonopolie hoeft niet bang te zijn dat klanten ergens anders heen gaan of dat haar inefficiëntie kan leiden tot faillissement.
Een andere reden voor deze inefficiëntie hebben we al kort aangestipt: het personeel heeft geen prikkel efficiënt te werken. In werkelijkheid zullen de vaardigheden die zij ontwikkelen niet die van economische productie zijn, maar politieke vaardigheden – hoe te slijmen bij superieuren, hoe op demagogische manier het electoraat te bewerken, hoe het effectiefste macht te hanteren. Deze vaardigheden verschillen enorm van productieve vaardigheden, en daarom zullen bij de overheid andere mensen de top bereiken dan in de vrije markt.
Het is zeker absurd om te roepen om bedrijfsmatig te werken in een overheidsbedrijf dat een monopolie heeft. Eens in de zoveel tijd wordt er geëist dat het postbedrijf eens gaat werken als een echt bedrijf en een eind maakt aan haar tekorten, die door de belastingbetalers opgebracht moeten worden. Maar het beëindigen van een tekort van een inherent en noodzakelijkerwijs inefficiënt bedrijf betekent geenszins dat het ineens als een echt bedrijf werkt. Om dit te doen moet de prijs zo verhoogd worden dat het op monopolieniveau komt waarmee de kosten van de overheidsinefficiënties gedekt zijn. Een monopolieprijs zal een excessieve druk op de schouder leggen van de gebruikers van het postbedrijf, zeker omdat het een opgelegd monopolie is. Aan de andere kant hebben we gezien dat zelfs monopolisten moeten voldoen aan de vraag van consumenten. Indien de vraag elastisch genoeg is, kan het heel goed zijn dan een monopolieprijs de inkomsten zo verlaagt dat de hogere prijs de tekorten zal vergroten in plaats van ze te verlagen. Een prachtig voorbeeld is het New-Yorkse metrostelsel geweest, dat zijn toegangsprijzen heeft verhoogd om het tekort op te lossen om er vervolgens achter te komen dat het passagiersvolume zo daalde dat het tekort nog verder toenam.
Verschillende wetenschappers hebben vele “criteria” naar voren geschoven hoe een goede prijs te stellen voor overheidsdiensten. Een van deze criteria is om de prijs te zetten aan de hand van de “marginale kosten”. Echter, dit is nauwelijks een criterium te noemen en heeft als fundament een klassiek economische illusie welke prijzen vaststelt door kosten. “Marginaal” verschilt bijvoorbeeld afhankelijk van de tijd waarover zij geobserveerd wordt. Daarnaast, kosten zijn niet statisch, maar flexibel; zij veranderen door de verkoopprijzen en kunnen daarom dus niet als gids voor die prijzen gehanteerd worden. Bovendien, prijzen zijn gelijk aan de gemiddelde kosten – of beter gezegd, gemiddelde kosten zijn gelijk aan de prijs – in een evenwichtssituatie, en juist deze evenwichtsituatie kan niet worden beschouwd als werkbaar voor de echte wereld. De markt tendeert slechts naar dit evenwichtspunt. Als laatste geldt dat kosten van een overheidsdienst hoger zullen zijn dan voor een vergelijkbare dienst in de markt.
Een overheidsbedrijf zal niet alleen private investeringen en ondernemerschap in dezelfde industrie hinderen en onderdrukken; ook zal zij de hele arbeidsmarkt verstoren. A) de overheid zal de productie en levensstandaard verlagen door het overhevelen van potentieel productieve arbeid naar een bureaucratie; b) door het gebruik van afgedwongen fondsen kan de overheid meer betalen voor arbeid dan de marktprijs en dientengevolge kan zij een lokroep starten van baantjesjagers voor een expansie van de onproductieve bureaucratische machine; en c) door hoge, door belasting gedragen lonen, kan de overheid arbeiders en vakbonden doen misleiden door hen te laten geloven dat deze lonen de lonen in de markt reflecteren, waarbij ongewenste werkloosheid kan optreden.
Bovendien kan een overheidsbedrijf, dat gebaseerd is op dwang van de consument, nauwelijks haar eigen waarden inruilen voor dat van haar klanten. Als resultaat zullen kunstmatig gestandaardiseerde diensten van lage kwaliteit – gemodelleerd naar de smaak en eisen van de overheid – de regel zijn, in tegenstelling tot die op de vrije markt, waar gediversifieerde diensten worden aangeboden om te voldoen aan de gevarieerde wensen van een veelvoud aan individuen.
Eén kartel of één bedrijf kan nooit alle productiemiddelen binnen een economie bezitten, omdat het niet op een rationele manier prijzen kan berekenen of middelen kan toewijzen. Om deze reden kan ook staatssocialisme niet plannen of toewijzen. Nog duidelijker, zelfs twee of meer onderdelen van een markt kunnen niet compleet verticaal geïntegreerd worden, omdat volledige integratie een heel segment van de markt elimineert en een eiland van planningschaos creëert, een eiland dat optimale planning voor winst en maximale bevrediging van zijn klanten uitsluit.
In het geval van simpel staatseigendom, vormt zich nog een uitbreiding op deze these. Ieder overheidsbedrijf introduceert haar eigen eiland van chaos in de economie; wij hoeven niet op socialisme te wachten voordat chaos start. Geen enkele overheidsdienst kan ooit op een rationele welvaartsmaximaliserende manier prijzen of kosten bepalen en factoren of fondsen verdelen. Geen enkel overheidsbedrijf kan een privaat bedrijf imiteren zelfs al is de motivatie aanwezig. Kortom, elke onderneming van de overheid injecteert chaos in de economie. En, omdat alle markten binnen de economie met elkaar verbonden zijn, zal elke ondernomen activiteit het prijsmechanisme, de toewijzing van productiefactoren, investeringsratio’s etc verstoren. Elk overheidsbedrijf verlaagt niet alleen het sociaal nut van consumenten door hen te dwingen hun middelen aan te wenden voor andere dan door hen gewenste doeleinden, maar ook het nut van allen (inclusief wellicht die van overheidsdienaren) door het verstoren van de markt en verspreiden van calculatieve chaos. Natuurlijk, hoe groter het bereik van staatseigendom, hoe verstrekkender de impact zal zijn.
Naast de puur economische gevolgen heeft staatseigendom nog een ander gevolg voor de samenleving; het vervangt noodzakelijkerwijs de harmonie van de vrije markt door conflict. Omdat overheidsdiensten diensten zijn van een bepaalde groep beslissers, zullen deze diensten uniform zijn. De wensen van allen die gedwongen worden, direct of indirect, te betalen voor de dienst kunnen niet vervuld worden. Slechts bepaalde vormen van de dienst zullen worden geproduceerd. Het resultaat is dat het staatsbedrijf enorme conflicten orchestreert onder de inwoners, ieder heeft namelijk een ander idee wat de beste dienst is.
In de afgelopen jaren hebben publieke scholen in de Verenigde Staten laten zien wat deze conflicten inhouden. Sommige ouders prefereren etnisch gesegregeerde scholen; anderen willen geïntegreerd onderwijs. Sommige ouders willen dat hun kind over het socialisme leert; andere willen anti-socialistisch onderwijs. Op geen enkele wijze kan de overheid een oplossing leveren voor dit probleem. Zij kan slechts de wil van de meerderheid (of de bureaucratische “interpretatie”daarvan) door dwang opleggen en een vaak grote minderheid boos en ontevreden achterlaten. Welke schoolkeus ook gemaakt wordt, sommige ouders moeten het onderspit delven. Daarentegen bestaan zulke conflicten niet op de vrije markt, welke elke type dienst levert dat wordt gevraagd. Aan de wensen van hen die een gesegregeerde, geïntegreerde, socialistische of individualistische school willen, wordt voldaan. Het is daarom evident, dat dankzij de door de overheid geleverde diensten, in tegenstelling tot private, de levensstandaard van velen in de samenleving is verlaagd.
De mate van staatseigendom in de economie varieert van land tot land, maar in elk land heeft de overheid ervoor gezorgd dat zij de vitale sectoren bezit, de commandoposten van de samenleving. Het heeft zich een monopolie toegeëigend over deze bedrijven, en heeft altijd getracht de bevolking ervan te overtuigen dat privaat eigendom in deze sectoren simpelweg en a-priori onmogelijk is. We hebben daarentegen gezien, dat elke dienst door de vrije markt voortgebracht kan worden.
De vitale sectoren die door de overheid gemonopoliseerd zijn, zijn: 1) politie en defensie; 2) de rechtbanken; 3) geld (en monopolie over de definitie van geld); 4) rivieren en kustwateren; 5) wegen, snelwegen en land; en 6) de posterijen. Defensie is een functie die met welhaast jaloezie door de staat is bepaald. Het is uitermate belangrijk voor het bestaan van de staat, omdat het monopolie op gebruik van geweld afhangt van het heffen van belastingen op de inwoners. Indien het aan inwoners zou zijn toegestaan om private rechtbanken en legers te bezitten, zouden zij de middelen hebben zich te verdedigen tegen vijandige acties van de overheid alsmede door andere individuen. De controle over al het land is natuurlijk een uitstekende methode om de totale controle te waarborgen.
