Nova Civitas
Blog Over Nova Civitas Kalender Archief Inschrijven English
 
FAQ
Publicaties
Artikels
CNE
IES Europe
Koppelingen
 
   
Zoek


Archief
Recente bijdragen
Koppelingen
Powered by
Movable Type 2.661

 
 

29 juli 2005

Frederik de Grote !

vpostrelpic.jpg Virginia Postrel (foto) is auteur van onder meer 'The Substance of Style: How the Rise of Aesthetic Value Is Remaking Commerce, Culture, and Consciousness'. Ze is economisch columniste voor 'The New York Times' (business sectie). Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de Boston Globe en verscheen in vertaalde versie in Liberaal Reveil.

Nee, nee ... het gaat hier niet om de Fredrik de Grote, de koning van Pruisen. Dit artikel gaat over Friedrich von Hayek.
Destijds door zijn critici verguisd als markfundamentalist, neemt de belangstelling voor hem de laatste tijd weer toe, in het bijzonder als voorloper van de cognitieve psychologie, de informatietheorie en zelfs het postmodernisme. Tijd dus voor een hernieuwde kennismaking met een van de belangrijkste denkers van de vorige eeuw, van wie overigens slechts weinigen ooit zullen hebben gehoord.

Op een recente lunchbijeenkomst van denktanks in Raleigh was econoom Bruce J. Caldwell, professor aan de Universiteit van North Carolina (Greensboro), in gesprek geraakt met een plaatselijke jurist die actief was binnen de Democratische partij. Deze vroeg Caldwell waar diens nieuwe boek over ging. Caldwell antwoordde dat het een intellectuele biografie was van Friedrich von Hayek. Zijn gesprekspartner keek hem met glazige ogen aan. Caldwell verduidelijkte: 'Hij was een econoom, een libertarisch econoom.' (1)1

Maar dat was zwak uitgedrukt! Hayek, die in 1992 overleed, was niet zomaar een econoom. Hij ontving de Nobelprijs in 1974. Zijn artikel, 'The Use of Knowledge in Society', is een standaardwerk over de rol van prijzen als coördinatiemechanisme van verspreid aanwezige informatie. Zijn kaskraker, 'The Road to Serfdom', waarvan jaarlijks nog steeds duizenden exemplaren worden verkocht, heeft een katalyserende invloed gehad op de vrije-marktbeweging als politieke kracht in de VS.

De econoom Milton Friedman noemde Hayek 'de belangrijkste sociale denker van de 20ste eeuw'. Zijn voornaamste bijdrage was: ' (...) duidelijk te maken hoe onze huidige complexe sociale structuur niet het resultaat is geweest van bewuste acties van individuen, maar van de onbedoelde gevolgen van individuele interacties gedurende een lange periode. Kortom, het produkt van
sociale evolutie en niet dat van bewuste planning.'

Hayek wordt in toenemende mate erkend als een van de belangrijkste theoretische wetenschappers van de 20ste eeuw, wiens werk politieke theorie, wetenschapsfilosofie en zelfs cognitieve psychologie omvatte.

De redactie van de 'Encyclopedia Britannica' heeft Caldwell onlangs verzocht diens summiere Hayek-logo van 250 woorden uit te breiden tot een genuanceerder stuk van tienmaal die lengte, terwijl Harvard het werk van Hayek heeft toegevoegd aan zijn 'Syllabus of Social Studies 10': een introductie in de sociale theorie.

Hayek is vrij bekend in Groot Brittannië, waar hij een groot deel van zijn leven doceerde, vooral door zijn invloed op Margareth Thatcher. Maar in de Verenigde Staten hebben zelfs erudiete, nieuwsgierige intellectuelen, die bijvoorbeeld bekend zijn met het werk van Max Weber, Hannah Arendt en Michel Foucault, vaak niet of nauwelijks van hem gehoord.

Deze onbekendheid heeft een politieke oorzaak. Hayek bouwde voort op de traditie van het 18de- en 19de-eeuwse liberalisme, waardoor zijn critici hem als een anachronisme beschouwden en dus negeerden. Hayek bepleitte concurrentie via de markt tegenover de opvattingen van de toen dominante stroming van voorstanders van centrale planning, waarbij hij erop wees dat de veronderstelde 'irrationele' gewoonten, tradities en instituties de veelal moeizaam verworven kennis van de ervaring belichaamden. Daarnaast verdedigde hij kosmopolitisch individualisme in een tijdperk dat werd beheerst door nationalisme en collectivisme.

Maar Hayek bleek uiteindelijk geen verouderde ideeën te vertolken, maar zijn tijd vooruit te zijn. In zijn discussie met de aanhangers van de maakbaarheidsgedachte van het midden van de 20ste eeuw, worstelde hij met problemen die in deze eeuw nog steeds even relevant zijn. Hij anticipeerde op de huidige voorliefde voor biologische metaforen en evolutieanalyse, gefragmenteerde en gespecialiseerde markten, het accent op de instituties die onontbeerlijk zijn om markten goed te laten functioneren, ja zelfs de huidige multiculturele uitdagingen.

Hayek's boek, 'The Sensory Order', dat als zijn moeilijkste werk wordt beschouwd, liep vooruit op de theorieën van cognitieve wetenschap, die decennia later werden ontwikkeld. Volgens Harvard-psycholoog Steven Pinker stelde Hayek dat er sprake was van spontane orde in de hersenen, die voortvloeit uit verspreide netwerken van eenvoudige eenheden (neurons) die locale signalen uitwisselen. 'Hayek was met deze gedachte zijn tijd vér vooruit. In het midden van de jaren tachtig werd dit denkbeeld populair in de cognitieve wetenschappen onder de naam 'connectionism' en 'parallel distributed processing'. Merkwaardig genoeg wordt Hayek's naam hierbij echter nooit genoemd.

De politiek filosoof Glyn Morgan heeft er een aantal jaren geleden op aangedrongen dat Hayek's denkbeelden in het Harvard-lesmateriaal werden opgenomen. Dit is niet zonder slag of stoot gegaan. De betrokken cursus stond bekend als enigszins links van het politieke midden en de leerkrachten stonden sceptisch ten opzichte van Hayek. Maar het is uiteindelijk toch gelukt.

Morgan wijst erop dat Hayek een van de laatste 'niet-professionele' economen was: een soort dat tegenwoordig niet of nauwelijks meer voorkomt. Hayek was niet alleen een top-econoom, maar schreef daarnaast ook over de geschiedenis van ideeën en over tal van andere onderwerpen.

Hayek werd in 1899 in Wenen geboren. Hij vocht in de Eerste Wereldoorlog en studeerde af in rechten en politieke economie in de inspirerende intellectuele atmosfeer van de Universiteit van Wenen. In het begin van de jaren dertig werd hij uitgenodigd om te komen doceren aan de 'London School of Economics'. Daar maakte hij naam als leidende intellectuele opponent van John Maynard Keynes (de twee waren op het persoonlijke vlak echter vrienden). Keynes geloofde dat economische depressies konden worden bestreden door een verhoging van de overheidsuitgaven, waarbij begrotingstekorten zouden oplopen. Hayek stelde daarentegen dat een dergelijk beleid slechts het onderliggende probleem van overtollige produktiecapaciteit zou versterken.

Behalve in deze nogal technische discussie met Keynes, was Hayek ook een buitenbeentje wat betreft zijn afwijzing van het in die tijd onder economen wijd verbreide enthousiasme voor centrale economische planning, die door de meesten als veel produktiever en efficiënter dan marktconcurrentie werd beschouwd. In het Groot Brittannië van de jaren dertig bepleitten zelfs politiek gematigden de nationalisatie van alle belangrijke industrieën. Gedurende en na de Tweede Wereldoorlog bereikte de centrale planning een niveau van detaillering dat thans onvoorstelbaar is. Het Engelse 'Wartime Utility Scheme' verordonneerde bijvoorbeeld uniforme meubelontwerpen, waarbij ambachtelijk werk en versieringen taboe waren. In het kader van de rantsoenering tijdens de oorlog werden boekenkasten als essentieel beschouwd; toilettafels en gestoffeerde luie stoelen konden daarentegen worden gemist. Prijscontroles en prohibitief hoge belastingen bleven tot 1952 van kracht om de produktie en verkoop van 'irrationele' ontwerpen te ontmoedigen.

'Dat sommige van Hayek's denkbeelden niet populair waren, is zwak uitgedrukt', schrijft Caldwell in 'Hayek's Challenge', dat onlangs werd gepubliceerd bij de 'University of Chicago Press'. 'Gedurende het grootste deel van zijn leven stonden zijn economische en politieke opvattingen haaks op die van de rest van de intelligentsia (...) [E]en groot deel van de eeuw was Hayek het mikpunt van spot, minachting, of - nog erger voor een man van ideeën - werd hij genegeerd.'

Het belangrijkste door Hayek ontwikkeld inzicht, dat hij zelf beschouwde als zijn 'ontdekking bij uitstek' in de sociale wetenschappen, was het definiëren van het centrale economische en sociale probleem in termen van het organiseren van verspreide informatie. Verschillende mensen streven verschillende doelstellingen na. Hun kennis van de wereld is verschillend. Veel kennis is slechts plaatselijk aanwezig en van voorbijgaande aard, slechts bekend bij de 'man on the spot'. Een deel van deze kennis is objectief en kwantificeerbaar, maar een groot deel is ook sluimerend en onuitgesproken. Vaak ontdekken we pas wat we werkelijk willen, als we een afweging moeten maken tussen concurrerende goederen.
'Het economische probleem van de samenleving', zo schreef Hayek in zijn artikel van 1945, 'is dus niet alleen een probleem hoe men 'gegeven' hulpbronnen dient aan te wenden, indien 'gegeven' zou betekenen dat zij bekend zijn bij een enkel brein dat bewust het probleem oplost dat door deze 'data' wordt bepaald. Het is veeleer een probleem hoe men het beste gebruik van hulpbronnen kan verzekeren voor elk van de leden van een samenleving, voor doeleinden waarvan het relatieve belang slechts aan die individuen bekend is. Kortom: het is een probleem van het gebruik van kennis waarover niemand in zijn totaliteit beschikt.'

Gedecentraliseerde concurrentie vormt de sleutel tot een goed functionerende economie en samenleving. In markten fungeren prijzen als een telecommunicatiesysteem, dat de informatie coördineert die een enkel brein niet kan bevatten. Dat maakt het mogelijk om een zich steeds verder ontwikkelende orde tot stand te brengen op basis van verspreid aanwezige informatie.

'Wat is het belangrijkste inzicht dat men zich thans in een economische opleiding kan verwerven?', zo vroeg de econoom Lawrence Summers (voormalig Amerikaans onderminister van Financiën en thans rector van Harvard) zich af in een vraaggesprek ten behoeve van 'The Commanding Heights', de studie van 1988 van Daniel Yergin and Joseph Stanislaw over de wederopleving van het economische liberalisme. 'De boodschap die ik mijn studenten probeer mee te geven is dat de onzichtbare hand machtiger is dan de zichtbare hand. Ontwikkelingen zullen plaatsvinden in goed-georganiseerde acties zonder van tevoren centraal vastgestelde richting, controles of plannen. Dat is de huidige consensus onder economen. Dat is de erfenis van Hayek.'

Ook vanuit de informatietechnologie worden de denkbeelden van Hayek bevestigd. Op de 'Sloan School' van het 'Massachusetts Institute of Technology (MIT), verwijst Erik Brynjolfsson naar de inzichten van Hayek om zijn studenten eraan te herinneren dat het voeden van data aan computers niet noodzakelijkerwijs de informatieproblemen van bedrijven oplost. In elke complexe operatie is er altijd meer informatie dan een enkel individu of een kleine groep kan bevatten om actie op te ondernemen. 'Zoals Hayek heeft uiteengezet, is het cruciaal dat het recht om beslissingen te nemen en de informatie op dezelfde plaats aanwezig zijn', zegt Brynjolfsson. 'Er zijn ten minste twee manieren om dat te verwezenlijken. Één daarvan is de informatie te verplaatsen naar degenen die de bevoegdheid hebben beslissingen te nemen. De andere is om de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing te verplaatsen naar de plaats waar de informatie aanwezig is.'

Deze constatering, die zowel op cultureel als economisch gebied van toepassing is, is het thema van Hayek's bekendste werk, 'The Road to Serfdom', dat hij in de Tweede Wereldoorlog schreef als een waarschuwing voor een breed publiek. Het werd gepubliceerd in 1944 en was opgedragen aan de 'socialisten van alle partijen'. De belangrijkste boodschap van het boek was dat de logica van centrale planning tot een verlies van persoonlijke vrijheid zou leiden. De goedbedoelende Britse socialisten bevonden zich volgens Hayek op dezelfde weg als de Nationaal Socialisten, waarvan Hayek de opkomst in zijn land van herkomst, Oostenrijk, op zo'n pijnlijke wijze had moeten ervaren.

Het boek had een schokeffect in Groot Brittannië, waar het respectvol doch kritisch werd ontvangen. Maar in de Verenigde Staten, waar de Reader's Digest een verkorte versie publiceerde, was 'The Road to Serfdom' een bestseller en een politiek lichtbaken dat de voorstanders van de vrije ondernemingsgewijze produktie dichter tot elkaar bracht. Maar anderzijds schoot het de intelligentsia, tot wie het was gericht, in het verkeerde keelgat. Hoe durfde deze besnorde Oostenrijker te suggereren dat de ambities van de 'New Deal' ook maar iets gemeen zouden kunnen hebben met de praktijken van Hitler of Stalin!?

Volgens Caldwell is de centrale boodschap van het boek echter tot op de dag van vandaag verkeerd begrepen. Vaak wordt gedacht dat Hayek een onvermijdelijke ontwikkeling schetste. Indien de overheid eenmaal was begonnen met interventie in de economie, zou dat automatisch leiden tot totalitarisme. Maar Hayek heeft er in zijn werk herhaaldelijk op gewezen dat hij niet geloofde in de destijds wijdverbreide gedachte van onwrikbare historische wetmatigheden. Evenmin was Hayek tegenstander van een economisch vangnet. Hij was van mening dat een welvarende samenleving zich best basisvoorzieningen voor de armen kon veroorloven.

Wèl was hij van oordeel dat een volledige centrale controle van de economie tevens tot een controle van alle aspecten van het leven zou leiden. Economische beslissingen kunnen niet los worden gezien van individuele waarden en doelstellingen. Zij vormen een uitdrukking daarvan. Volgens Jerry Z. Muller, een historicus aan de 'Catholic University' (Washington) en schrijver van 'The Mind and the Market: Capitalism in Modern European Thought' (2002), hebben wij geld nodig om in vele verschillende behoeften te voorzien, en die behoeften zijn niet altijd - eigenlijk slechts hoogst zelden - de wens om geld te vergaren als doel op zich. Muller: 'Wij wensen geld voor onze echtgenoten en kinderen of om onszelf te ontplooien: alles van plastische chirurgie, het lezen over de geschiedenis van ideeën tot het bouwen van een kerk. Dat zijn allemaal niet-economische doelstellingen die wij kunnen realiseren met behulp van geld.'

Hayek stelde dat mensen die verschillende waarden hebben alléén maar in vrede kunnen samenleven wanneer er markten zijn met concurrentie; markten waar prijzen de weerspiegeling vormen van de relatieve waarden die aan verschillende goederen worden toegekend. Alleen in dergelijke markten kunnen mensen erachter komen hoe zij het beste hun behoeften kunnen bevredigen - of
zelfs wat die behoeften zijn.

Caldwell, die bezig is met de samenstelling van Hayek's verzamelde werken voor de 'University of Chicago Press', werkt op dit moment aan een speciale uitgave van 'The Road to Serfdom'. Hiervoor dient hij de grotendeels vergeten literatuur door te nemen waar Hayek in zijn boek naar verwijst. Caldwell: 'Het is bijna griezelig om sommige van die boeken te lezen. Men was bereid behoorlijk ingrijpende interventie in de economie te aanvaarden - sturing van de arbeidsmarkt, beslissingen over wie wat voor werk diende te doen, en dat soort zaken.' Caldwell voegde daaraan toe dat 'The Road to Serfdom' vandaag de dag nog steeds redelijk toegankelijk is voor de moderne lezer. Maar als men die andere boeken leest, waant men zich op een andere
planeet.

Omdat hij het belang van waardenpluralisme, de grenzen van kennis en de totalitaire dimensie van 'rationalistische' (of, zoals hij dat zelf zou noemde, 'scientistic') controle beklemtoonde, zien sommigen in Hayek een voorloper van het postmodernisme. Zo gaf de postmodernistische filosoof, Michel Foucault, tegen het eind van zijn leven college over het werk van Hayek.

Nick Gillespie, hoofredacteur van het libertarische blad, 'Reason', wijst erop dat Hayek in brede zin anticipeerde op veel postmoderne kritiek. Gillespie: 'Voor Hayek is de essentie van het liberalisme dat het ideaal van sociale gelijkvormigheid vervangt door dat van concurrerende verschillen.' Daarom erkende Foucault - hoewel geen Hayekiaanse liberaal - dat Hayek's formulering van een privé-sfeer een belangrijke bescherming bood tegen de ernstigste excessen van staatsmacht.

In tegenstelling tot de postmodernisten heeft Hayek echter nooit het idee van wetenschappelijke kennis verworpen. Maar in zijn discussies met de voorstanders van de centrale planeconomie heeft hij zich ingespannen om een onderscheid te maken tussen wetenschap en pseudowetenschap.

In 'The Sensory Order', begon Hayek voor het eerst een onderscheid te maken tussen 'eenvoudige' wetenschappen zoals de natuurkunde, die verschijnselen bestudeert die verklaard kunnen worden door slechts een handjevol variabelen, en 'complexe' wetenschappen, zoals biologie, psychologie en economie, die van zoveel variabelen afhankelijk zijn dat nauwkeurige voorspellingen onmogelijk zijn. Caldwell schrijft daarover: 'Hayek had het gevoel dat veel van zijn opponenten, die allen pretendeerden de mantel van de wetenschap te dragen, slechts troonpretendenten waren. (...) Hij ontmoette voortdurend mensen die er zelf van overtuigd waren dat zij objectieve wetenschappers waren, mensen die andere ideologische opvattingen hadden dan Hayek, en die gemakshalve onmiddellijk geneigd waren om hun verschil van inzicht met Hayek toe te schrijven aan het feit dat zijzelf objectieve wetenschappers waren, terwijl Hayek een ideoloog was.

Hayek en de postmoderne filosofen hebben met dezelfde problemen geworsteld, maar zij kwamen tot verschillende conclusies. 'Ik beschouw hem niet als een postmodernist, op dezelfde wijze als andere kenners van zijn werk dat hebben gedaan', zegt Caldwell. Hij voegde daaraan echter toe: 'Ik geloof wèl dat ze gemeenschappelijke vijanden hadden.'

Virginia POSTREL


Voetnoot:
1. In de VS is het onderscheid tussen klassiek-liberaal en libertarisch soms
wat onduidelijk.

Posted by NovaCivitas at 12:02 am | Comments (0) | Druk deze pagina

28 juli 2005

Verslag van het gesprek met B. Dewever, N-VA-voorzitter, op de Nova Civitas denkdag van 22-07-2005

bart_dewever_kl1.jpg Op zaterdag 22 juli organiseerde Nova Civitas zijn jaarlijkse denkdag. Gelegenheidsadres was het hotel Approach te Knokke, gastspreker van dienst was N-VA-voorzitter Bart Dewever (foto). Hierbij het verslag van een boeiende, leerrijke discussie.

1. De N-VA-voorzitter heeft de Nova Civitas-beginselverklaring doorgenomen en is het met de meeste standpunten hierin eens. Hij beklemtoont dat ook het N-VA staat voor een koppeling van vrijheid en verantwoordelijkheid. De vrijheid die de samenleving voor het individu moet garanderen is geen lege huls maar biedt de burger de mogelijkheid om het goede te doen, te doen wat behoort. Daarbij vindt de spreker zijn inspiratie bij Edmund Burke. De mens is echter niet steeds in staat uit zichzelf het goede te doen. De burgergemeenschap, verbonden door een sociaal contract, genereert daarom normen die voor het individu een richtlijn zijn. Het N-VA verwerpt het absolute individualisme ( vrijheid blijheid, alleen voor zichzelf ongebonden leven) maar verzet zich ook tegen de overname van de samenleving door de staat. De samenleving, nl. een geheel van vrijwillige en spontaan gegroeide en traditionele verbanden, is het voornaamste forum waarop het individu zich sociaal kan ontplooien. De staat is hier volkomen subsidiair. Door het feit dat de staat langzaam de samenleving kannibaliseert, door reglementering en subsidiëring, wordt een cultuur van onverantwoordelijkheid in het leven geroepen.

2. De N-VA-voorzitter stelt ook vast dat zich van de westerse samenleving, zeker binnen Europa, een zekere radeloosheid meester heeft gemaakt. Deze radeloosheid hangt samen met de paradoxale wederzijdse versterking van individualisering en verstaatsing. Bovendien weten we niet hoe om te gaan met de radicale Islam die zowel een interne als externe bedreiging is gaan vormen. Tenslotte is er de sociaal-economische uitdaging vanuit het Oosten, dat technologisch geleidelijk concurrentieel wordt maar bereid is alles te produceren voor veel lagere prijzen. Deze uitdagingen vereisen een krachtdadig en goed functionerend politiek bestel. Om verscheidene redenen is dit in ons deeltje van Europa afwezig.

3. Het Belgische staatsverband is niet meer in staat als een behoorlijke democratie te functioneren. Dit staatsverband komt neer op een losse samenhang van twee verschillende democratieën. Beide landsdelen verschillen grondig, niet alleen op het vlak van cultuur en taal maar ook op vlak van politieke structuur, economische en sociale situatie. Als men wil zoeken naar een gemene deler die op beide landsdelen van toepassing moet zijn, komt men noodgedwongen tot een inefficiënte en halfslachtige mix. Een nieuwe krachtenbundeling in centrumrechtse zin op Belgisch niveau is heel moeilijk in dit staatsverband. Geen enkele partij in Wallonië zal zich liberaal opstellen omdat zij anders de transfers in gevaar brengt, waardoor zij electoraal zeer kwetsbaar zou worden. De Vlaamse centrumpartijen (eerst CVP, nu VLD) die verantwoordelijkheid opnemen op federaal vlak regeren zich kapot in deze situatie. Zij kunnen niet zonder de PS die een sleutelpositie inneemt in Wallonië. Het samengaan met de PS maakt dat deze centrumpartijen hun programma quasi niet kunnen uitvoeren, waardoor zij uiterst kwetsbaar worden op hun rechterflank. Het terugdringen van het staatsapparaat, het centrale programmapunt van een liberale partij, is verder af dan ooit. De reeds zeer hoge staatsuitgaven zijn onder het VLD-bestuur nog gestegen, dit onder druk van vooral de Waalse socialisten die de Vlaamse rechterzijde voortdurend gijzelen.

4. De N-VA-voorzitter erkent dat er een politieke hergroepering nodig is. Door het feit dat de Vlaamse centrumpartijen (CD&V en VLD) relatief klein zijn, zijn ze inwisselbaar voor de PS. De PS kan steeds effectief dreigen de ene in te wisselen voor de andere. Om deze patstelling te doorbreken is er nood aan een grote Vlaamse centrumrechtse partij die voor de PS 'incontournable' is. Voor de realisatie hiervan botst men echter op een hele reeks ‘wetten en praktische bezwaren’. Vooreerst is er het metaprobleem van de ont-ideologisering. Door het wegvallen van de oude polarisatie socialisme en liberalisme en de evolutie van het socialisme naar een soort links-liberalisme zijn alle partijen zich gaan profileren als centrumpartijen, die hun politiek marktaandeel willen vergroten via politieke ‘marketeering’. Het Vlaams Belang is de enige partij die hierbuiten is gebleven en op basis van een aantal, soms dubieuze, principes, de keizer een bepaald houvast biedt. De ont-ideologisering bevordert geenszins een hergroepering rond centrumrechtse ideeën.

5. Bovendien mag men het verlammend gewicht van de bestaande organisaties niet onderschatten. Elke bestaande structuur tracht zich te bestendigen ook al is het onderliggende doel ervan verdwenen. Politieke partijen in ons land zijn geen burgerbewegingen meer maar parastatale organisaties, levend van een enorme subsidiestroom. Dit levert een aantal apparatchiks een inkomen op. Van hen gaat een grote druk uit om de bestaande structuren te behouden en elke stap in het ongewisse, zoals fusies en herverkaveling, te vermijden. In een herverkaveling zet men immers zichzelf op het spel, komen nieuwe kapers op de kust, is de electorale opbrengst onzeker. Bart Dewever vergelijkt en politieke herverkaveling met het leggen van een zeer moeilijke ‘menselijke puzzle’

6. De N-VA –voorzitter wijst ook op de complexiteit van de breuklijnen in ons land. Tot ongeveer 1960 was de levensbeschouwelijke breuklijn ( socialisten en liberalen = links), ( katholieken en hun bastaardkinderen, de nationalisten = rechts) dominant. Nadien zijn twee andere breuklijnen, nl. het sociaal-economische en het communautaire dominant geworden. Dit betekent dat er steeds één breuklijn dwars door een bepaald politiek kamp zal lopen. In de communautaire breuklijn (welk vaderland kies je?) loopt de sociaal-economische breuklijn zowel door het kamp van de flaminganten als van de belgicisten. In de sociaal-economische breuklijn loopt de communautaire breuklijn zowel door het kamp van ‘rechts’ ( markteconomie, weinig staat) als van ‘links’( interventionisme, veel herverdeling).