Het postbedrijf is altijd al een handig middel geweest voor de inspectie van en het verbod op berichten van ketters en vijanden van de staat. In de afgelopen jaren is deze laatste altijd op zoek geweest naar nieuwe sectoren om haar macht in uit te breiden. Monopolie op het drukken van geld en de definitie van geld (wetten voor inwisselbaarheid) heeft ervoor gezorgd dat zij nu de volledige controle bezit over het monetaire systeem. Dit was echter een van de moeilijkste taken omdat papiergeld lange tijd niet door het publiek werd vertrouwd. Op dit moment heeft de staat in bijna elk land haar belangrijkste monetaire doel bereikt: de mogelijkheid haar inkomsten te verhogen door op ieder moment geld bij te drukken. Ook in andere sectoren – land en natuurlijke bronnen, transport en communicatie – heeft zij haar controle uitgebreid. Het laatste gebied, hoewel nog niet volledig gemonopoliseerd, is onderwijs. Door de overheid gestuurd onderwijs staat toe dat de jeugdige geest wordt onderwezen in de deugden van de overheid en overheidsinterventie. Hoewel er daarnaast ook landen zijn waarin de staat geen monopolie heeft op onderwijs, benadert zij daar toch haar ideaal door te eisen dat alle kinderen ofwel naar het openbaar onderwijs gaan danwel naar een privé-school, natuurlijk geaccrediteerd door diezelfde overheid. Verplichte aanwezigheid dwingt hen die daar niet willen zijn te komen en als gevolg gaan teveel kinderen naar school. Te weinig blijven over voor concurrerende zaken als thuisonderwijs, vrije tijd of werken.
Een andere opmerkelijke overheidsactiviteit heeft een enorme groei doorgemaakt in de afgelopen eeuw. We refereren hier aan wat ook wel “sociale zekerheid” wordt genoemd. In dit systeem worden de inkomsten van de arme werknemer ingenomen en wordt aangenomen dat men het geld veel beter kan investeren dan de werknemer zelf kan, om het zo op een later moment weer uit te betalen aan hemzelf wanneer hij oud is of aan zijn nabestaanden. Bedoeld als “sociale verzekering” is dit een typische vorm van een overheidsonderneming: er is geen enkele relatie tussen de betaalde premie en de opbrengsten, beide wijzigen jaarlijks onder politieke druk. Op de vrije markt kan iedereen zelf beslissen geld te investeren in een verzekeringspolis, aandelen of vastgoed. Iedereen verplichten om zijn geld over te dragen aan de staat dwingt hem een nutsoffer te brengen.
Kortom, het is moeilijk om te begrijpen wat de sociale zekerheid nu zo populair maakt. De aard van dit stelsel is namelijk anders dat wat men graag wil laten zien. De overheid investeert de verkregen belastingen niet; zij geeft ze simpelweg uit, door het uitgeven van obligaties die later wanneer ze vrijvallen weer betaald moeten worden. Hoe zal men dan het benodigde geld hiervoor verkrijgen? Slechts door meer belasting te heffen of door inflatie. Om deze reden betaalt de bevolking twee keer voor de “sociale zekerheid”. Het is een manier om een aanlokkelijke taxatie van lage inkomens toe te staan. En, zoals het gevolg is van alle belastingen, de opbrengsten worden door de overheid uitgegeven.
Indien men een antwoord wil vinden op de vraag of een bedrijf in private danwel in overheids handen dient te zijn, moet men de volgende conclusies van deze analyse in gedachten houden: 1) elke dienst kan op de vrije markt geleverd worden; 2) een privaat bedrijf kan efficiënter betere kwaliteit tegen een lagere prijs leveren; 3) de verdeling van middelen in een privaat bedrijf zal beter voldoen aan de wensen van de consument, in tegenstelling tot de overheid die de verdeling slechts verstoord en eilanden van calculatieve chaos creëert; 4) overheidsbedrijven zullen zowel concurrerende bedrijven onderdrukken alsmede concurrerende activiteiten in die markt; 5) privaat eigendom zorgt voor een harmonieuze en coöperatieve vervulling van individuele wensen terwijl door de overheid gecontroleerde bedrijven slechts conflicten tussen mensen veroorzaken.
Murray Rothbard
Vertaald door B. Jonker voor de Stichting Meer Vrijheid.
Relevante websites :
Mises.Org
Advocates for Self-Government
Lewrockwell.com
Stichting Meer Vrijheid
19 juli 2004
Stoelendans in de Wetstraat
"DE MENSEN. U dus. Opgevrijd en begeerd. Tot zondagavond. Dan willen partijleiders en hun spindoctor de handen vrij hebben om te spelen met de schaakstukken die ze hebben gekregen.Straks, nadat u gestemd hebt, begint een immense stoelendans. Geregisseerd door enkele tenoren in het belang van zichzelf en hun partij. Ondoorzichtig en onduidelijk. Niet goed voor de democratie. Slecht voor de mensen." De woorden komen uit De Standaard van 12 juni 2004. Hoe waar ze zijn, blijkt opnieuw uit de krant van vandaag.
BRUSSEL. VLD-voorzitter Karel De Gucht volgt Louis Michel (MR) op als minister van Buitenlandse Zaken. De VLD versterkt zo haar positie in de federale regering, die gisteren grondig werd herschikt. Bart Somers wordt VLD-voorzitter.
De post van minister van Buitenlandse Zaken was vacant, na het aangekondigde vertrek van vice-premier Louis Michel naar de Europese Commissie. Als opvolger van Michel werd Europarlementslid Annemie Neyts genoemd, maar die zou hebben bedankt voor zo'n onzekere functie. De VLD-top ontkende gisteravond dat Neyts ooit voor de functie in beeld kwam.
Tijdens overleg op het kabinet Binnenlandse Zaken wisten premier Guy Verhofstadt en vice-premier Patrick Dewael hun partijvoorzitter te overtuigen de portefeuille van Buitenlandse Zaken over te nemen. Het gaat om de eerste ministersfunctie van de vijftigjarige De Gucht. Zijn ervaring als partijvoorzitter en Europees parlementslid bleken belangrijke troeven te zijn.
De Vlaamse liberalen hebben nu zowel Buitenlandse als Binnenlandse Zaken in handen, naast het premierschap uiteraard. Terwijl ze de jongste verkiezingen hebben verloren. De Franstalige liberalen hebben een hoge prijs betaald om Louis Michel Europees commissaris te maken.
Door het vertrek van enkele federale ministers naar de deelstaatregering moest premier Verhofstadt ook diverse wissels doorvoeren. MR-kopstuk Didier Reynders neemt de functie van vice-premier en minister van Institutionele Hervormingen van Michel over. Bij de VLD ruilt Marc Verwilghen Ontwikkelingssamenwerking in voor Economie, het departement dat Fientje Moerman beheerde. Zij wordt de eerste VLD-minister in de Vlaamse regering. Senaatsvoorzitter Armand De Decker (MR) krijgt Ontwikkelingssamenwerking.
Bij de Vlaamse socialisten is de reshuffel het grootst. Freya Van den Bossche krijgt de portefeuille van Werk (voordien Frank Vandenbroucke). De aftredende Vlaamse minister Renaat Landuyt wordt federaal minister van Mobiliteit (voordien Bert Anciaux). De Vlaamse fractieleider Bruno Tobback komt op Leefmilieu (voordien Freya Van den Bossche).
Spirit-voorzitster Els Van Weert wordt staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie. Vincent Van Quickenborne (VLD) blijft staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging.
Bij de Franstalige socialisten blijft de wissel beperkt tot het departement Ambtenarenzaken, waar Christian Dupont in de plaats komt van Marie Arena, die minister-president van de Franse gemeenschapsregering wordt. De overige PS-ministers - Laurette Onkelinx (Justitie), André Flahaut (Defensie) en Rudy Demotte (Volksgezondheid) - blijven op post.
Nu de herschikking van de federale regering rond is, kunnen de Vlaamse regeringsonderhandelaars hun besprekingen hervatten. VLD-onderhandelaar De Gucht verliet vrijdag nog boos de onderhandelingen, na een voorstel van CD&V-formateur Yves Leterme over fiscale amnestie. Een regeerakkoord tussen drie partijen (CD&V/N-VA, SP.A/Spirit en VLD) was toen zo goed als rond. CD&V noch VLD zien onoverkomelijke moeilijkheden voor de Vlaamse regeringsvorming.
Een technische werkgroep zocht dit weekend een uitweg voor het dispuut over fiscale amnestie. Een oplossing daarvoor wordt vanmorgen verwacht, een Vlaamse regering kan niet veel langer meer op zich laten wachten.