7. Tenslotte is er het fameuze ‘cordon sanitaire’ dat 25% van de Vlaamse democratie inoperationeel maakt en een perpetuum van de macht voor de socialisten inhoudt. Het cordon is zowel te verwerpen vanuit tactisch vlak ( het VB wordt nooit geconfronteerd met regeerverantwoordelijkheid en wordt slapend rijk) als vanuit ethisch-principieel vlak ( het uitsluiten van een hele categorie burgers uit het politieke spel). De N-VA-voorzitter legt er de nadruk dat het cordon kan vergeleken worden met een deur met sloten aan beide kanten. Van de buitenkant is er de ‘cordonitis’. De ‘cordonitis’ is gebaseerd op een gelijkschakelingsredenering. Wie tegen het cordon pleit wordt geassocieerd met het Vlaams Belang, het Vlaams Belang wordt geassocieerd met de collaboratie en de collaboratie wordt geassocieerd met de Holocaust. Naar de publieke opinie toe worden deze tussenstappen overgeslagen en wordt iedereen die pleit tegen het cordon als besmet geacht. Ook aan de binnenkant zijn er echter sloten. Heel wat VB-ers zijn bereid in een verhaal van hergroepering te treden, maar andere krachten, die zich asssociëren met het behoud van de partijstructuren of die er inderdaad heel extreme ideeën op nahouden, houden dit tegen. Na het Blok-proces heeft deze partij een zeer grote kans gemist om zich als een fatsoenlijke rechts-conservatieve partij te profileren. Zij hebben zich snel op zichzelf teruggetrokken en zijn verdergegaan op hun oude en veilige succesverhaal.

Verslag : BB

Relevante websites :

Hotel Approach
Nieuw-Vlaamse Alliantie

Posted by NovaCivitas at 10:42 am | Comments (3) | Druk deze pagina

26 juli 2005

Zijn er grenzen aan de vrijheid?

shaffer.jpg Butler D. Shaffer (foto) heeft rechten gestudeerd aan de Universi­ty of Chicago, waar hij in 1961 afstudeerde. Gedurende enkele jaren werkte hij als jurist in Omaha, Nebraska, waarbij hij zich specialiseerde in handel, bouwbedrijf, de aspecten van rechtspersoon­lijkheid en arbeidsovereen­komsten. Hij is momenteel professor recht aan de Southwestern University School of Law. Shaffer combineert een scherpe juridische geest met een sterke liberale overtuiging en heeft daarnaast ook een erg vlotte pen. Reden om met de man en zijn ideeën kennis te maken.

Ik choqueer veel van mijn studenten tijdens mijn lessen die gewijd zijn aan eigendom door eigendom te definiëren in termen van controle: diegene die met betrekking tot een bepaald goed beslissingen kan nemen, is de eigenaar, en dit los van eventuele juridische definities over eigendomstitels. Vervolgens confronteer ik hen met de volgende toepassing van dit eigendomspricipe (waarvan ik hen niet vraag ermee akkoord te gaan, het volstaat dat ze het begrijpen): “gebaseerd op de definitie die ik net gegeven heb mag ik met mijn eigendom doen wat IK wil, en dat ZONDER ENIGE beperking. Wanneer dat niet zo is, dan is eigenlijk een ander, diegene die mij beperkt in de uitoefening van mijn eigendomsrecht, de échte eigenaar.” Op dat ogenblik ontstaat er meestal opschudding onder de studenten, waarbij er wel steeds enkele zijn die mijn stelling willen nuanceren, door er onder andere aan toe te voegen dat je je eigendomsrechten mag uitoefenen zolang je daarmee aan anderen geen schade toebrengt. Ik antwoord dan steevast met het volgende: “Ik aanvaard dergelijke aanpassingen van mijn stelling niet, immers: als IK de eigenaar van iets ben, dan beslis IK wat ermee gebeurt!”

Vervolgens geef ik hen het volgende voorbeeld: ik neem een spons en zeg hen dat ze zich moeten voorstellen dat het een baksteen is, MIJN baksteen, en dat zij een mooi venster hebben, en dat ik mijn baksteen door dat venster wil gooien. Vervolgens stelt zich dan natuurlijk de vraag of ik dat, gebaseerd op de definitie die ik hogerop gegeven heb, ook effectief mag doen. Op dat ogenblik beginnen veel studenten mij gelijk te geven, maar er zijn er wel altijd een paar die zullen opmerken dat ik met mijn eigendom inderdaad mag doen wat ik wil, maar dat het raam in kwestie niet van mij is. Vervolgens leg ik hen dan de grenzen van mijn autoriteit uit, wat er op neerkomt, dat ik inderdaad het recht heb om met mijn baksteen, mijn eigen ramen in te gooien, maar niet die van iemand anders, wat trouwens volledig in de lijn ligt van bovenstaande definitie.

Op dat ogenblik zijn mijn studenten eindelijk mentaal klaar om de bredere, sociale, implicaties van het eigendomsbegrip te vatten. Ik vertel hen dat de cursus niet gaat over dingen (waar je controle over uitoefent, nvdr) maar over relaties tussen mensen, relaties die beheersd worden door de vraag: “wie mag beslissingen nemen over wat?” “Wie mag er beslissingen nemen over het leven en de eigendommen van andere mensen?” “Kunnen individuen dat zelf, of zijn er anderen die gezag over hen uitoefenen?” Of met andere woorden: “het is een cursus over de sociale toepassingen van de metafysica.” Na verloop van tijd beginnen de meeste van mijn studenten te begrijpen dat individuele vrijheid en pivé-eigendom van goederen synonymen zijn. Immers; vrij zijn betekent dat je niet enkel onbeperkt gezag kan uitoefenen over je eigen leven, maar ook over (je eigen) eigendom. Omdat elk wezen plaats moet hebben om te leven, en in staat moet zijn om externe energiebronnen te consumeren teneinde überhaupt te kunnen (over)leven, raakt de eigendomsvraag eigenlijk de essentie van het leven zelf!

En aldus komen we opnieuw terecht bij de vraag die ik helemaal aan het begin van mijn artikel stelde, nl: de vraag of er grenzen zijn aan de vrijheid. Als u geleerd hebt (socialisatie, nvdr) dat het noodzakelijk is dat er bepaalde beperkingen zijn op wat je als mens mag doen en wat niet, dan zal u het waarschijnlijk evident vinden om bovenstaande vraag bevestigend te beantwoorden, en dan is deze vraag voor u in wezen een retorische vraag. Maar, als u ze bevestigend beantwoord, dan stelt zich natuurlijk onmiddellijk de vraag waar die grenzen aan de vrijheid liggen. Besef immers dat u diegene die door u erkent wordt als zijnde bevoegd om uw vrijheden te definiëren, de macht geeft om deze ruim of eng te bepalen, iets waarbij deze laatste enkel rekening moet houden met de hypothetische mogelijk dat u vroeg of laat in opstand komt? Is het niet ook evident dat deze eigenlijk de dirigent van uw leven wordt, juist omdat u hem of haar de bevoegdheid heeft gegeven om de rijkweidte van uw vrijheden te bepalen?

Op dit punt gekomen, zouden we ons licht willen laten schijnen over de mentale verschillen tussen diegenen die hun vrijheid onder geen beding willen laten beperken, en diegenen die bereid zijn om beperkingen opgelegd door anderen, en dan in de eerste plaats de Staat, op hun vrijheid te aanvaarden. Welnu, de eerstvernoemden zullen zich fel afzetten tegen dergelijke beperkingen op hun vrijheid. Dergelijke personen hebben een soort spirituele onbuigzaamheid, die ertoe leidt dat zij zich daar gewoonweg niet kunnen aan onderwerpen. De laatstvernoemden daarentegen, zij die beperkingen vanwege anderen, en dan vooral vanwege de Staat, op hun vrijheid aanvaarden, zullen zich niet verzetten tegen verdere beperkingen van hun vrijheid. Hoogstens zullen ze voor een beetje clementie pleiten, maar zolang ze goed gevoed, veilig, en geborgen zijn, zullen ze zich maar al te grif onderwerpen aan een verdere beperking van hun vrijheid.

Het conflictueuze karakter van de moderne samenleving is voornamelijk terug te voeren op het soort denken dat, om het met Friedrich Hayek te zeggen, leidt tot een ‘angst voor vertrouwde en ongecontroleerde sociale krachten.’ Juist omdat we niet langer in staat zijn om, in een systeem van privé-eigendom, de informele processen te ontwaren die er voor zorgen dat onze vrijheden zelfbeperkend zijn (d.w.z.: de grenzen van wat u en ik mogen doen wordt beperkt door de grenzen van wat wij bezitten), grijpen velen terug naar de Staat om de grenzen van hun vrijheden te definiëren. Maar, het is juist omwille van de verwerping van het eigendomsprincipe dat we in een etatistisch systeem terechtgekomen zijn, en het is juist hierdoor dat we in een oorlog van allen tegen allen terechtgekomen zijn, een oorlog van allen tegen allen waartegen Thomas Hobbes nota bene de Staat als remedie naar voren had geschoven.

Sinds Hobbes hebben we al gedurende zo’n 350 jaar ervaring kunnen opdoen met de Staat, en een van de conclusies die we kunnen trekken, is dat de Staat geen groot succes was in termen van de individuele vrijheid. Vandaar dat, rekening houdende met de 200 miljoen mensen die in de 20ste eeuw het leven hebben verloren door genocides en oorlogen allerhande, rekening houdende met alle economische crises en andere economische problemen die het gevolg waren, en zijn, van overheidsoptreden in de economische sfeer, en rekening houdende met het schier oneindig aantal intergroepsconflicten dat de aarde beheerst, zou het de Staat, en niet de vrijheden van het individu moeten zijn, die zich in het defensief zou moeten bevinden! Het zijn overheidsambtenaren die, door hun systematische aanvallen op onze eigendom, een grotere bedreiging vormen voor onze welzijn, dan de kleine gelegenheidsdief!

Om evenwel ten volle te kunnen begrijpen hoe privé-eigendom, en individuele vrijheid orde kunnen creëren in deze wereld, moeten we aanvaarden dat het eigendomsprincipe een ‘ongekwalificeerd sociaal systeem’ is. Het is betekenisloos om te stellen dat je gelooft in privé-eigendom zolang de eigenaar zich gedraagt zoals JIJ het wil. Zoiets zeggen betekent, dat je andermaal een externe autoriteit aanstelt om de grenzen van de vrijheid te bepalen! Voltaire’s klassieke stelling (ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ben bereid te sterven opdat jij zou kunnen zeggen wat je zegt) is lange tijd aangehaald geworden door intellectuelen die deze stelling in de eerste plaats handig vonden om de vrijheden veilig te stellen waar zij in geïnteresseerd waren. Maar wat wanneer we die stelling nu eens zouden uitbreiden naar alle menselijke gedragingen? Wat als we het woord ‘zeggen’ in deze stelling nu eens zouden vervangen door het woord ‘doen,’ waarbij we in het achterhoofd houden dat dit ‘doen’ beperkt is tot je eigendomsbelangen (cfr. supra, nvdr). Een goede test voor onze verbondenheid ten opzichte van de vrijheid, kan gevonden worden in onze bereidheid om respect op te brengen voor het gezag van elk van onze buren over hun eigen indiviuele leven en bezit. Vaak valt dit ons zwaar, vooral wanneer we zien dat anderen gedrag vertonen dat sterk ingaat tegen onze eigen smaken en gevoeligheden. Laat ons een nagaan hoe ver dat respect voor de vrijheid van anderen ons kan of zal voeren.

Omdat het eigendomsprincipe per definitie uitsluit dat een andere persoon zich moeit met het leven en de eigendomsbelangen van een eerste persoon, zijn alle zogeheten victimizing crimes of alle overtredingen die een inbreuk vormen op de eigendom van de eerste, niet verdedigbaar als zijnde een uitoefening van de individuele vrijheid. Hij die een andere slaag geeft, vermoordt, of verkracht, is NIET zijn individuele vrijheid aan het beleven, maar is de eigendomsrechten van zijn slachtoffer aan het schenden.

Maar wat doen we dan met praktijken die we als aanstootgevend ervaren, maar die niet gepaard gaan met een schending van de eigendomsrechten van een andere persoon? Laat ons hier het voorbeeld nemen van een mannenclub, die geen vrouwen wil toelaten als lid, en die aan de ingang een bordje zet, waarop staat dat vrouwen niet toegelaten zijn. Stel nu dat een vrouw probeert om binnen te gaan in deze club, en de toegang ontzegd word. Kan dit? Ik vraag u niet of u dit goedkeurt, maar gewoon of dit, vertrekkende vanuit het eigendomsrecht, en het recht van eenieder om geen zaken te doen met iemand anders, kan, of ook, of u, om de ongehinderde uitoefening van uw eigen vrijheden veilig te stellen deze club zou steunen in de beslissing die ze genomen heeft? Begrijpt u dat de ongelimiteerde vrijheid om te beslissen met wie je deelt, of wie je juist uitsluit, de essentie van uw eigendomsrecht raakt? Kan u, niettegenstaande u het misschien dom vindt, of onjuist, dat deze club geen vrouwen toelaat, respect opbrengen voor het feit dat ze geen vrouwen toelaten?

Als u deze vraag ontkennend beantwoordt, dan heeft u eigenlijk zojuist net zoveel zeggenschap over uw eigen leven en eigendom opgegeven als anderen bereid zijn over te geven aan de Staat. Je kan evenwel geen beperkingen, remmen of voorbehouden op de vrijheid plaatsen, hoe beperkt ook, zonder dat je de deur opent voor anderen om hun voorkeuren, en daaraan gekoppelde beperkingen, aan u op te dringen. Zij die tegen discriminaties zijn, zoals in het voorbeeld, zijn natuurlijk vrij om geen zaken te doen met dergelijke clubs, of met de leden ervan. Maar door een beroep te doen op de Staat om die club te verplichten ook vrouwen toe te laten, komen we algauw terecht in een wereld zoals we die vandaag beleven, namelijk een wereld van aanspraken op de levens en eigendommen van anderen, en zonder respect voor de onaantastbaarheid van die levens en eigendommen.

De idee van een beperkte vrijheid, van grenzen aan de vrijheid, is even contradictorisch als een beetje zwanger zijn, vierkante cirkels of droge regen. Vrijheid, net zoals bijvoorbeeld liefde, is ondeelbaar en onvoorwaardelijk, en niet onderworpen aan kwalificaties zoals: ‘op voorwaarde dat,’ of ‘zolang als.’ Om dezelfde reden dat voorwaardelijke liefde eigenlijk niet meer is als affectie, is voorwaardelijke vrijheid eigenlijk niet meer dan een aantal privilegies die door de Staat worden verleend. Besluitend kunnen we dus stellen dat zij die pleiten voor begrensde vrijheid, eigenlijk niet meer doen dan pleiten voor onvrijheid.

Butler D. Shaffer

(Vertaling : D. Moyaert)

Het artikel verscheen eerder op de sites van het Libertarisch Centrum Nederland, en ook van Liberales.

Posted by NovaCivitas at 11:02 pm | Comments (0) | Druk deze pagina

25 juli 2005

Hulp aan Afrika ?

live8.jpg Geplunderd, verkwanst, verspild, verkwist! Dit is wat met de hulp aan Afrika is gebeurd, en dit is wat de meeste Afrikaanse overheden met de resources waar Afrika rijk aan is hebben gedaan. Zij die de Live8 beweging steunen willen zelfs nog meer hulp aan Afrika verlenen. Maar zonder liberale regeringshervorming, is dit hetzelfde als een reusachtige tarantulaspin in huis hebben die u bijt en uw voedsel opvreet. De oplossing is er zo vlug mogelijk van af zien te raken en het geen voedsel toe te gooien in de hoop dat het ophoudt met bijten en verslinden. Het zal niet ophouden met bijten en verslinden zolang het merkt dat, zolang het met bijten doorgaat, gevoerd zal worden.

Het menselijke kapitaal, de natuurlijke hulpbronnen, en geproduceerde goederen van Afrika worden geplunderd door corrupte Afrikaanse tarantulas. Ze verkwisten die rijkdom voor hun paleizen, hevelen aanzienlijke sommen geld over naar buitenlandse banken, verspillen kapitaal aan wapens om aan de macht te blijven. Hulp en grondstoffen worden aanhoudend verkwanseld aan burgeroorlogen en oorlogen met buurlanden, met inbegrip van massamoorden in het vroegere Belgische Kongo, in de Soedan en in Rwanda. De schade aan de economie ten gevolge van prijscontroles, belastingen en handelsbeperkingen is rampzalig.

Er is het pleidooi om de schulden van de Afrikaanse overheden kwijt te schelden. Het is algemeen bekend dat vele Afrikanen honger lijden, getroffen zijn door AIDS en aan andere ziekten lijden. Zeker, de fondsen die nu worden besteed aan het betalen van interest op het verschuldigde zouden aan de Afrikanen ten goede komen als die fondsen aan geneeskunde, voedsel, en ontwikkeling besteed zouden worden; wat de leiders van Live8 ook betrachten. Maar deze schuld is juist het resultaat van vele miljarden dollars die door de Wereldbank, de buitenlandse overheden en privé geldschieters voor dergelijke doelstellngen geleend werden. Maar het geleende werd geplunderd!

Als het beleid van de Afrikaanse tirannen niet verandert, zullen verse fondsen opnieuw geplunderd, opnieuw verspild, verkwist en verkwanseld worden. Op deze wijze zullen de Afrikanen helemaal niets bereiken. De Afrikanen hebben er eigenlijk baat bij dat ze interesten op het geleende betalen indien deze fondsen anders toch maar gebruikt zouden worden om nog meer wapens te kopen. Dat is waarom de G8 de schuldannulering aan een verandering in het beleid van de overheden willen binden. Afrika is arm omdat het niet vrij is. Het probleem is het socialisme dat nooit gerechtigheid brengt. De Afrikaanse naties hebben meer nood aan liberalisme en dito regeringshervormingen dan aan hulp of kwijtschelding van hun schulden. Botswana heeft bijvoorbeeld wegens een uitstekend economisch beleid een snelle groei gekend met betrekkelijk weinig hulp.

Op 2 Juli, zagen en hoorden wereldwijd meer dan twee miljard mensen op TV, radio en internet de Live8 concerten die in Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Rome, Philadelphia, Tokyo, Johannesburg en Toronto plaatsvonden. Het doel van deze muziekmarathon is prachtig: voorgoed komaf maken met de armoede in Afrika zodat deze kwaal voorgoed tot het verleden behoort, geschiedenis is! Betrachting is om de regeringsleiders van de G8, die elkaar zullen treffen in Schotland, te beïnvloeden. Dit doet mij herinneren aan de Live Aid concerten van 20 jaar geleden, die de verhongerde Ethiopiërs ten goede moest komen. Maar jammer genoeg werd het meeste van die hulp geplunderd door de Ethiopische potentaten en grotendeels opgeslokt door de bodemloze put die militaire uitgaven nou eenmaal zijn.

Deze les schijnt men vergeten te zijn. Wat nodig is om armoede definitief tot het verleden te doen behoren is geen hulp, maar vrijhandel (cfr. "Africa Unchained: The Blueprint for Africa's Future" van George B.N. Ayittey). De leiders van Live8 erkennen dat rechtvaardigheid in het handelsverkeer nodig is. De leiders van de G8 moeten eerst en vooral hun economisch beleid veranderen, en alle handelsbelemmeringen op de invoer vanuit Afrika en andere ontwikkelingslanden laten vallen. De V.S. en Europa moeten ook ophouden gesubsidieerd voedsel in de ontwikkelingslanden te dumpen met als gevolg dat het de lokale landbouw vernietigt.

De leiders van Live8 erkennen dat in het verleden veel hulp niet goed werd gebruikt en zij streven naar verbetering. Maar die betere hulp vereist een ander regeringsbeleid. Zolang de Afrikaanse tirannen doorgaan met plunderen, het verspillen en het verkwisten van grondstoffen en kapitalen moeten de G8 en andere overheden alle hulp opschorten. Anders werkt de hulp averechts: voedt het bijtende tarantulas.

Gilbert De Bruycker


Dit artikel verscheen eerder op de site van het Libertarisch Centrum Nederland.

Posted by NovaCivitas at 11:16 pm | Comments (0) | Druk deze pagina

24 juli 2005

Economische stagnatie is geen raadsel

hans-labohm.jpg De goede bedoelingen die aan de constructie van het ‘speciale’ Europese sociaal-economische model ten grondslag lagen zijn boven elke twijfel verheven. Maar er hangt wel een prijskaartje aan in de vorm van permanente economische stagnatie. De vraag van Hans Labohm (foto) is hoelang we nog in staat zijn deze hoge prijs daarvoor te betalen.

Vijf jaar geleden zag de economische toekomst van Europa er nog zo zonnig uit. Tijdens de Europese top in Lissabon van maart 2000 lanceerde de EU een ambitieuze strategie volgens welke Europa zich in tien jaar tijd zou dienen te ontwikkelen tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld, met een duurzame groei van 3 procent per jaar. Op dit moment verwachten vele economen echter een periode van langdurige stagnatie, terwijl zij in het duister tasten over de oorzaken daarvan. De scheidende Robeco-topman Jaap van Duijn sprak zelfs onlangs in een interview in de Volkskrant van een ‘raadsel'.

Tot voor kort werd het huidige kwakkelen van de Europese economie toegeschreven aan een tijdelijke dip in de conjunctuur, waarna de economie zich weer zou moeten herstellen. De conjunctuur is een onlosmakelijk onderdeel van het dominante economisch denken. Zij wordt gezien als een soort natuurverschijnsel, zoals eb en vloed. De laatste tijd zijn de groeiverwachtingen van de Europese economie echter steeds weer naar beneden bijgesteld. Zou het misschien kunnen zijn dat Europa zoveel structurele verstarring heeft geaccumuleerd dat het er eindelijk in is geslaagd datgene te doen waar Koning Kanoet faalde, namelijk het rijzend tij te keren?

In officiële rapporten van de EU wordt steeds maar weer beklemtoond dat Europa haar ‘speciale’ sociaal-economische model koestert. Dat wordt onder meer gekenmerkt door relatief hoge — marginale — belastingen, ambitieuze regulering en een sterk ontwikkelde verzorgingsstaat met aanzienlijke inkomensoverdrachten, en breed maatschappelijk overleg met vele belangengroeperingen.

Het is verleidelijk om deze gehechtheid te vergelijken met Gorbatsjov's voorliefde voor het communistische model, dat hij door glasnost en perestroika dacht te kunnen verbeteren. Het bleek echter slechts 'Kurieren am Symptom' te zijn geweest. De plotselinge ineenstorting van de centrale planeconomie kwam als een verrassing. Zou hetzelfde kunnen gebeuren met het Europese sociaal-economische model? Het feit dat Tony Blair deze problematiek op de Britse EU-voorzitterschap-agenda heeft gezet, geeft aan dat in ieder geval één Europese leider die mogelijkheid niet lijkt uit te sluiten.

De oorzaak van de stagnatie is de sluipende verschuiving van de balans tussen economische prikkels en anti-prikkels — incentives en disincentives — waardoor de raderen van de markteconomie in Europa vol zand zijn geraakt. In de eerste plaats gaat het om de relatief hoge, marginale belastingen die worden geheven om allerlei goede doelen te financieren. Deze werken remmend op de bereidheid van de economische subjecten om te ondernemen en risico te aanvaarden en vormen een belemmering voor mensen om zich aan te passen aan gewijzigde economische omstandigheden. Daarnaast dient ook de macht van verschillende belangengroeperingen te worden genoemd die er in slagen via de overheid een bepaalde doelstellingen te verwezenlijken die zij niet via de markt kunnen bereiken.

De vakbeweging en de landbouw vormen hiervan de meest bekende voorbeelden. De arbeidsmarkt met zijn vaak op elkaar afgestemde en verplicht verbindende cao's doet soms meer denken aan een centrale planeconomie dan aan een markteconomie. Voorts is er de explosief groeiende regulering, waarbij een onderscheid dient te worden gemaakt tussen marktverruimende en marktbeperkende regulering. De vooralsnog gesneuvelde Europese dienstenrichtlijn was gericht op een verbetering van de marktwerking, maar vele andere soorten regulering hebben per saldo een beperking van de marktwerking tot gevolg.