• Guy Verhofstadt: premier
• Johan Vande Lanotte (SP.A): vice-premier en minister van Begroting en Overheidsbedrijven
• Patrick Dewael (VLD): vice-premier en minster van Binnenlandse Zaken
• Didier Reynders (MR): vice-premier en minister van Financiën
• Laurette Onkelinx (PS): vice-premier en minister van Justitie
• Freya Van den Bossche (SP.A): minister van Werk
• Renaat Landuyt (SP.A): minister van Mobiliteit
• Bruno Tobback (SP.A): minister van Leefmilieu
• Karel De Gucht (VLD): minister van Buitenlandse Zaken
• Marc Verwilghen (VLD): minister van Economie
• Armand De Decker (MR): minister van Ontwikkelingssamenwerking
• Sabine Laruelle (MR): minister van Middenstand en Landbouw
• Rudy Demotte (PS): minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
• Christian Dupont (PS): minister van Ambtenarenzaken en Maatschappelijke Integratie
• André Flahaut (PS): minister van Defensie
• Peter Vanvelthoven (SP.A): staatsecretaris van Informatisering
• Els Van Weert (Spirit): staatsecretaris van Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie
• Vincent Van Quickenborne (VLD): staatsecretaris van Administratieve Vereenvoudiging
• Gisèle Mandeila (FDF): staatsecretaris van Gezin
• Hervé Jamar (MR): staatsecretaris van Modernisering Financiën en Strijd tegen Fiscale Fraude
• Didier Donfut (PS): staatsecretaris van Europese Zaken
( •: nieuwe gezichten •: nieuwe bevoegdheden)
Bron : De Standaard, 19 juli 2004.
www.standaard.be
17 juli 2004
Kan het sociaal overleg de vergrijzing aan?
De naderende orkaan van de vergrijzing rammelt steeds luider aan de luiken van de Belgische welvaartstaat. Onze federale regering plant voor het najaar een fundamentele aanpak van de problematiek van de eindeloopbaan. Nu Frank Vandenbroucke - de gedoodverfde dynamo in het verhaal - op voorhand geabdiceerd heeft, neemt het Verbond van Belgische Ondernemingen onverschrokken het voortouw. Amper een week nadat het een algemene werktijdverlening zonder loonstijging bepleitte, lanceert het VBO een heus masterplan eindeloopbaan. Die strategie van het open debat leidt tot instant wrevel bij de vakbonden die, in snelheid genomen, spontaan op de rem gaan staan. De denkoefening van het VBO is niettemin een welgekomen voorspel in het grote bedrijf van het vergrijzingsdebat.
Over de kern van de zaak valt niet te twisten. Een rist nationale en internationale rapporten, onlangs nog gekristalliseerd in een overtuigend verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, diagnosticeren België als de luie man van Europa. Onze werkgelegenheidsgraad, dit is het percentage van de potentiële beroepsbevolking dat effectief beroepsactief is, ligt ruim onder het Europese gemiddelde. Vooral voor de leeftijdsgroep tussen 55 en 64 jaar hinkt de werkgelegenheidsgraad achterop. Slechts 26% is er beroepsactief, tegenover een Europees gemiddelde van 40 %.
De vroegtijdige uittreding uit de arbeidsmarkt is een probleem omdat zij op kosten van de achterblijvers moet gebeuren. In de herverdelingsconstructie van de Belgische welvaartstaat betaalt immers elke generatie mee de sociale zekerheid van de vorige generatie. Wanneer een combinatie van dalend geboortecijfer en stijgende levensverwachting de verhouding tussen de generaties uit balans brengt, wordt de lage participatiegraad van de 55-plussers ondraaglijk. Dat vergrijzingsscenario is de onvermijdelijke realiteit voor de eerste helft van deze eeuw.
Vanaf 2010 zal de bevolking op arbeidsleeftijd stelselmatig dalen en zal het aandeel 55-plussers in die krimpende bevolking stelselmatig stijgen. Tenzij we tekenen voor de implosie van de sociale zekerheid of voor een algehele welvaartsdaling, moet de Belgische werkgelegenheidsgraad drastisch omhoog. Alleen dat kan de broodnodige meerinkomsten voor de sociale zekerheid genereren, de kostenvloed van de vergrijzing spreiden en nefaste structurele tekorten op de arbeidsmarkt vermijden.
Voor de beleidsuitdaging van de vergrijzing is de eindeloopbaan problematiek maar één van de pijlers, maar wel een dringende. De cohorten babyboomers vullen straks de rangen van de 55-plussers en tegen dan moeten zowel regelgeving als mentaliteit de switch naar langere tewerkstelling hebben gemaakt. Dergelijke tankers keren traag. Het komende quinquennium geeft de beleidsmakers een éénmalige window of opportunity om een nieuwe arbeidsmarktfundering te gieten die de vergrijzingslasten van de navolgende decennia kan trotseren. Voor de sociale partners is de uitdaging existentieel. De institutionele conservators van de welvaartstaat moeten zich transformeren in visionaire hervormers. De tijd van consensuspolitiek en millimeterdiscussies in de marge is voorbij en het VBO is de eerste die dat begrepen heeft.
Het VBO verdient dus lof voor de branie van zijn prelude bij de symfonie van het eindeloopbaan debat. Maar de toonaard van het initiatief mag niet verbazen. Wie enigszins vertrouwd is met het rijkelijk menu aan internationale en nationale economische studies over de NV België, vindt in het masterplan van het VBO alom gekende recepten terug. De werkgelegenheidsgraad bij ouderen moet omhoog door de infernale combinatie van duw-effecten (werkgevers stoten af) en trek-effecten (werknemers willen weg) te doorbreken. Het Belgische institutionele kader dat vervroegde pensionering en pseudo-pensionering voor alle partijen financieel aantrekkelijk maakt, ligt daarbij evident in de vuurlinie en moet voor het VBO volledig worden afgeschoten.
De geleidelijke afbouw van brugpensioen en consorten is een economische logica en een intellectuele evidentie. Wanneer ook de ouderen op de arbeidsmarkt gemobiliseerd moeten worden, is het onzinnig hen in aanloop naar pensionering voetstoots in de sociale zekerheid te kunnen parkeren met gering inkomensverlies, behoud van pensioenrechten en minimale kost voor de werkgever. Dergelijke stelsels dateren uit vervlogen tijden van economische crisis, toen de lumineuze overtuiging heerste dat de werkloosheid moest dalen door de participatiegraad op de arbeidsmarkt te verminderen. De ervaring en de vergrijzing leert dat het omgekeerde waar is, en dus moeten wij de duivel van de vervroegde pensionering uitdrijven.
Dat het VBO voor dit exorcisme publiekelijk het voortouw neemt, is minstens opmerkelijk. Ondernemingen zijn er zelf als de kippen bij om oudere werknemers in het brugpensioen te kunnen dumpen en zo de kosten van herstructureringen deels op de samenleving af te wentelen. Brugpensioenen vergen steeds een overeenkomst tussen de betrokken onderneming en de vakbonden. Ofwel slaan de ondernemingen thans via het VBO een collectieve mea culpa, ofwel bekent het VBO een kloof met zijn basis.
Ook wat betreft de loonspanning tussen oudere en jongere werknemers, een ander kritiek punt uit het masterplan van het VBO, ligt de verantwoordelijkheid deels bij de ondernemingen zelf. De ondernemingen en hun organisaties hebben zelf de loonbarema’s onderhandeld die loonsverhoging lineair met leeftijd of anciënniteit verbinden. Dat het gemiddelde maandloon van een 55-plusser daardoor anderhalve keer duurder is dan dat van een vijventwintigjarige, is dus de resultante van een personeelsbeleid dat de ondernemingen zelf hebben gevoerd en zelf kunnen veranderen. Sedert de antidiscriminatiewet van 2003 is elk klakkeloos verband tussen loonhoogte en leeftijd of anciënniteit trouwens verboden en bevinden talloze loonbarema’s zich in onzekere limbus.
De analyse van het VBO is dus niet alleen een politiek statement, het is ook een verholen oefening zelfbezinning en zelfkritiek. Lage werkgelegenheidsgraad van ouderen ligt uiteindelijk ook gebonden aan het aanwerving- en ontslagbeleid van de ondernemingen. De wettelijke, financiële en institutionele randvoorwaarden voor de eindeloopbaan moeten kantelen, maar de mentaliteit en het beleid in de individuele ondernemingen moet dat evenzeer.
Het masterplan van het VBO focust vooralsnog op eerste piste, maar heeft zeker de verdienste van de stijlbreuk. Het reumatische strategospel van een porseleinen sociaal overleg is verlaten voor een heldere visie een gedurfd project. Na de impromptu diatribe van de overzijde is het hoopvol wachten op een constructief wederplan van vakorganisaties die hun blik uit de achteruitkijkspiegel en richting einder moeten wenden. De tijd dringt en alternatieven zijn onbestaande. De welvaartstrein van steeds later beginnen werken, met een steeds kortere arbeidsduur en een steeds vroegere pensionering, heeft zijn terminus bereikt. Hij moet nu een eind terug in omgekeerde richting of zal de afgrond inrijden. Die historische koerswijziging moet er komen, met de sociale partners als het kan, zonder als het moet.
Marc De Vos
Docent arbeidsrecht UGent en VUB
Advocaat te Brussel
Dit artikel verscheen als opiniebijdrage in de Standaard van 14 juli 2004.
Bron : www.standaard.be
16 juli 2004
Louis Michel en Karel De Gucht naar Europa
De minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel (MR), en VLD-voorzitter Karel De Gucht trekken zo goed als zeker naar Europa. Michel wordt Europees commissaris, De Gucht Europees parlementslid.