In dit verband dient ook het voorzorgbeginsel te worden genoemd als onuitputtelijke bron van regelgeving. Ten slotte is er 'Kyoto' met zijn CO2-emissieplafonds. Deze regeling werkt in eerste instantie remmend op de activiteiten van sommige energie-intensieve sectoren, terwijl de doorwerking daarvan ook negatieve effecten zal hebben op de economische activiteit meer in het algemeen. Op de recente G8-top is overigens besloten deze benadering te verlaten en is voor de toekomst voor een meer vrijblijvende aanpak gekozen.

Alles bij elkaar bieden deze ontwikkelingen een sluitende verklaring voor een permanent zwakke groei dan wel stagnatie van de Europese economie. In de economische modellen, waar economen zich bij voorkeur van bedienen, blijven zij echter meestal onzichtbaar. Misschien is het daarom dat Robeco-topman Van Duijn van een raadsel sprak.

Hans Labohm

De auteur is econoom en publicist. Dit artikel verscheen op 22 juli 2005 in het Financiëele Dagblad.

Posted by NovaCivitas at 04:31 am | Comments (1) | Druk deze pagina

22 juli 2005

Liberalisme in Vlaanderen op een keerpunt

RudiDeCeuster2a.jpg Van Rudi De Ceuster (foto) bereikte ons een een tekst waarin hij poogt een beeld te schetsen van het liberalisme vandaag in Vlaanderen, de politieke toestand, en de manier waarop het liberalisme en Nova Civitas zouden kunnen bijdragen tot een oplossing van de complexe politieke problemen die zich vandaag stellen.

Voor vriend en tegenstander is het thans duidelijk geworden dat het liberalisme in Vlaanderen op een politiek dieptepunt is beland.

De politieke arm van de beweging, de VLD, haalt in de opiniepeilingen de slechtste score ooit van een liberale partij sedert de Tweede Wereldoorlog, nu 60 jaar geleden.

Het is veelbetekenend dat die slechte score wordt behaald op een ogenblik dat de liberalen reeds sedert zes jaar sleutelposities bekleden in alle federale en regionale regeringen.

Er is dus niet alleen iets mis met het liberale beleid in Vlaanderen en in België, maar ook en vooral met het politieke personeel: want partijen die eveneens aan de macht zijn, zoals de SP.a, zien hun leiders wél goed scoren, en zelfs partijen die permanent in de oppositie blijven, zoals het Vlaams Belang of de NV-A, zien hun leiders steeds weer stijgen in de populariteitspolls.

Dit alles speelt zich af in een maatschappij die steeds sterker een liberale onderstroom vertoont, zowel op economisch als op ethisch vlak.

Enkel op sociaal-maatschappelijk vlak kan men deze samenleving niet langer liberaal noemen: de vrije meningsuiting staat in toenemende mate onder druk, de persvrijheid wordt van binnenuit ondergraven, de onverdraagzaamheid en het fanatisme van zowel godsdienstige als collectivistische fanatici bedreigen steeds meer de modale, liberaal denkende individuele burger.

Boven dit alles zweeft een fin-de siècle gevoel van een Westerse cultuur die zich tegenover andere ideologieën in een underdog-rol wentelt, en de verlammende vrees voor de toenemende economische expansie van de emerging markets uit het Oosten.

Deze toestand lijkt op het eerste zicht bevreemdend, omdat nooit voorheen de gemiddelde Vlaamse burger zo welgesteld was, en tegelijk zo lang in vrede heeft geleefd. Het is echter precies omdat deze twee waarden in toenemende mate onder druk komen, dat deze maatschappij in volle omwenteling verkeert: onze welvaart wordt bedreigd door de onbetaalbaarheid van ons te genereus sociaal systeem en door de druk vanuit meer dynamische economische regio’s, en tegelijk is deze ontwortelde West-Europese samenleving niet in staat om weerstand te bieden tegen druk van buitenaf – hij weze economisch of ideologisch.

Of men het prettig vindt of niet, het zijn precies de twee landen die consequent een economisch liberaal beleid blijven voeren, die een sterk nationaliteitsgevoel blijven koesteren, en nog een fundamenteel democratisch systeem van vrije meningsuiting hebben behouden, de VS en het Verenigd Koninkrijk, die vandaag de sterkste economische groei blijven kennen, de laagste werkloosheid, die nog morele kracht uitstralen, en die zich blijven afzetten tegen totalitaire krachten, daarin gesteund door een groot maatschappelijk draagvlak.

De relatief grote weerklank die een denktank zoals Nova Civitas hier in Vlaanderen krijgt wijst erop dat ook bij ons er een grote behoefte bestaat vanwege zelfstandig denkende burgers om de liberale vrijheden die sedert 1789 de onze zijn te vrijwaren en te verdedigen tegen diegenen die ze telkens weer bedreigen.

Hoe moet het nu verder in Vlaanderen?

Het politiek beleid van de overheid moet de expressie zijn van de waarden die door de burger gekoesterd worden – niet omgekeerd. Te vaak willen immers politici hier tegenwoordig hun eigen visie doordrukken, tegen de wil van de kiezer in.

Onder zes jaar paarse regering werd zowel op economisch als op maatschappelijk vlak een beleid gevoerd dat nauwelijks rekening hield met de liberale opvattingen die bij de burgers leven, noch met de behoeften van ons land, waar fundamentele herzieningen van het fiscaal regime en van het sociaal dienstbetoon veel te lang zijn uitgesteld, omwille van het gebrek aan moed van de politici om de burger met zijn neus op de feiten te drukken.

Dat is niet enkel de fout van de twee laatste federale en Vlaamse regeringen. De liberale leiders hebben echter wél een historische kans verspeeld om de koers voor eens en voor altijd te wijzigen.

Bovendien droeg het beleid nauwelijks een liberale stempel, integendeel, de globale belastindruk verhoogde, het ondernemingsklimaat verslechterde, en de individuele vrijheden van de burger werden tegen een steeds sneller tempo afgebouwd.

Het beleid wordt ook steeds meer unitair, de beslissingsbevoegdheden van de Vlaamse regering werden met medewerking van twee Vlaamse “Ministerpresidenten” (Dewael en Somers) gewoon genegeerd, en het Vlaams-nationalisme werd met behulp van de bevriende pers in een repressie-sfeer gemarginalizeerd.

Als gevolg van het paarse beleid zit België vandaag nog steeds met de op één na hoogste openbare schuld in de EU, met een regio als Wallonië die overleeft dank zij enorme kapitaalinjectie’s van Vlaanderen en de EU, en waar de economie en het sociale bestel welhaast van zero moet heropgebouwd worden, en wordt de kwijnende Belgische Staat geconfronteerd met een totaal geblokkeerd beslissingssysteem op zowel federaal als regionaal vlak.

Onder deze omstandigheden, en gezien de internationale contekst, lijkt het geen optie om op dit moment een onafhankelijk Vlaanderen als de enig zaligmakende oplossing naar voren te schuiven.

Niet alleen zou de timing hiervan internationaal, in een verdeelde EU, wellicht slecht overkomen. Ook conjonctureel kan men zich een meer geschikte periode indenken.

Maar ook op het Vlaamse niveau zou dit een regio creëren waar een machtig Vlaams belang, zonder ervaren politici, zonder socaal-economisch programma, en met een bijzonder onduidelijk geprofileerde aanhang de grootste partij zou uitmaken.

Op een meer liberaal geïnspireerd beleid zou men in die contekst zeker niet moeten rekenen.

Aan de linkerzijde zou de liberale burger dan weer genconfronteerd worden met een rood-groen conglomeraat, dat wellicht een soort afval sorterend, fietsers- en windmolen-gedreven collectivistisch economisch beleid zou nastreven. Mocht dit beeld overtrokken lijken, dan volstaat het wellicht te verwijzen naar de eerste paars-groene regering, waarvan we nu nog bezig zijn het puin te ruimen, en dat Vlaanderen reeds duizenden arbeidsplaatsen heeft gekost.

Kortom, niet meteen het droombeeld van de buitenlandse investeerder – en het is inderdaad dié die het economisch gelaat van deze hypothetische autonome Vlaamse regio zou bepalen.

Of men nu van een onafhankelijk Vlaanderen droomt, of van een confederaal, een federaal Vlaanderen, of zelfs een Vlaanderen binnen een herboren unitaire Belgische staat, wat Vlaanderen voor alles eindelijk nodig heeft zijn assertieve Vlaamse politici die bereid zijn na 175 jaar geduld en vernedering eindelijk eens de Vlaamse meerderheid uit te spelen, in welk staatsbestel dan ook.

Niet alleen numeriek, maar ook financieel, fiscaal, economisch en geografisch-infrastructureel is Vlaanderen met afstand de grootste en drijvende kracht in België, en dat moet eindelijk eens verdisconteerd worden.

Er mag in dit land geen nieuwe federale regering meer gevormd worden voordat er op dit vlak duidelijke en bindende afspraken zijn gemaakt, en zonder Vlaamse politici kan geen federale regering gevormd worden.

Dergelijke afspraken hoeven geen ultimata te zijn, en hoeven niet meteen Wallonië het mes op de keel te zetten. Vlaanderen heeft nu echter wél dringend nood aan politieke leiders die de “neue Sachlichkeit” beoefenen – geen administratieve bedienden, dus.

Maar zonder overhaasting moeten er duidelijke afspraken komen over de datum waarop een einde zal komen aan de financiële transfers van de ene regio naar de andere. Er moet meteen een eind komen aan de beslissingsbevoegdheid van de Brusselse agglomeratie over levensgebelangrijke aangelegenheden voor heel België, zoals de luchthaven van Zaventem. Brussel is een stad die leeft bij de gratie van Vlaamse bijdragen, en desnoods zullen die bijdragen moeten ophouden, totdat de inwoners in Brussel en in de rand begrepen hebben wie er beslist over Vlaamse aangelegenheden.

De aberratie dat Brussel een “gemeenschap” of een “regio” zou zijn moet ophouden. Brussel is gewoon een naar Europese maatstaven veeleer kleine provinciestad, met veel werkloosheid en economische problemen. De stad kan niet verder zonder steun van buitenaf – Vlaamse steun, dus.

Kortom: België moet een tweeledige federale staat worden met duidelijke afspraken over de toekomstige verhoudingen en kapitaalstromen tussen de regio’s, met wederzijds begrip voor elkaars noden, en met erkenning van het feit van de Vlaamse meerderheid.

Brussel blijft de hoofdstad – niets minder, maar ook niet meer – waar ook de Vlaamse meerderheid op alle bestuursniveau’s tot uiting komt. Dat betekent dat er Vlaamse magsitraten, ambtenaren en geneeskundig personeel worden bijbenoemd totdat de Vlaasme meerderheid ook daar de facto van een acceptabele dienstverlening kan genieten.

In ruil daarvoor zal Vlaanderen Brussel verder van de nodige middelen voorzien om haar rol als Europese en Nato-hoofdstad afdoende te vervullen.

Als dit “model van de laatste kans” na rationele en in de tijd beperkte onderhandelingen wordt afgewezen, dan blijft Vlaanderen wellicht geen andere optie meer over dan voortaan zijn eigen weg gaan. Maar dat zal dan de keuze van Vlamingen én Walen zijn.

Hoe België en de Belgische economie verder laten meepraten op de wereldmarkt?

In alle buurlanden wordt thans een regeringsmeerderheid gevormd die een liberaal-economisch beleid voeren. In het Verenigd Koninkrijk komt dat (nog wel onder een Labour-regering) het sterkst tot uiting. Maar ook in Frankrijk wordt gesleuteld aan het zwaar deficitaire sociale zekerheidsstelsel, teneinde de overheidsfinanciën er weer bovenop te helpen. In Nederland heeft de regering Balkenende de genereuze sociale uitkeringen zwaar teruggeschroefd, en binnen twee maanden komt in Duitsland de christen-democratische Kanselier Angela Merkel met een zwaar besparingsprogramma in de sociale zekerheid, dat het ingeslapen Duitse volk tot wat meer activiteit zal aanporren.

Alleen in België blijven de broodnodige hervormingen geheel achterwege, en blijven de uitgaven voor de ziekteverzekering en sociale zekerheid exponentieel stijgen. De regering Verhofstadt staat erbij en kijkt ernaar, met hooguit wat morrelen aan de marge en beloften voor de zoveelste ronkende verklaring in oktober 2005, die eens te meer een fata morgana zal blijken.

De toestand is zo ernstig dat zowel Stevaert als Vande Lanotte, de twee socialistische leiders, het zinkende federale schip hebben verlaten, en voor een veiliger loopbaan elders hebben geopteerd.

Nochtans liggen de remedies voor de hand, en weten zowel patronaat als vakbonden dat er geen weg meer naast is. Het moet goedkoper worden om hier werknemers tewerk te stellen, en die werknemers zullen voortaan bereid moeten zijn om op onregelmatige uren te werken, niet langer dezelfde bescherming te genieten, en niet langer op kosten van de gemeenschap jarenlang of inactief te blijven, of met vakantie te gaan.

Na de afzetmarkt is nu ook de arbeidsmarkt is een wereldmarkt geworden. Men koopt arbeidskrachten waar ze het meest efficiënt zijn tegen de laagste prijs, en op dat vlak is België (ook Vlaanderen) van geen kanten meer concurrentieel.

Geen enkele vakbond kan daar ook maar iets aan veranderen.

Ook de mythe van de onnavolgbare Belgische productiviteit is nu ook al wel doorprikt. Als men – vooral in Vlaanderen - de gemiddeld kortste loopbanen van de hele EU vindt, dan maakt het niet uit of men harder werkt dan anderen tijdens de urn dat men de facto aan het werk is.

Elders werkt men wekelijks én jaarlijks meer uren, neemt men veel minder vakantie, telt de loopbaan veel meer jaren – en bedraagt de loonkost slechts een fractie van hier in Vlaanderen.

In een land als India, met meer dan een miljard inwoners, bedragen de lonen zowat een tiende van wat men in België betaalt. De ingenieurs en andere universitairen zijn er op Britse leest geschoeid, en beheersen perfect het Engels. Hun IT-experts leveren superieure kwaliteit af, en zelfs Reuters werkt nu met Indiase journalisten, in plaats van met de duurdere Londense editors. Daar kan je als Vlaming niet veel tegen inbrengen, en dus moeten de achterhoedegevechten tussen de sociale partners hier ophouden.

De nationale luchthaven stilleggen omwille van het ontslag van een ogenschijnlijk sociopathische vakbonds-werkvrouw grenst aan het criminele (en is dan ook door de rechtbank verboden).

Maar voor een beter investeringsklimaat moet er in Vlaanderen ook prioritair iets gebeuren aan de mobiliteit: nieuwe wegen, binnenvaart, spoorwegen, en een stedelijk en interstedelijk openbaar snelvervoer die naam waardig – zoals in Parijs en omliggende.

Ten derde moet het investeringsklimaat zélf verbeteren, en moeten kandiaaat-investeerders professioneel en gastvrij ontvangen worden. De “Agences régionales de développement” in Frankrijk zijn schoolvoorbeelden over de manier waarop prospecterende investeerders onthaald, begeleid en aangemoedigd worden – geheel gratis. Dit staat in schril contrast met de afwijzende en non-coöperatieve houding die de Belgische overheid doorgaans aanneemt wanneer kandidaat-investeerders zich aanbieden.

Onze maatschappij moet opnieuw haar 19-eeuwse liberale roots van burgelijke vrijheden terugvinden.

Het is een van de ridicule paradoxen van onze hedendaagse Belgische samenleving dat de vrije meningsuiting en de persvrijheid aan banden worden gelegd in naam van de verdraagzaamheid.

Omdat men de zgn. rechten (op welke basis?) van zelfs de meest marginale minderheden heet te beschermen, wordt meer en meer de modale burger het recht ontzegd om op een beschaafde manier zijn mening te uiten, of zijn al dan niet conservatieve maatschappijvisie te uiten.

De geschiedenis leert dat elke samenleving die de vrije meninsguiting of de democratie onderdrukt een minderwaardige ideologie vertegenwoordigt, die zich slechts mits autoritair optreden tegen de vrije burgers kan handhaven.

Het droeve in dit geval is dat de repressie van de vrije meningsuiting in België haar hoogtepunt kent onder door liberalen geleide regeringen.

De electorale sanctie is niet uitgebleven: meer en meer keert de burger zich af van de VLD, ook en vooral omwille van het feit dat deze laatste stelselmatig liberale basisbeginselen zoals de vrije meningsuiting met de voeten treedt.

Welke rol voor Nova Civitas?

Zoals door Voorzitter Boudewijn Bouckaert in een recent interview met “Tertio” aangestipt, kunnen de bovengenoemde, onontbeerlijke maatregelen om België en Vlaanderen van een rampzalige toekomst te vrijwaren er slechts doorgedrukt worden wanneer er in dit land een grotere polarisatie van de politieke krachten tot stand komt.

Bouckaert heeft erop gewezen dat een snellere besluitvorming en fundamentele veranderingen er hier slechts kunnen worden doorgedrukt via een bipartij-stelsel, zoals dat duidelijk in het Verenigd Koninkrijk en de VS, maar tevens in onze buurlanden Frankrijk en Duitsland bestaat (in Duitsland vormt de alleenstaande FDP slechts de aanhangwagen van de partij die aan de macht is).

Gezien de bestaande liberale onderstroom in Vlaanderen heeft Bouckaert gelijk wanneer hij stelt dat het de liberale partij is die de aanzet tot deze concentratie van liberale en conservatieve krachten moet geven.

In Vlaanderen bestaat zeer duidelijk een meerderheid aan die kant. Welke mandatarissen van welke parijen van een dergelijke liberaal-conservatie partij moeten deel uitmaken, is op dit ogenblik een academische vraag. Wat wel belangrijk is dat die partij (in tegenstelling met de VLD van vandaag) opnieuw de liberale idealen van de vrije markteconomie, de ware gewetensvrijheid en vooral de vrije meningsuiting, zowel binnen als buiten de partij, hoog in haar vaandel moet dragen.

Nova Civitas kan een belangrijke intellectuele en inhoudelijke inbreng leveren om dit project verder uit te werken.

En dan zijn we vertrokken voor een complete hervorming van deze maatschappij, en van dit staatsbestel.

En het is toch dàt wat wij als liberalen willen?

R. De Ceuster
22/07/05

Posted by NovaCivitas at 05:58 pm | Comments (1) | Druk deze pagina

21 juli 2005

Waarom de Belgen 21 juli met gemengde gevoelens vieren

mon_his_leopold_I_high.jpg Vuurwerk, een dansfeest, een brief waar één dag geen postzegel op hoeft, plus wat klassiekers zoals een militair defilé, een toespraak van de koning en eventueel een regenbui. Ziedaar de Belgische nationale feestdag. Of mag het na 175 jaar toch iets meer zijn?

HET zou kunnen, zo schreef de befaamde Britse historicus Eric Hobsbawm in 1994 in zijn bestseller Een eeuw van uitersten , dat België ,,over tien of vijftien jaar" ophoudt te bestaan.

Hobsbawm voorspelde de crash dus ergens tussen 2004 en 2009. Als hij gelijk heeft, verkeert België al in blessuretijd.

Daar is weinig verrassends aan. Velen achten het einde van België als staat theoretisch wel degelijk denkbaar. De negentiende-eeuwse natiestaat heeft in tijden van globalisering hoe dan ook niet het eeuwige leven.

België schijnt nog iets meer terminaal als gevolg van zijn communautaire verdeeldheid. Het kan, zie Joegoslavië of Tsjecho-Slowakije.

Wie denkt dat België slechts met spuug en paktouw bijeengehouden wordt, zag zich dit voorjaar in die mening ook gesterkt. België was altijd een verdeeld land, dat zijn samenhang putte uit een intens en aanhoudend overleg, waarbij elk conflict kon worden opgelost in een compromis. Dat leidde dan tot consensus en harmonie - voor zolang het duurde.

Dit voorjaar bleek voor het eerst een consensus onmogelijk, met Brussel-Halle-Vilvoorde. Het was (en is) een dossier dat op last van de rechter een oplossing behoeft.

Maar al betekent het verder niet veel in het dagelijkse leven, als gevolg van electorale berekening gaven de partijen (en de media) het de hoogst denkbare symboolwaarde. Zo schoot het op de politieke agenda met stip van plaats 177 tot nummer één.

Overigens was het wellicht net die symbolische uitvergroting die het compromis uitsloot. Zij presenteerde de zaak voor het publiek als een boksmatch - en perceptie is alles, zoals bekend. Zo'n dispuut kon onmogelijk eindigen in (om een modieuze term te gebruiken) een win-winsituatie. De match werd dus maar uitgesteld. Al was alleen dat laatste voor sommige Franstaligen al genoeg om een 1-0-overwinning op te eisen - een tamelijk kinderachtige manier van politiek bedrijven.

Zo komt een verbijsterende paradox aan het licht. Enerzijds bewijst B-H-V dat het raderwerk van het Belgische systeem is gestokt, zonder enig uitzicht op een oplossing. Anderzijds viert datzelfde systeem dezer dagen, alsof er niets aan de hand is, zijn 175ste verjaardag, met als hoogtepunt de nationale feestdag van morgen, 21 juli. Zoveel schizofrenie is intellectueel onhoudbaar.

Tegelijk manifesteert zich een misschien nog grotere paradox: slechts weinigen schijnen die paradox ook echt als paradoxaal te ervaren. Al hoeft dat niet meteen te verbazen. Het brede publiek beschouwde B-H-V ook in het heetst van de (retorische) strijd al niet als een politieke halszaak.

Vandaag lijkt de affaire zelfs grotendeels vergeten. En als de gemeente Heuvelland de nationale driekleur morgen vanwege B-H-V halfstok wil hangen, hoeft de West-Vlaamse provinciegouverneur Paul Breyne maar een onnozel bevlaggingsreglement boven te halen om dat te voorkomen. Dura lex.

Structuren en instituties kenmerken zich onder andere door een grote inertie. Wie het wil proberen, krijgt het niet gemakkelijk om de bijl in België te zetten. Langzaam uit elkaar rafelen met een alsmaar opschuivende federalisering is al iets simpeler. Een kikker springt ook niet uit een emmer langzaam aan de kook gebracht water. Is dat de agenda?

Belgische lasagne

Het zou natuurlijk erg pover zijn als alleen inertie België bijeenhoudt. Maar misschien overschat het brede Wetstraatmilieu toch het gewicht van de communautaire verdeeldheid. Een grote meerderheid van de Belgen blijft gehecht aan de nationale, federale eenheid, misschien alleen uit conservatisme, al is ook dat legitiem.

Belgen schrijven zichzelf een identiteit toe die eruitziet als een lasagne, bestaande uit meerdere lagen. Die beschouwt een gelijktijdige gehechtheid aan de diverse bestuurslagen, van het plaatselijke tot het Europese, niet als tegenstrijdig, zoals de lokaal-nationalisten doen, maar als aanvullend.

Meer zelfs, amper vijf procent van de Belgen zoekt, volgens het waardeonderzoek Verloren zekerheid (2001), zijn sociale identiteit spontaan in een territoriale of geopolitieke entiteit. De anderen identificeren zich veel meer met familie, vrienden, werkomgeving of het middenveld.

Een politieke hypercommunautarisering dreigt zelfs de blik op de politieke feiten te vertroebelen. Vandaag wil Vlaanderen PS-voorzitter Elio Di Rupo graag demoniseren tot een symbool van een haast occulte Waalse dreiging die het Belgische staatsverband onleefbaar zou maken.

Al vallen de vooral lokale machtsbastions van de PS in Wallonië niet te onderschatten, toch is het goed om te beseffen dat een ruime meerderheid (63 procent) van de Walen niét voor die partij stemt - en dat die ook een geldige gesprekspartner is. En als met Di Rupo nu weer een strijdpunt opduikt rond het eindeloopbaandebat, dan gaat dat in de eerste plaats om een ideologische discussie, niet om een Vlaams-Waals dispuut.

Want België was en is niet alleen communautair verdeeld, maar ook economisch, sociaal en ideologisch. Vandaar het succes van de consensuscultuur: de Belgische elites hebben er veel ervaring mee omdat ze er altijd hard op geoefend hebben. De conflicten tussen conservatieven en progressieven, katholieken en vrijzinnigen of werknemers en werkgevers hebben nooit iemand verleid om een oplossing te zoeken in een opsplitsing van het land. (Al werd dat toch even geprobeerd met de verzuiling, die katholieken en socialisten van wieg tot graf een eigen, van de anderen afgezonderde leefwereld bezorgde.)