De Vlaamse onderhandelaars kregen inmiddels de bevestiging vanuit de federale regering: vice-premier Louis Michel wordt Europees commissaris. Een goedgeplaatste bron binnen de VLD stelde bovendien dat Karel De Gucht ,,zo goed als zeker'' de Vlaamse regering links laat liggen en kiest voor het Europees Parlement, gecombineerd met het partijvoorzitterschap. Meteen kan de ministeriële stoelendans beginnen.
Aan Vlaamse kant trekken de ministers Frank Vandenbroucke (SP.A) en Bert Anciaux (Spirit) en staatssecretaris Kathleen Van Brempt (SP.A) zonder meer van de federale naar de Vlaamse regering. Freya Van den Bossche blijft en krijgt zelfs promotie. Ze wordt de tweede SP.A'er in rang, na vice-premier Johan Vande Lanotte.
Ondertussen groeit bij de Vlaamse formatie de strijd om het aantal ministersportefeuilles uit tot het grootste knelpunt. De VLD eist vier ministers, evenveel als CD&V/N-VA. SP.A/Spirit moet genoegen nemen met drie posten en het voorzitterschap van het Vlaams Parlement. CD&V vindt het evenwel onaanvaardbaar dat een partij die verloren heeft en bovendien tien zetels minder telt in het parlement evenveel ministers claimt.
De Gucht past voor dat ministerschap. Hij wil geen derde viool spelen naast minister-president Yves Leterme en minister-vice-president Vandenbroucke. Als Europees parlementslid blijft hij bovendien partijvoorzitter. De aftredende minister-president Bart Somers heeft die ambitie opgegeven en kiest nu resoluut voor de regering. Hij krijgt wellicht het gezelschap van Dirk Van Mechelen en Patricia Ceysens.
Maar dat is voor de VLD dus niet genoeg. Aan de onderhandelingstafel groeit daarom de overtuiging dat de VLD ,,te veel personele beloften'' heeft gedaan, beloften die ze niet kan nakomen. De koppeling van de ministersposten aan de twee vacante gouverneursposten levert bovendien niets op. Ook daar staat CD&V op haar strepen en wil ze twee gouverneurs houden. SP.A zou zelfs aan de VLD een functie moeten afstaan. Voor de verkiezingen hadden SP.A en VLD afgesproken om elk twee gouverneurs te hebben, tegenover CD&V slechts een.
Het vertrek van De Gucht naar Europa brengt Guy Verhofstadt wel in een lastig parket. De premier bezorgde gewezen CD&V-voorzitter Johan Van Hecke (VLD) spijkerharde garanties op een verlengd verblijf in Europa. Niemand weet hoe sluitend deze overeenkomst is. Maar dit genante punt versterkt de VLD-hardnekkigheid in de discussie omtrent het aantal mandaten.
Aangezien er geen eensgezindheid bestaat over het aantal ministers, zijn er weinig gegevens over de bevoegdheden. Enkel Cultuur (Anciaux) en Welzijn (Inge Vervotte) lijken certitudes.
Wordt in de zéér nabije toekomst vervolgd.
Bron : De Standaard
www.standaard.be
15 juli 2004
Politieke markt kent te weinig concurrentie
In Vlaanderen treedt straks een driepartijenregering aan. Noodgedwongen bundelt de traditionele politieke wereld de krachten in een ultieme poging de baarlijke politieke duivel de pas af te snijden. Maar een tricolor kabinet doet het Blok allicht verder bloeien. Een van de belangrijkste oorzaken van zijn electoraal succes is het gebrek aan concurrentie. Die concurrentie wordt door het monsterverbond van oranje, rood en blauw verder aan banden gelegd. Dat verbond zou in de economische wereld allicht nooit de goedkeuring krijgen van de mededingsautoriteiten.
De traditionele partijen schurken al geruime tijd tegen mekaar aan in het politieke centrum. Het verschil tussen hen beperkt zich in de perceptie van de kiezer tot wat meer 'gratis', wat meer belastingverlaging en wat meer respect. Door samen in een coalitie te stappen, zullen de drie meer dan ooit over dezelfde kam worden geschoren. Want door samen te regeren wordt het vermogen zich van de andere te onderscheiden nog kleiner. Dat versterkt het beeld van allen tegen een. Als even abstractie wordt gemaakt van het kleine Groen!, is er op de politieke markt geen ander alternatief meer dan het Vlaams Blok.
Vlaanderen is economisch groot geworden dank zij zijn weefsel van KMO's. Maar op politiek vlak hebben we geen kleine politieke partijen meer. Maar net zoals we kleine ondernemingen nodig hebben om snel en flexibel te kunnen inspelen op
nieuwe opportuniteiten in de markt, hebben we kleine partijen nodig omdat die als eerste inspelen op nieuwe maatschappelijke trends, noden en verwachtingen. De Volksunie heeft de Vlaamse eisen op de politieke agenda weten te brengen. Naarmate die eisen door de traditionele partijen werden gerecupereerd en gerealiseerd, kalfde ook het electoraat van die partij af. De Groenen hebben het milieuthema op het politieke voorplan weten te brengen, maar hebben zich, net als destijds de VU, zwaar aan de macht verbrand. De eendagsvlieg ROSSEM heeft de traditionele politieke partijen duidelijk gemaakt dat er dringend een meer zindelijke politieke cultuur moest worden ontwikkeld. Het Vlaams Blok, ontstaan als Vlaams-nationale scheurpartij, is groot geworden met het migrantenthema. Gaandeweg zijn ook de andere partijen aandacht aan dat thema gaan besteden en hebben ze een deel van de door het Blok aangebrachte remedies zelf in de praktijk gebracht. Normaal zou ook het Blok dus al op zijn ectorale retour moeten zijn.
TIOOA
Dat dit niet zo is, heeft er voor een deel mee te maken dat de partij zich nooit aan de macht heeft willen of kunnen verbranden. Een ander deel van de verklaring is dat het Blok zich met succes op nieuwe thema's is gaan profileren. Zo trekt de partij, als enige echte oppositiepartij, ook heel wat antipolitieke stemmen aan. Dat verklaart allicht waarom het aantal blanco/ongeldige stemmen en het aantal kiezers dat niet komt opdagen, de voorbije verkiezingen niet verder is aangegroeid. Door de kartelvorming tussen CD&V en de N-VA trok de partij op 13 juni ook extra Vlaams-nationale kiezers aan. Ten slotte - en voor het eerst - wist het Blok zich op 13 juni ook op te werpen als het 'fatsoenlijk' rechtse alternatief. Kiezersonderzoek wijst uit dat donkerblauwe kiezers en kiezers uit de rechtervleugel van CD&V de overstap naar het Blok gewaagd hebben uit onvrede over de centrumkoers
van hun partij. Het Blok is niet TINA (there's in no alternative), maar TIOOA (there is only one alternative).
Het Vlaams Blok is dus uitgegroeid van een éénthemapartij (vreemdelingen) tot een multithemapartij die, bij gebrek aan andere protestpartijen, de spreekbuis is geworden van het verzamelde maatschappelijke ongenoegen tegenover de politiek. De partij is het alternatief geworden voor alles wat de traditionele politiek niet of onvoldoende in zijn aanbod heeft en is daardoor uitgegroeid tot een van de vier spelers die de Vlaamse politieke markt onder mekaar verdelen.
Gebetonneerd landschap
Dat de Vlaamse politieke markt een oligopolie is geworden, is een gevolg van enerzijds de wet op de partijfinanciering en anderzijds maatregelen om de politieke versnippering tegen te gaan.Wie vroeger een partij wilde oprichten, zocht sponsors en diende een lijst in in Antwerpen. Door de lage feitelijke kiesdrempel in de metropool, volstond het enkele procenten van de stemmen achter zich te krijgen om meteen een volksvertegenwoordiger naar het parlement te kunnen afvaardigen. Niet voor niets haalden zowel de Volksunie als Agalev en het Vlaams Blok hun eerste verkozenen in de Sinjorenstad.
Sponsors zoeken, mag nu niet meer. De wet op de partijfinanciering laat nog enkel in zeer beperkte mate giften toe. Maar op overheidsfinanciering moet je ook al niet rekenen. Want een overheidsdotatie is enkel weggelegd voor partijen die al verkozenen hebben in het parlement. Door de kiesdrempel moet je bovendien al meteen 5 procent van de stemmen in een kieskring halen. In een kleine kieskring zou dat misschien nog kunnen lukken, maar door de vergroting ervan tot de provincies, is dat een zo goed als onmogelijke klus geworden. Zelfs voor bestaande politieke formaties zijn kiesdrempel en provinciale kieskring moeilijk te nemen hindernissen. Groen! haalde de drempel op 13 juni net. Spirit, de N-VA en Vivant moesten hun politieke overleving veiligstellen door een kartel aan te gaan met een grote broer.