Dat de communautaire breuklijn de staat wel bedreigt, komt doordat ze, anders dan de andere breuklijnen, territoriaal goed af te bakenen is. Op het onmogelijk als een detail te beschouwen Brussel na. Het is bekend: naties of 'volkeren' zijn het product van territoria en grenzen. Zoals van in de zeventiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden een Belgische natie groeide, zo heeft de groei van gemeenschappen en gewesten, via de staatshervorming, die natie in steeds zelfbewustere subnaties opgedeeld.

Politieke wil

De communautaire splijtzwam in het nationale huishouden bestaat al zo lang als België zelf: van in de vroege negentiende eeuw, toen Wallonië een krachtige industrie ontwikkelde en Vlaanderen lang een armoedig landbouwgewest bleef. Dat verschil creëert verschillende types samenlevingen, mentaliteiten en, in de brede zin, culturen, waarin nogal wat breuklijnen min of meer samenvallen.

En daardoor verdampte gaandeweg ook de sociologische realiteit achter het Belgische feit. België kent geen collectieve communicatie meer - de deelgebieden spreken ook letterlijk elkaars taal niet - waardoor de publieke opinie verbrokkelde. Ook de elitaire consensus verdween. De oude, overwegend francofone staatsdragende elite verloor als gevolg van de democratisering en van de Vlaamse economische groei al van in de vroege twintigste eeuw haar macht en bestaansrecht.

Als België als staat nog kan bestaan, hangt dat alleen af van de zuivere politieke wil om de federatie te laten functioneren. Het B-H-V-fiasco bewees dat die wil aan beide kanten van de taalgrens niet onbeperkt is. De Franstalige politieke leiders moeten zich daarbij geen illusies maken. De federale politici onder hen, die nog altijd niet vatten dat hun onwil om Nederlands te spreken een belediging voor de Belgische meerderheid is, getuigen van evenveel federale onwil als de even minoritaire als mondige Vlaamse separatisten, die nu al graag brevetten van goed Vlamingschap uitdelen.

De limieten van de politieke wil waren vóór B-H-V al nauw. Zo is het alleen om principiële en zelfs dogmatische redenen kennelijk ondenkbaar om een nationale kieskring te organiseren of om gefederaliseerde bevoegdheden - zoals de normen over vliegtuigherrie - in naam van het efficiënte, goede bestuur weer aan het federale niveau toe te wijzen.

Weg met de staat

Ziet de modale Belg er geen graten in om ook een goede patriot te zijn, de federale politieke wil krijgt toch weinig steun bij de brede bevolking. Die liet zich maar zelden verleiden tot enig Belgisch nationalisme. En dat laatste is niet te verwarren met oppervlakkigheden als de dametjesopwinding rond de koninklijke familie of de heertjeshysterie wanneer de Rode Duivels nog eens niet al te fel verliezen.

De staat kende in België hoe dan ook nooit een grote aanhang. Historisch hebben katholieken hem altijd verketterd als een beknotting van hun vrijheid. Vandaar dat het adjectief 'vrij' voor katholieke zuilinstellingen betekent: vrij van staatsinmenging. Liberalen vonden de staat altijd een noodzakelijk kwaad. Socialisten zagen er lang alleen een burgerlijk repressieapparaat in.

Wie het federale België een goed hart beweert toe te dragen, moet dan ook in het hele land kunnen uitleggen waarom geen enkele van de deelstaten wat te winnen heeft bij het verdwijnen van de federatie - en dat dat ook een inspanning vraagt.

Dat organiseren vergt enige verbeelding. Want hoe sympathiek het vuurwerk van morgen of hoe hartverwarmend een initiatief als 'België danst' ook is, voor zulke evenementen is geen 175 jaar België of een nationale feestdag nodig. Er is elk jaar al vier dagen Werchter en meer dan een week lang Gentse Feesten.

Als een nationale feestdag als 21 juli als ritueel echt zin wil hebben, moet hij niet zozeer de staat en zijn instellingen celebreren, maar wel het burgerschap. Dat veronderstelt een erkenning van de diversiteit: iedereen duidelijk maken dat hij of zij wel degelijk meetelt en erbij hoort. Ook, tussen haakjes, de allochtone bevolking. Dat kan een federale politieke wil een solide basis verschaffen.

Aan het eind van de negentiende eeuw maakte de toenmalige burgerlijke elite van 21 juli de nieuwe nationale feestdag. Ze vond de tot dan toe gehouden volksfeesten ter herdenking van de septemberdagen van 1830 namelijk te proleterig en beneden haar waardigheid. Het wordt tijd dat de Belgen hun feestdag heroveren.


Marc REYNEBEAU
Bron : De Standaard, 20 juli 2005.

Posted by NovaCivitas at 07:45 pm | Comments (1) | Druk deze pagina

20 juli 2005

Belgische pensioenen laagste van Europa

pensioen3.jpg Nergens in Europa is het verschil tussen het laatste nettoloon en het pensioen groter dan in ons land. Dat blijkt uit het Strategisch Rapport Pensioenen 2005. Volgens minister van Pensioenen Bruno Tobback (SP.A) tonen deze cijfers aan dat de Belgische pensioenen niet omlaag, maar omhoog moeten.

Einde 2001 spraken de Europese leiders af om de drie jaar een Strategisch Rapport op te stellen waarin de toestand van de pensioenen onder de loep wordt genomen. Bedoeling is te vergelijken waar de sterke en zwakke punten van elk systeem liggen. Het tweede rapport, voor de periode 2002-2005, is klaar. De cijfers leveren enkele opmerkelijke vaststellingen op.

Hoewel ons land een bevolking heeft die ouder is dan het EU-gemiddelde, geven we minder uit aan pensioenen. Werknemers die met pensioen gaan, houden gemiddeld netto 66,1 procent van hun laatste loon over. Om dat cijfer te berekenen werd rekening gehouden met de zogenaamde eerste en tweede pijler, dat zijn respectievelijk het wettelijk pensioen en het aanvullend pensioen op bedrijfsniveau. In de cijfers is geen rekening gehouden met individuele pensioenplannen of levensverzekeringen.

In de praktijk ligt het pensioen meestal nog een stuk lager, want bij de berekeningen werd uitgegaan van een mannelijke werknemer die met pensioen gaat op 65-jarige leeftijd en 40 jaar voltijds heeft gewerkt. Dat is in ons land eerder de uitzondering dan de regel.

De andere Europese landen doen het een stuk beter. Een vergelijkbare werknemer die in Luxemburg met pensioen gaat, houdt 97,2 procent van zijn laatste loon over. In Nederland is dat 89 procent, in het Verenigd Koninkrijk 81,9 procent en in Frankrijk 78,8 procent.

,,Ik krijg vaak het verwijt dat wij in vergelijking met onze buurlanden niet drastisch genoeg willen ingrijpen in de pensioenen'', stelt Tobback. ,,Het is bijzonder kortzichtig om te verwijzen naar Duitsland of Nederland waar wel in de pensioenen wordt gesabeld. Zij hebben een pak meer redenen om de pensioenuitgaven te beperken. Op dit ogenblik zijn wij immers veel zuiniger dan onze buurlanden. Zeggen dat we moeten besparen in de pensioenen om ze betaalbaar te houden, is dus redelijk absurd.''

België heeft nooit een heel royaal pensioenstelsel gehad, merkt de SP.A-minister op. ,,Als er bij ons iets moet gebeuren tussen nu en 2030 is het niet minder, maar meer uitgeven aan pensioenen. Het wettelijk pensioen moeten we proberen stabiel te houden. Er zullen bijvoorbeeld geregeld welvaartsaanpassingen moeten gebeuren. Maar de inhaaloperatie zal vooral van de aanvullende pensioenen op bedrijfsniveau moeten komen.''

In het Verenigd Koninkrijk is die tweede pensioenpijler goed voor de helft van het laatste brutoloon, in Nederland 37,4 procent. Bij ons is de tweede pijler slechts goed voor 3,5 procent van het laatste brutoloon. Tegen 2010 moet dat 6,1 procent zijn. Daarna moet het nog eens verdubbelen om tegen 2030 12,2 procent te bereiken.

,,Het probleem is dat slechts de helft van de werknemers in de privé-sector een aanvullend pensioen op bedrijfsniveau heeft. Als we willen dat het totale pensioen tegen 2030 gemiddeld 77 procent bedraagt van het laatste nettoloon, moeten er veel meer werknemers van zo'n extra-legaal pensioen kunnen genieten.''

,,Het grote probleem is vandaag niet de betaalbaarheid van de pensioenen, maar het eindeloopbaandebat. In de plaats van de pensioenen te laten zakken omdat de mensen niet lang genoeg werken, moeten we de mensen langer laten werken zodat we de pensioenen optrekken.''

De gesprekken over het loopbaaneinde liggen voorlopig stil. Dat is volgens Tobback geen probleem. ,,In september zullen we knopen doorhakken.''


Auteur : Steven Samyn

Bron : De Standaard, 20/07/2005

Posted by NovaCivitas at 12:55 pm | Comments (1) | Druk deze pagina

19 juli 2005

VLD-top wil J.M. Dedecker "neutraliseren"

dedecker.jpg Bij de VLD-top groeit de irritatie over senator Jean-Marie Dedecker (foto). Er gaan steeds meer stemmen op om de populaire dwarsligger te ,,neutraliseren''. Alleen weet niemand hoe dat precies moet gebeuren.

Je kan geen politieke analyse lezen of er wordt benadrukt hoe belangrijk het najaar wordt voor de paarse regering-Verhofstadt II. De premier zal alles uit de kast moeten halen om zijn ploeg van liberalen en socialisten op de sporen te houden. Voor de VLD, die ondermaats blijft scoren in de peilingen, is de inzet zo mogelijk nog groter. Interne dissidenties kunnen de liberalen missen als kiespijn. Dat werd kleine garnalen als Patricia De Waele en Boudewijn Bouckaert de voorbije maanden duidelijk gemaakt. De grootste dissident - gewezen judocoach Jean-Marie Dedecker - blijft (voorlopig) buiten schot.

Dedecker verstaat de kunst om op cruciale momenten wat gas terug te nemen om even later weer in de aanval te gaan. Twee weken geleden bevestigde hij op Terzake bijvoorbeeld dat hij zich aan het spreekverbod voor VLD'ers houdt. In één adem voegde hij er echter aan toe dat als de peilingen in het najaar niet beter zijn voor de VLD, hij dat zal beschouwen als een mislukking van de strategie van de partijleiding.

Zijn populariteit lijdt er in elk geval niet onder. Sinds Dedecker eind 2004 ruim 38 procent van de stemmen haalde bij de VLD-voorzittersverkiezingen gaat die alleen maar in stijgende lijn. In de Stemmenkampioen van Het Laatste Nieuws kwam hij gisteren naar voor als populairste Vlaamse politicus. Populairder dan pakweg minister van Werk Freya Van den Bossche (SP.A), Vlaams minister-president Yves Leterme (CD&V) of premier Guy Verhofstadt (VLD). Ter vergelijking: VLD-voorzitter Bart Somers strandt op de 63ste plaats.

Het was lang geleden dat de Vlaamse liberalen nog eens ergens op één stonden in een peiling. Toch leidde het nieuws niet tot vreugdetaferelen in het VLD-hoofdkwartier. Integendeel, de VLD-top heeft een heilige schrik dat Dedecker als stoorzender het moeilijke regeringswerk doorkruist. Men verwijt hem de liberale toegevingen steevast extra in de verf te zetten en overwinningen te minimaliseren.

Ook in Oostende krijgen heel wat VLD'ers het op hun heupen. Na 12 jaar oppositie is de honger om de stad opnieuw mee te besturen vrij groot. De uithalen naar vice-premier Johan Vande Lanotte, de sterke man in Oostende, beginnen de SP.A stilaan zwaar te irriteren. Niet alleen in de kuststad, ook in de Wetstraat zijn er steeds meer socialisten die in Dedecker het gedroomde excuus zien om de VLD te tackelen.

De man moet ,,geneutraliseerd'' worden, klinkt het tegenwoordig in de hogere VLD-regionen. Kamervoorzitter Herman De Croo merkte vorige week in Humo terloops op dat rechts niet thuishoort in zijn partij ,,Ik denk dat de echte liberalen bij de VLD zullen blijven en dat de rest zal weggaan. Ik zou niet kwaad worden als dat zou gebeuren.'' De kans dat Dedecker spontaan de VLD verlaat, is echter vrij klein.

De vraag van één miljoen is natuurlijk hoe Dedecker dan wel kan ,,geneutraliseerd'' worden. De normale uitweg om dissidente partijgenoten in de pas te laten lopen, is een postje.