Een al te versnipperd politiek landschap mist politieke stabiliteit. Maar een door partijfinanciering en kiesdrempel gebetonneerd politiek landschap mist politieke creativiteit en loodst al wie kritiek heeft op het politieke
bestel naar de enige anti-establishmentpartij. De efficiëntste manier om de verdere opgang van het Blok te stuiten is ervoor te zorgen dat ook in de politiek de 'creative destruction' in ere wordt hersteld. Politieke partijen moeten opgericht en opgedoekt kunnen worden op de golven van de kiesmarkt. Niet een driepartijencoalitie zal de verdere opgang van het Blok kunnen tegenhouden, wel een herziening van de wet op de partijfinanciering, de afschaffing van de kiesdrempel en de terugkeer naar kleinere kieskringen.
Stefaan HUYSENTRUYT
Bron : De Tijd, 14 juli 2004
www.tijd.be
14 juli 2004
'De VLD is gedoemd om te blijven krimpen'
De wolken boven de VLD drijven maar niet weg, ook niet nu vaststaat dat de partij ook in de komende Vlaamse regering zal zetelen. Hierbij een artikel dat vandaag in Knack verschijnt.
Sommigen willen met het Vlaams Blok regeren, anderen eisen dat de partijtop wordt vervangen, en zo goed als iedereen vraagt een nieuwe beginselverklaring. Over één ding zijn haast alle Vlaamse liberalen het eens: zo kan het niet verder met de VLD.
'Iederéén heeft kritiek. Maar de meesten durven hun mond niet open te doen uit angst hun job te verliezen', zeggen liberalen die anoniem willen blijven uit angst hun job te verliezen. De toorn van de liberale partijtop is ondertussen legendarisch, en het is voor iedereen duidelijk dat de VLD voor een sleutelmoment staat. Zin in openlijk gebakkelei hebben ze dan ook niet meer. Het afgelopen jaar hebben de Vlaamse liberalen al afdoend bewezen dat ze uitblinken in zelfverminking. Eerst was er de herhaalde, compromisloze kritiek van stokebrand Hugo Coveliers, toen het gecontesteerde vertrek van Vlaams minister-president Patrick Dewael naar de federale regering, en een paar maanden later het getouwtrek over het migrantenstemrecht dat eindigde met de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van partijvoorzitter Karel De Gucht. Al die incidenten in acht genomen viel de verkiezingsuitslag van 13 juni nog mee. De 19,79 procent was in elk geval meer dan de vernietigende 12,7 procent die interne peilingen hadden voorspeld. Vandaar dat sommige liberalen opgelucht ademhaalden, en dat de liberale drievuldigheid Karel De Gucht, Guy Verhofstadt en Patrick Dewael niet geneigd was lang over de nederlaag na te tafelen. En avant, leken ze te denken.
Business as usual dus. Of toch niet? Voor Vlaams minister-president Bart Somers ging dat alvast een beetje te snel. Daarom riep hij zijn partij twee weken na de verkiezingen in De Standaard op om zich radicaal te vernieuwen: de VLD moest weer Vlaamser, liberaler en democratischer worden. De huidige partijleiding mag van hem wel nog even blijven zitten, op voorwaarde dat ze haar macht met de volgende generatie deelt. Met Somers zelf dus, en met Vincent Van Quickenborne en Sven Gatz, die datzelfde weekend 'toevallig' interviews van dezelfde strekking gaven.
Een ongekende gotspe. De zogenaamde 'klassieke' liberalen vielen om van verbouwereerdheid. 'Verwende apen', fulmineert een vooraanstaand kamerlid. 'Hoe kunnen een minister-president en een federaal staatssecretaris in alle ernst beweren dat ze aan de macht willen komen? De mandaten zijn hen zomaar komen aanvliegen, en waar blijven hun electorale tegenprestaties? De Antwerpse burgemeester behaalt dubbel zoveel stemmen als onze aftredende minister-president. Somers wil de partijtop verbreden? Hij zit er verdorie zelf in. In andere partijen is er één grote baas, en bij ons minstens drie. Daarom is het hier ook zo'n kippenhok.'
Omdat Somers, Gatz en Van Quickenborne alledrie ook nog eens gewezen VU'ers zijn, beginnen achterdochtige stamboomliberalen zich af te vragen welk Trojaans paard de partijleiding heeft binnengehaald. Vooral sinds de 'PVV-score' van 13 juni groeit de twijfel over de verruimingsoperatie van de laatste jaren.
Het Blok in het bad
Ondanks de scherpe kritiek op de boodschapper, valt op dat niemand Somers' kritiek echt weerlegt. Zijn analyse kon in het partijbestuur zelfs op redelijk wat bijval rekenen, zowel bij generatiegenoten als Patricia Ceysens, als bij de oudere flandrien André Denys. Velen hebben er dan ook respect voor dat Somers de directe confrontatie met Verhofstadt en De Gucht heeft aangedurfd. Ook Jean-Marie Dedecker is het met hem eens: 'De VLD regeert nu al jaren meer op basis van de opiniepeilingen dan van de verkiezingsuitslagen en haar partijprogramma. Onze partij moet weer liberaler worden. We hebben dringend behoefte aan een nieuwe beginselverklaring.'
Met die verzuchting staat enfant terrible Dedecker niet alleen. Ook de Gentse schepen van Cultuur en lid van het partijbureau Sas van Rouveroij vindt een inhoudelijke herprogrammering noodzakelijk. 'Dankzij de Burgermanifesten hebben we vijf jaar lang twee regeringen geleid', zegt hij. 'Maar ondertussen is ons politieke project vervaagd, onder meer door de instroom van een heleboel nieuwkomers. Het is dus de hoogste tijd dat we ons liberale gedachtegoed opnieuw definiëren.' Voor de liberale ministers is dat zelfs een acuut probleem. 'We weten niet meer waar we voor staan', zegt een excellentie. 'Niemand weet nog welke lijn te volgen en dus rennen we alle richtingen uit. Wie het waagt naar eigen goeddunken een liberaal beleid uit te tekenen, wordt vroeg of laat bij de partijleiding op het matje geroepen.'
Zo goed als alle liberalen willen dus een nieuwe beginselverklaring, maar ze zijn het allerminst eens over hoe die er moet uitzien. Een stap naar links is geen optie en in het centrum is het wel heel druk geworden met de versterkte CD&V. Het pleidooi voor een uitgesproken rechtse koers is na 13 juni dan ook alleen maar luider geworden. Jean-Marie Dedecker wil zelfs dat zijn partij met het Vlaams Blok in een coalitie stapt. '75 procent van de Vlamingen heeft rechts gestemd', zegt hij. 'Als democraat zie ik dan ook maar één mogelijkheid: een centrumrechtse regering. VLD én CD&V moeten het Blok in het bad trekken.' Hij is zeker niet de enige VLD'er die er zo over denkt, maar voorlopig heeft niemand anders zin om daarvoor uit te komen. De échte test voor de liberale houding tegenover het Blok komt er met de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. De partijleiding is immers lang niet zeker dat ze de liberale burgemeesters dan allemaal 'in de hand zal kunnen houden'.
Veel alternatieven zijn er in elk geval niet. Zoals een liberaal toppoliticus het uitdrukt: 'De VLD is de volgende jaren gedoemd om te blijven krimpen. Naar links zijn we al zover opgeschoven als onze achterban kan verdragen en ook rechts van ons zijn er weinig mogelijkheden. Economisch zijn we al rechts en op ethisch vlak wordt het terrein door het Vlaams Blok en CD&V bezet. Bovendien ligt ethisch conservatisme ons niet.'
Hoog Vandenbroucke- gehalte
Een nieuwe, algemeen aanvaarde beginselverklaring zal niet volstaan om de VLD weer de wind in de zeilen te geven. Niet alleen leeft er onderhuids heel wat ongenoegen, de liberale hoofdrolspelers hebben het ook steeds moeilijker 'om op elkaars gezicht te kijken'. Parlementsleden rebelleren tegen de partijtop, staatssecretarissen en ministers gaan in de clinch met de premier en aan de top van de partij is het ook allesbehalve peis en vree. De zogenaamde trojka functioneert namelijk niet - dat heeft ze eigenlijk nooit gedaan - eenvoudigweg omdat het niet klikt tussen De Gucht aan de ene, en Dewael en Verhofstadt aan de andere kant. Sinds het liberale koningsdrama is daar geen verandering in gekomen. Integendeel. Een paar weken geleden vielen er weer eens harde woorden tussen De Gucht en Dewael. Volgens getuigen was er niet eens een aanleiding voor het conflict en worden de verwijten ruzie na ruzie persoonlijker.
Het is voorlopig niet de positie van Verhofstadt noch die van zijn luitenant Dewael die binnen de partij ter discussie staat, wel die van partijvoorzitter De Gucht. De manier waarop hij zijn eigen overtuiging hardnekkig doordreef in het dossier van het migrantenstemrecht, kenmerkt voor veel liberalen de stijl van zijn voorzitterschap. 'Karel heeft een hoog Frank Vandenbroucke-gehalte', zegt een VLD'er. 'Even stug, even onbuigzaam, even superieur intelligent. En net als Vandenbroucke is hij zich daar heel goed van bewust.' Volgens Van Rouveroij zou De Gucht perfect tot zijn recht komen in een uitvoerend mandaat. 'Karel zou een schitterend minister of Europees commissaris zijn. Maar een coach is hij niet', zegt hij. Bart Somers wel. Alleen heeft die zijn kansen om partijvoorzitter te worden door zijn openhartigheid verknald, of op z'n minst danig geschonden. De oorspronkelijke overtuiging van veel partijgenoten dat Somers dé man voor de baan is, smelt geleidelijk weg. Al valt bij de VLD nooit iets helemaal uit te sluiten.
En wat dan met De Gucht? Die vraag houdt de hele VLD in de ban. Het is weinig waarschijnlijk dat de PS De Gucht de functie van Europees commissaris zal gunnen. Ideaal zou dus zijn dat Karel De Gucht, doorgaans een uitstekend onderhandelaar, de liberale nummer één van de nieuwe Vlaamse regering zou worden. Alleen hij wordt namelijk in staat geacht voldoende weerwerk te kunnen geven tegen politieke zwaargewichten als Frank Vandenbroucke (SP.A) en Yves Leterme (CD&V). Of wordt het toch opnieuw het partijvoorzitterschap?
Naar Toscane
Guy Verhofstadt mag dan steviger in het zadel zitten - 'hij is de vader van ons allemaal' of 'hij is de leider van alles' - maar zijn partijgenoten ergeren zich steeds meer aan zijn gebrek aan realiteitszin, zijn overdreven optimisme en zijn 'voluntarisme', dat steeds vaker synoniem is voor niet ingeloste beloftes. 'Zo is Guy nu eenmaal', zeggen ze dan vergoelijkend. 'Hij is een visionair.' Toch groeit met de dag het besef dat hij op die manier niet alleen zichzelf maar de hele partij in diskrediet brengt. Zelfs de federale VLD-ministers worden stilaan moedeloos van zijn onstuitbare reeks grootse plannen en het karige aantal verwezenlijkingen dat daartegenover staat. 'Waar ligt de grens tussen de dingen in een positief daglicht stellen en de waarheid geweld aandoen?' zegt iemand. Bovendien hebben sommigen het er heel moeilijk mee dat de premier hen amper ademruimte geeft om zélf een stempel op hun beleid te drukken.
Ook de rest van de partij bidt dat Verhofstadt zijn voluntarisme voor één keer een poos in bedwang kan houden. 'Hij moet dringend naar Toscane om tot rust te komen' zegt een intimus, die hoopt dat de premier de komende maanden een geduldige, bescheiden houding zal aannemen. Maar voor wie de premier de jongste tijd tijdens het wekelijkse fractieoverleg bezig zag, lijkt dat ijdele hoop. Vooral omdat Verhofstadt het gevoel heeft constant door PS-voorzitter Elio Di Rupo belaagd te worden.
Er zou een belangrijke taak weggelegd zijn voor vice-premier Dewael: Verhofstadt met beide voeten op de grond houden. Want de kansen van de VLD hangen af van de mate waarin de partij zich gedeisd houdt en de premier aanvaardt dat het politieke initiatief bij de deelstaten ligt. Laat Yves Leterme als Vlaams minister-president zijn harde communautaire eisenpakket maar face à face met zijn Waalse ambtsgenoot bespreken, luidt de liberale redenering. Al is het lang niet zeker dat het kartel van CD&V met de N-VA die onderhandelingen overleeft. En mocht Leterme toch succesvol blijken, dan zal de federale regering als een goed notaris de overeenkomst tussen de regio's bekrachtigen. Bovendien hebben de regeringspartijen aan beide kanten van de taalgrens samen een tweederde meerderheid in de federale Kamer. Dat betekent dat ze de MR, en dus het FDF, niet meer nodig hebben.
Als er straks een regeerakkoord is, moet de VLD dus op inhoudelijke retraite. Of alle liberalen daar met constructieve bedoelingen aan zullen beginnen, hangt af van de strategische verdeling van de postjes in de komende weken. Naar goede gewoonte heeft de partijtop alle te verdelen mandaten minstens een keer of drie beloofd. Om kritiek of geklaag over slechte lijstplaatsen te smoren of om een partijsoldaat op voorhand te bedanken voor bewezen trouw. Het gouverneurschap van de provincie Oost-Vlaanderen, dat in december moet worden ingevuld, is bijvoorbeeld al tussen pot en pint toegezegd aan André Denys, Sas van Rouveroij, Geert Versnick, Paul Wille en zelfs aan Brice De Ruyver. Als Denys het niet wordt, kan hij altijd nog parlementsvoorzitter worden. Tenminste, als die job niet naar Marleen Vanderpoorten gaat als troost omdat ze niet meer in de regering mag. En dat terwijl het helemaal niet zeker is dat de Oost-Vlaamse gouverneur of de parlementsvoorzitter een liberaal wordt. Een opsomming geven van alle VLD'ers die ervan overtuigd zijn dat ze minister worden, is al helemaal onbegonnen werk. Met andere woorden: hoe correct en efficiënt de invulling van al die functies straks ook gebeurt, de helft van de partij zal zwaar teleurgesteld zijn in de partijtop.
Het verdelen van mandaten is al geen sinecure, zeker niet na een verkiezingsnederlaag. Het is dan ook geen verrassing dat ze in de Melsensstraat druk met de weegschaal in de weer zijn. Iedereen lijkt vergeten dat het in de nieuwe regeerperiode niet meer rond postjes mocht draaien. 'Amper heeft de kiezer ons afgestraft omdat we onze Vlaamse ministers hebben vervangen, of ze bereiden alweer een nieuwe stoelendans voor', zegt een parlementslid. 'Ze zullen het nooit leren.'
Ann Peuteman en Han Renard
Relevante websites :
www.vld.be
www.knack.be
13 juli 2004
Wat gedijt en wat sterft tijdens de oorlog
Het wordt vaak beweerd dat oorlog goed is omdat het de menselijke eigenschappen van moed, dapperheid en patrottisme naar voren brengt. Oorlog zorgt voor spannende tijden, stelt ons uithoudingsvermogen op de proef, en stelt ons in staat om ons lot te bereiken. Oorlog kan ons zelfs uit economische depressies halen! Niets is minder waar.
Oorlog is wat dieren met elkaar doen. Het is dodelijk en destructief. Het voorkomt dat we onze doelen opbouwen en bereiken, en het verlaagt ons tot het niveau van wilde beesten. Het vernietigt samenwerking en handel, en vervangt vreedzame, vrijwillige interactie met dwang. Persoonlijke en familiebanden worden verbroken, terwijl eigendomsrechten worden genegeerd of met voeten getreden. Smaakvolle kunst, literatuur, muziek, en cultuur in het algemeen, worden opzijgeduwd of vervangen door primitieve en barbaarse substituten. Politiemacht, economische interventie, en nationalisme gedijen. Inflatie is datgene wat oorlog mogelijk maakt, maar het maakt het normale economische leven tot een nachtmerrie. Oorlog is voedsel voor de Staat, niet voor het welzijn van de mensheid.
Kunnen de Verenigde Staten terecht beschouwd worden als een deelnemer aan het dierlijke en barbaarse gedrag van een totale oorlog? Nee, niet echt. Het zou correcter zijn om te zeggen dat de Verenigde Staten de pionier is in het overnemen van de ideologie van een totale oorlog. Amerika was één van de eerste deelnemers aan een totale oorlog, en een van de leidende ontwikkelaars van de methoden ervan.
Generaal William Tecumseh Sherman en zijn mede-generaals van de Union deden mee aan de opzettelijke genocide van een totale oorlog tijdens de zogenaamde "Burgeroorlog" in Amerika. Hij zei expliciet dat hij de vooroorlogse klasse van plantagewerkers wilde vernietigen. Maar eerst ontwikkelde en perfectioneerde hij zijn technieken tijdens de oorlog tegen de Seminolen in Florida jaren terug. Zijn methoden aldaar waren onder andere het vernietigen van huizen, gewassen, en voedselvoorraden; het vervuilen van watervoorraden; en het doden van vrouwen en kinderen, alle methoden die de Union Army gedurende de 19de eeuw zou blijven toepassen.
WOI was zeker een totale oorlog op zijn slechtst, evenals WOII. Hitler, Churchill en Roosevelt keurden allemaal het onophoudelijke en ondiscriminerende werpen van bommen op burgers goed. Truman autoriseerde de verbranding van meer dan een kwart miljoen burgers, voornamelijk vrouwen en kinderen. Je kunt proberen te beweren dat deze acties efficiënt, effectief, of noodzakelijk waren, maar je kunt niet ontkennen dat ze barbaars waren. We houden er niet van om onszelf als barbaars te beschouwen, en misschien is Amerika niet het meest barbaarse land, maar we zijn niettemin barbaars in oorlogstijd.
Ludwig von Mises, econoom van de Oostenrijke School, toonde aan dat vrede het enige beleid dat consistent is met de mensheid. Hij toonde aan dat oorlog het resultaat is van interventionisme, protectionisme, en de verzorgingsstaat. Hij laat ons bovendien zien dat vrede alleen bereikt kan worden met een consistente ideologie en een persistent beleid van laissez faire.
Een waarschuwende opmerking: wanneer we de gevolgen van oorlog beschrijven is het belangrijk om onderscheid te maken tussen oorlog en recessie. Ook al zijn hun oorzaken met elkaar verbonden en zijn beide vanuit economisch opzicht slecht, toch is het belangrijk om de twee gescheiden te houden.
Algemene Effecten van Oorlog
Wat sterft : privacy, kennis, markt, vrijwilligheid, vrijheid, ondernemers, arbeid, burgers, sparen, behoud, kapitaal, voortreffelijkheid, technologie, cultuur, degelijk geld, familie, baby's, gezondheid, maatschappij. LEVEN.
Wat gedijt : bedrog, propaganda, overheid, macht, veiligheid, politici, bureaucratie, belangengroepen, consumptie, vernietiging, depreciatie, imitatie, kannibalisatie, overleving, inflatie, prostitutie, bommen, honger, krankzinnigheid. DOOD.
Het geval van vier economieën
Het Bedrijfsleven: Land, Arbeid, en Kapitaal dat Geschaad Wordt Door Oorlog·Detailhandel
·Vastgoed en Verzekeringen
·Kunst en Vermaak
·Vliegmaatschappijen en Kapitaalintensieve Industrieën.
·Kapitaalgoederen voor Productie en Non-defensie
De Ongereguleerde Economie: Technologie en Ondernemerschap die Geschaad Worden Door Oorlog·Technologie
·Internet
·Bankprivacy
·Het Midden- en Kleinbedrijf
·Nieuwe bedrijven
De Economie des Doods: Voordelen van de Vernietiging van Mensen, Vrede en Privacy
·Het Leger
·De Wapensindustrie
·Spionnen (CIA, FBI, etc.)
·De Overheid en Belastingen
·De Nieuwsmedia
De Economie des Duivels: Voordelen van Overheid en Oorlog
·Wall Street
·Grote Banken
·Oliemaatschappijen
·Farmaceutische bedrijven en Gezondheidszorg
·Publieke Ondernemingen
De Perfecte Oorlog
Terwijl de strijd tegen Osama bin Laden een kleine oorlog lijkt, is het eigenlijk de perfecte oorlog voor de overheid. Het is in een ver gebied dat niet makkelijk toegankelijk is voor verslaggeving door de media. De vijand is klein en slecht uitgerust zodat zij geen grote bedreiging vertegenwoordigen. Ze zijn ook verspreid (en de vijand is zelfs slecht gedefinieerd -- terroristen?) zodat grote hoeveelheden hulpbronnen gebruikt kunnen worden om in vele landen over de wereld op Bin Laden en zijn bende te jagen. Zelfs hun kleding doet hen er ongrijpbaar uitzien en vormt dus een goed excuus voor het onvermogen van de overheid om ze te vangen.
Het Witte Huis heeft aangekondigd dat zij verwachten dat de oorlog nog zes jaar zal voortduren (hoewel de meeste Amerikanen nu de oorlog als beëindigd beschouwen). Het is ook perfect in die zin dat de terroristen in het Amerikaanse vaderland hebben toegeslagen en onschuldige burgers hebben vermoord. Als zelfs maar één van twaalf federale bureaucratieën zijn werk had gedaan, dan zou deze ramp voorkomen zijn.
Vreemd genoeg biedt de tragedie de overheid een reden voor allerlei nieuwe interventies, terwijl de overheid ook voldoende steun en patriottisme opwekt om de grote hoeveelheden middelen van de economie te onttrekken en een grote hoop vrijheden en rechten te ondermijnen. Om de boel te bekronen: de timing van de oorlog was uitstekend omdat de economie zóver in een recessie was gezonken dat zelfs overheidsstatistieken de waarheid lieten zien. Niets overtroeft een recessie zo goed als een goede oorlog en de populariteitsstatistieken van President Bush, en de overheid in het algemeen, zijn torenhoog. Het lijkt bijna tè perfect.
De Blijvende Gevolgen van Oorlog
Een van de beste bronnen over de rol van oorlog om de omvang van de overheid te vergroten is het boek van Robert Higgs, Crisis en Leviathan. Hij is ook de persoon die had aangetoond dat WOII ons niet uit de Grote Depressie had gehaald. Higgs toonde aan dat crisissen zoals oorlog en depressie een prikkel geven aan overheden om dramatisch te groeien. Nadat de crisis over is, krimpt de overheid, maar keert niet terug naar het oorspronkelijke niveau, maar blijft hoge belastingen handhaven, hogere uitgavenniveaus, en verminderde niveaus van rechten en privacy.
Is er iemand die denkt dat wanneer deze oorlog stopt, de luchthavenbeveiliging geprivatiseerd zal worden, of dat het Ministerie van Vaderlandse Veiligheid ontbonden zal worden? Higgs beschrijft de groei van de overheid als een "opkrikeffect" waarbij de overheid enorm groeit tijdens crisis en nooit volledig terugkrimpt wanneer de crisis over is.
Één schrijver van de New York Times begrijpt het verband van Higgs tussen Oorlog en een Grote Overheid, en hij wordt er gelukkig van. Hij vroeg zich af: gaat het echt om een keuze tussen Geweren vs. Boter? Krijgen we echt minder sociale projecten wanneer de overheid meer geld uitgeeft aan defensie? Nee, zegt hij, wij kunnen meer van beide hebben wanneer het aankomt op overheid en oorlog. WOI gaf ons omvattende overheidsregulering van de economie en "deze coöperatieve aanpak van regulering overleefde". WOII bracht ons een toename van de inkomensbelasting van 4 miljoen belastingbetalers tot 44 miljoen belastingbetalers. En om ons van een kernaanval te redden, werd het ‘inter-state’ snelwegsysteem gebouwd tijdens de Koude Oorlog. Het kost een heleboel, maar de Times schrijver merkt vrolijk op dat "een hele industrie van restaurants en motels gebouwd werden langs deze wegen." Ik neem aan dat men ook zouden kunnen beweren dat de ‘inter-state’ wegen ons inderdaad van de Russische raketten redden. En laten we een minuut stilstaan bij alle tastbare voordelen die we kregen uit onze wedstrijd om de Russen te snel af te zijn bij het bereiken van de maan: limonadepoeder.
De schrijver van de New York Times is bezorgd dat er significante barrières zijn voor het beginnen van nieuwe binnenlandse overheidsprojecten tijdens deze oorlog, maar besluit met zelfverzekerdheid omdat recente enquêtegegevens laten zien dat de 30-jarige daling van het publieke vertrouwen in de overheid is omgekeerd, en dat de Vliegveldveiligheidswet is doorgevoerd, die hij omschrijft als "een massaal publiek werkgelegenheidsproject", die de federale werkgelegenheid heeft vergroot en die "zelfs een belastingverhoging bevatte -- onder de noemer van een passagiersbijdrage." Bijna dronken van blijdschap concludeert de schrijver van de Times dat gezien de aard van deze oorlog het mogelijk zou zijn om nieuwe overheidsprojecten door te voeren in medisch onderzoek, gezondheidszorg, voedselveiligheid, computertechnologie, misdaadbestrijding, werkloosheidsverzekeringen, transport, energieproductie, en onderwijs.
"Terwijl de projecten gestart zouden worden in naam van de militaire inspanning, zouden zij een permanente overheidsaanwezigheid creëren in gebieden die onvoorstelbaar waren op 10 september, 2001."
Twee voorbeelden van Wat Gedijt
Het Ministerie van Vaderlandse Veiligheid
De meest zichtbare toename van de overheid is het Ministerie van Vaderlandse Veiligheid, waarvan de oprichting door niemand in Washington in twijfel werd getrokken, maar die ongetwijfeld zal blijven groeien in grootte, macht en invloed in de loop der tijd. Het zal miljarden, misschien wel biljoenen dollars uitgeven in de komende jaren, en Greenspan heeft de inflationaire kraan weer volledig openstaan.
Ik wil de cover story van de Free Market van februari 2002 onder jullie aandacht brengen, waarin de econoom Bob Higgs treffend vraagt: hoe zit het met het Ministerie van Defensie? "Als het ons thuisland niet verdedigt, wat verdedigt het dan wel?" Ondanks biljoenen dollars kon het Ministerie van Defensie niet eens haar eigen hoofdkantoor verdedigen, en geeft nu toe dat het zodanig onvoorbereid is voor mogelijke bedreigingen, dat het talloze miljarden zal vereisen om ieder wapensysteem te kopen dat beschikbaar is, en om nieuwe wapensystemen te ontwikkelen. Deze bekentenis van volledige kwetsbaarheid zou het wapenschild van Bush een hogere prioriteit op de federale agenda moeten maken.
Verslaving, Mentale Stoornissen, Scheidingen
Oorlog is een grote bron van sociale problemen. De Burgeroorlog heeft ervoor gezorgd dat talloze mensen, zowel soldaten als burgers, geestelijk of fysiek gebroken zijn, en natuurlijk financieel. Velen bleven verslaafd aan drugs en alcohol achter. WOI had veel Amerikaanse soldaten gedood, en nog meer soldaten in veteranenziekenhuizen gestopt wegens geestelijke of fysieke incapaciteit. WOII deed hetzelfde, evenals de oorlog in Korea. Vietnam is berucht om al het drugsgebruik en prostitutie, en veel veteranen herintegreerden nooit helemaal in de maatschappij. Dit kostte allemaal geld maar de menselijke kosten zijn onberekenbaar. Maar soldaten hoeven niet ter oorlog te gaan om sociale problemen te veroorzaken. Ga eens naar een militaire basis, en je ziet dat het omringd is met prostituees, drugsdealers, sjofele bars en hotels, om maar niet te spreken van tattooshops en pandhuizen.
Twee voorbeelden van Wat Sterft
Technologie en Oorlog
Omdat nieuwe wapens zo een cruciale rol spelen in de effecten van strijd en oorlog, zijn historici er vaak toe misleid om te denken dat oorlog ervoor zorgt dat technologische vooruitgang geboekt wordt. Maar in mijn onderzoek naar de Amerikaanse Burgeroorlog heb ik gevonden dat oorlog geen zegen voor technologie was. Sterker nog, vóór de oorlog was Amerika de bron van nieuwe technologie en de massale verspreiding van het gebruik ervan. Henry David Thoreau is misschien de eerste persoon geweest die de uitdrukking "de Vindingrijkheid van de Yankees" heeft gebruikt, in 1843.
De oorlog zelf bracht helemaal geen vooruitgang in wetenschap en technologie. Historici zijn het eens dat de oorlog geen prikkel voor wetenschap, kennis of technologie verschafte. Robert Bruce concludeerde dat de "Burgeroorlog niet alleen niet werd beïnvloed door de toegepaste wetenschap, maar zelf ook duidelijk nadelig voor de basale wetenschap was." Zelfs op het gebied van militaire technologie waren er zeer weinig nieuwe dingen uitgevonden. Het Gatling pistool werd uitgevonden, maar werd niet veel gebruikt. Duikboten bestonden al voor de oorlog, en de CSS Huntly was de enige duikboot die een succesvolle aanval maakte.
Cultuur: het Geval van Poëzie
Ik raadpleegde een oude uitgave van de Oxford Book of American Verse en vond dat geen enkele dichter in deze bundel geboren was tijdens een oorlogsjaar. De bijdragers leefden vooral tijdens de 19de en 20ste eeuw, maar er waren geen dichters die geboren waren tijdens het decennium van de Burgeroorlog tot 1869. Ik geloof dat de dood en destructie van die oorlog de bevolking op zo een manier had gekleineerd, dat het die generatie simpelweg niet de mogelijkheid bood om veel bij te dragen op het culturele gebied. Er is zelfs een groot gat tussen de geboorte van Emily Dickinson in 1830 en Edgar Lee Masters in 1869 dat alleen door de geboorte van Sidney Lanier in 1842 word gevuld.
Ik geloof dat dit gat voor het grootste gedeelte wordt verklaard door het feit dat de oorlog zovelen had vermoord, de geest van zoveel anderen had vernietigd, en de rest van de maatschappij met een enorme last had achtergelaten. Ik raadpleegde ook een lijst van Amerikaanse dichters van voornamelijk de 20e eeuw en vond dat, van de eerste 200 op de lijst, zeven vrouwen waren geboren tijdens oorlogsjaren en één man (die bijna niets gepubliceerd had). Ik zou ongeveer drie keer zoveel verwacht hebben, als het gemiddelde aantal dichters geboren zou zijn tijdens oorlogsjaren.
Samenvatting
Om samen te vatten: de overheid, inflatie, en slecht gedrag gedijen tijdens oorlog, terwijl de economie, de cultuur en onze levensstandaard sterven. Wat de statistieken ook zeggen, een land kan niet een hogere levensstandaard bereiken terwijl het in een oorlog is. Oorlog plaatst alles op zijn kop, en kleineert ons.
Mark Thornton
Mark Thornton is full-time verbonden aan het Mises Institute. Hij gaf een lezing gebaseerd op deze aantekeningen op het Instituut op 19 Januari 2002. Dit artikel werd eerder gepubliceerd op Lewrockwell.com als ‘What Thrives and What Dies During War’ en werd vertaald door Meervrijheid.
Relevante websites:
www.mises.org
www.lewrockwell.com
www.meervrijheid.nl
12 juli 2004
Weg met de rijken!
Pamela Hemelrijk is columniste bij Metro. Haar altijd al gezonde wantrouwen jegens hen die de macht hebben is het afgelopen jaar enkel nog gegroeid door haar kennismaking met de ideeën van mensen als Murray Rothbard en Hans-Hermann Hoppe. Haar jongste columns hebben dan ook vaak een libertarisch tintje.
Het gesprek ging over belastingdruk. Ik had namelijk ergens gelezen dat Astrid Lindgren nooit één cent aan haar bestsellers heeft verdiend, omdat ze over haar inkomsten maar liefst 101 (!) procent belasting moest betalen. Dit kwam omdat ze daarnaast ook over eigen vermogen beschikte. Dus hoe meer Pippi Langkousen er werden verkocht, hoe meer Astrid Lindgren er financieel op achteruit ging.
Het lijkt wel die mop van Moos, die solliciteert als ober in een stripteasetent. “Wat dacht u van 100 gulden in de week?” zegt de nachtclub-baas. “Ojee”, zegt Moos bekommerd, “ik weet niet of ik dat wel kan betalen”.
Voor Astrid Lindgren was deze absurde mop de barre werkelijkheid. Voor haar onschatbare bijdrage aan de Zweedse literatuur werd zij gestraft met boetes, opdat de talentlozen voor hun onmacht beloond konden worden met subsidie. (In Nederland is Jac. Firmin Vogelaar een fraai voorbeeld van deze laatste categorie. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die een fan was van Jac Firmin Vogelaar. Ik ken zelfs niemand die wel eens een boek van Jac Firmin Vogelaar heeft gelezen, behalve dan onder dwang. Toch ontvangt Jac Firmin Vogelaar nu al een jaar of dertig een gerieflijk inkomen van het Fonds voor de Letteren. Hij dankt zijn succes niet aan zijn schrijftalent, maar aan zijn talent om vooraan te staan als de gunsten en de belastingcenten worden verdeeld.)
Hoe dan ook. Ik bracht te berde dat mijn zwager, een grootindustrieel, onder Paars 85 procent van zijn verdiensten aan de staat had moeten afdragen, en dat we toen dus eigenlijk de facto in een communistische maatschappij leefden, al noemden we dat niet zo. “Wat een onzin”, gnuifde een progressieveling. “De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Zonder belasting te heffen kun je de armoe niet bestrijden.”
“In Monaco hebben ze d’r anders geen moeite mee”, zei ik.
De progressieveling trok een heel vies gezicht. “Pff!”, smaalde hij misprijzend. “Monaco! Daar wonen alleen de rijken.”
Ik heb daar lang over zitten peinzen. Wat bedoelde die progressieveling daarmee? Dat er ook arme mensen in Monaco behoren te wonen, net als in Zambia? Het lijkt wel of hij het Monaco kwalijk neemt dat daar geen clochards of sloppenwijken zijn. Terwijl dat toch het doel is van armoedebestrijding, zou men zeggen: de armen rijker maken. In Monaco is dat gelukt: de levensstandaard is er torenhoog. Zelfs de kantoorklerken, de winkeljuffrouwen en de arrebeiers (want die heb je daar ook) verdienen er twee keer zoveel als bij ons, omdat ze geen inkomstenbelasting betalen. Bij ons neemt de fiscus jaarlijks de helft van ons BNP in beslag (250 miljard), in Monaco neemt de staat genoegen met éénachttiende (500 miljoen). Toch hebben ze daar één politie-agent op elke honderd inwoners, een verwaarloosbaar misdaadcijfer, de hoogste levensverwachting ter wereld, en een begrotingstekort van nul.
Wat Fidel Castro met terreur, onteigening, executies en opsluiting van dissidenten in strafkampen niet is gelukt, hebben de Grimaldi’s met louter vrijhandel voor elkaar gekregen: de ganse bevolking, van hoog tot laag, leeft in voorspoed, vrijheid en vrede. Het is de enige “reëel bestaande” heilstaat ter wereld, goed beschouwd.
Maar juist dit wirtschaftswunder vervult de progressieveling met diepe weerzin. Hij wil niet dat er steeds meer rijke patsers bijkomen; hij vindt het al zo erg dat er überhaupt rijke patsers bestaan!
Het is duidelijk: de progressieveling wil niet de armoede bestrijden, maar de rijkdom. Vandaar dat hij ons systeem prefereert: dat draait de rijken de duimschroeven aan zonder dat de armen daar beter van worden. Ruim 10 % van de bevolking leeft hier nog steeds op het bestaansminimum, ondanks twintig jaar inkomensnivellering. Kijk, zo mag de progressieveling het graag zien.
Pamela Hemelrijk
Relevante websites:
www.metropoint.nl
10 juli 2004
De Aard van de Politie
Frank Karsten (foto) is oprichter van de Stichting Meervrijheid en hoofdredacteur van de bijbehorende website. Hij startte met Meervrijheid omdat hij vond da