Ontevreden VLD'ers als Pierre Chevalier of Louis Bril kregen de voorbije jaren een speciale opdracht. Al dan niet met een royale kostenvergoeding of chauffeur. Zelfs het gewezen groene boegbeeld Jos Gysels werd door minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht (VLD) aangesteld tot ,,speciaal ambassadeur voor de wederopbouw van landen die zijn getroffen door conflicten''.

Stel dat de senator te paaien zou zijn met zo'n functie. Dan nog is de kans dat De Gucht iets voor Dedecker vindt, vrij klein. Daarvoor is de persoonlijke afkeer tussen de twee te groot.

Dedecker ziet het waarschijnlijk ook groter, een ministerportefeuille bijvoorbeeld. Dan komt het departement Economie, beheerd door Marc Verwilghen, in zicht. Die laatste kijkt al langer uit naar een internationale functie.

Hoewel Verwilghen ook niet gesmaakt wordt door de VLD-top, lijkt een plaatsje voor Dedecker in de regering uitgesloten. Er vallen gewoon geen afspraken te maken met de man, luidt het, en coalitiepartners zouden het binnen de kortste keren op hun heupen krijgen.

Het alternatief: Dedecker uit de VLD gooien. Op die manier is de partijtop in een klap van alle problemen verlost. Maar of de Vlaamse liberalen dat overleven, is twijfelachtig.

Auteur : Steven Samyn
Bron : De Standaard, 19-07-2005.


Posted by NovaCivitas at 09:08 am | Comments (1) | Druk deze pagina

18 juli 2005

Zweten in de herfst ?

carl-devos.jpg Het parlementaire jaar zit er helemaal op. Tijd voor de politici om hun batterijen op te laden. En dat zal nodig zijn. Want het wordt op zijn minst een zwoele herfst. De Gentse politoloog Carl Devos (foto) blikt vooruit. ,,Vervroegde verkiezingen zijn een realistisch scenario. Maar ook een waarschijnlijk?''

Toppolitici moeten de komende maanden bovenmenselijke prestaties leveren. Zoals de coloratuursopraan Astrifiammante in Die Zauberflöte . Het najaar wordt met Zaventem, de begroting 2006, de financiering van de sociale zekerheid en het (einde)loopbaandebat bijzonder spannend. De inzet is hoog, de kans op falen even groot. Verhofstadt II is na eerdere mislukkingen gewond, de omgeving kritisch en nerveus. Gelukkig zorgt de Nationale Arbeidsraad (NAR) voor nuchtere uitgangspunten. De sociale zekerheid is niet duurder dan vroeger, al is de overheidstussenkomst relatief gedaald. Dus kwam er meer druk op loonlasten en vervangingsinkomens. Niet de (brug)pensioenen zijn het grootste probleem, wel de uitgavenstijgingen in de gezondheidszorg. Kortom, er zijn geen onoverkomelijke problemen. Maar discussies over de financiering van en uitgaven in de sociale zekerheid raken de fundamenten van ons sociaal model. Ze verdelen ook paars ideologisch en communautair.

Dus sluimeren vervroegde verkiezingen op de achtergrond. Volgens sommigen zijn ze onvermijdelijk. Ze zien in al wat gebeurt onmiskenbare voortekens. Elke beweging wordt zo een zet op het verkiezingsschaakbord. Hoewel er nooit een consensus zal volgen op de vraag of de federale regering in zijn opdracht geslaagd is, zijn vervroegde verkiezingen inderdaad een realistisch scenario. Ook een waarschijnlijk?

Een regering valt als de top van meerderheidspartijen dat toelaat. Het ontslag op 11 oktober 1978 van Tindemans naar aanleiding van het Egmontpact was een uitzondering op die regel. En dus de laatste regering die de 'onbetrouwbare' Tindemans zou leiden. Beleidsprestaties, vooral de perceptie ervan, beïnvloeden de legitimiteit van de bewindsploeg en dus de regeringsduur. Maar het aanblijven van een regering hangt niet alleen af van de mate waarin ze problemen oplost. Ook electorale afwegingen spelen een rol. Samen met de pers kleurt ook de oppositie het klimaat rond het voortbestaan van een regering. Stel dat het regeringswerk tegenvalt. Wie heeft dan belang bij vervroegde verkiezingen?

Voor Groen!, dat sinds 18 mei 2003 federaal niet meer bestaat, komen vervroegde verkiezingen ongelegen. Groen! is niet klaar voor verkiezingen, de partij staat er gewoon (nog) niet. In deze toestand een verkiezingsstrijd aangaan doet de partij meer kwaad dan goed. Want als ze opnieuw onder de lat gaat, is een kartel of de terugkeer naar een sociale beweging onvermijdelijk. Zelfs met een zeteltje hier en daar blijft de partij dan irrelevant.

Simpel is ook de positie van het Vlaams Belang. 13 juni 2004 leerde dat interne twisten of misstappen de partij niet zwaar aangerekend worden. Bovendien spint het Belang garen bij de zurigheid die een regeringsval veroorzaakt. Het onvermogen om door onderling geruzie grote uitdagingen overtuigend aan te pakken zal de antipolitiek voeden die het Vlaams Belang versterkt. Bovendien ligt B-H-V nog vers in het geheugen. Het Belang was niet de enige die de Walen verantwoordelijk achtte voor het blokkeren van een 'rechtmatige Vlaamse eis'. In de verkiezingscampagne volgt zeker een communautair opbod, niemand prijst het Vlaams Belang daar uit de markt.

De VLD heeft niets aan vervroegde verkiezingen. Dat weet het kleinste kind. Beter doen dan 18 mei 2003 is onmogelijk. Ondanks alle reserves die peilingen verdienen, behoort een diepe electorale val tot ieders verwachting. De VLD beleeft donkere dagen, weet dat oppositie wenkt. En hoewel een oppositiekuur de getormenteerde partij deugd kan doen, zit binnen de partij, de kabinetten en het parlement veel volk dat evenveel te verliezen heeft. Zelfs een generatie kan eraan geloven.

Het regeringswerk van de VLD levert misschien niet altijd veel winst op, maar dat betekent nog niet dat de partijtop naar de afgrond wil. De partij heeft meer te winnen bij een geslaagd najaarsoffensief. Ze speelt met de thema's die aan bod zullen komen een thuismatch, heeft terzake onderbouwde visies die door de hele partij gedragen worden en kan met een eerbaar compromis vooralsnog staatsmanschap bewijzen. Sommigen dromen er misschien in stilte van om met harde standpunten een regeringsval te veroorzaken om zo met een nieuwe generatie van zuivere liberalen de kiezer te overtuigen. In 1995 is al gebleken dat de VLD dan wel eens onder de eigen verwachtingen kan blijven.

Of SP.A/Spirit veel voordeel uit nieuwe verkiezingen kan halen valt nog te bezien. Winst ten opzichte van 13 juni 2004 is mogelijk, maar dat maakt het nu nog geen uitgelezen moment voor verkiezingen. Die komen in het najaar gewoon te vroeg. Zelfs een partij als de SP.A kan het verlies van Stevaert, van zijn inzicht en stemmen onmogelijk in enkele maanden goedmaken. De specialist toegepaste ideologie wordt gemist. Ook organisatorisch moet de partij het vertrek van God verwerken. De SP.A is vandaag kwetsbaar. Nieuwe talenten zijn niet klaar voor de strijd in de frontlinie. Voor Vande Lanotte komt de electorale vuurdoop als voorzitter te vroeg. Bij mislukking is hij verbrand, nog voor de inkt van zijn intentieverklaring goed droog is. Bovendien zit de partij midden in een grondige en cruciale ideologische denkoefening.

En CD&V/N-VA? Eindelijk terug in de Wetstraat 16, voor het eerst sinds 1999? Naast veel goesting zit in de partij ook ambitieus volk en wijze ervaring opgestapeld, klaar om de staat te runnen. De oppositie heeft dan wel niet indrukwekkend veel duidelijke CD&V-alternatieven opgeleverd voor het paarse regeerwerk, toch jeuken de handen. Peilingen geven winst aan tegenover 18 mei 2003. Dus dromen velen in stilte van nieuwe verkiezingen. Maar, met wie op kop?

Leterme is de enige spits. De rest is ongeschikt, te oud of te jong. Kan Leterme Dewael achterna, vaandelvlucht plegen en naar de federale regering 'overlopen'? Eén minuut is voldoende om in krantenarchieven messcherpe uithalen van CD&V'ers te vinden die ze in de aanloop van de verkiezingen van 2003 naar Dewael en de VLD afvuurden. Hoe kan Leterme, de man van het gegeven woord die verantwoordelijk zijn opdracht uitvoert, dat 'Vlaamse verraad' goedpraten? Bovendien zou na het mislukken van Verhofstadt II de CD&V na een gepolariseerde campagne meteen zelf moeilijke beslissingen moeten nemen, in dossiers die de eigen beweging verdelen. Er zijn leukere manieren om een regering te beginnen. Toch maar wachten tot de einddatum van de federale regering in 2007? De overstap van Leterme zal altijd vervelend zijn, misschien is dat na drie jaar Vlaams bestuur iets minder pijnlijk en makkelijker te verdedigen.

Ook over het communautaire muurtje liggen de kaarten moeilijk. Voor de MR dreigt na verkiezingen de oppositie, want de PS heeft die partij eerder al uit de regionale regeringen gezet. Als het kan, zal de PS met het CDH verder regeren, die weer in betere vorm is. Toch kan de MR profiteren van de onheilsberichten over de Waalse economie en welvaart, al gaat de grootste winst wellicht naar het Front National. Wallonië lijkt op weg naar een zwarte zondag. Dat is een blamage voor de PS, die de laatste tijd in mindere doen is. Steeds meer Walen onderschrijven 'Vlaamse' analyses over Wallonië, zelfs Di Rupo gaf ze via zijn Marshallplan stilletjes toe. Dat zal vooral de PS aangewreven worden. Bovendien heeft Di Rupo, onder meer na de affaire Arena, nog intern herstelwerk te doen. Hij heeft ook tijd nodig voor het voorbereidende massagewerk voor de nakende staatshervorming.

En de burger? Na verkiezingen staan loodzware, verlammende communautaire onderhandelingen op het menu, in een zeer gespannen sfeer. De volgende staatshervorming kondigt zich nu al aan als 'een der meest definitieve'. Die onderhandelingen komen bovenop onopgeloste sociaal-economische en budgettaire dossiers die tot de verkiezingen geleid hebben en die na een polariserende campagne vol stoere verklaringen verhit zijn. De regeringsvorming en dus oplossing van die problemen kan dan heel lang op zich laten wachten. Het land komt zo wellicht in een diepe politieke en institutionele crisis terecht.

Zelfs de kiezer is niet noodzakelijk beter af met vervroegde verkiezingen. Ze helpen dus niemand echt vooruit. DHL en B-H-V leerden dat Verhofstadt II het onvermogen om belangrijke dossiers op te lossen kan overleven. Maar dat is niet langer een optie. Amper zeven procent van de Vlamingen gelooft dat het wettelijk pensioen zal volstaan. Voor het eerst sinds 1997 is de vertrouwensindex van de VRIND gedaald, politieke instellingen verliezen de meeste pluimen. Dus moeten politici zichzelf overtreffen en zoals de Koningin van de Nacht in de aria ,, O zittre nicht, mein lieber Sohn '' onverschrokken op hun tenen staan.

Er is inderdaad geen alternatief voor een geslaagd najaarsoffensief. Wat dat ook moge zijn.

Carl Devos

Bron : De Standaard, 16-07-2005.



Posted by NovaCivitas at 08:40 am | Comments (0) | Druk deze pagina

17 juli 2005

"Het Vlaams belang is de voeling met de basis kwijt" : de dedesillusies van het conservatieve boegbeeld Paul Belien

belien.jpg ,,Wij mogen in België niet schrijven wat we denken. Bepaalde dingen mag je niet zeggen op straffe van een proces.’’ Volgens de journalist Paul Belien, een van de meest toonaangevende gezichten van het Vlaamse conservatisme, wordt de conservatieve grondstroom in Vlaanderen verstikt door de greep van de politiek op de media. En Vlaams Belang is volgens hem geen haar beter. ,,Het triumviraat dat bij Vlaams Belang de lakens uitdeelt, ziet niet in dat de ethisch conservatieven op het punt staan om af te haken.’’

Een spin in een conservatief netwerk? Paul Belien moet lachen om de omschrijving waarmee Humo hem onlangs heeft bedacht. Dat conservatieve netwerken per definitie in een slecht daglicht geplaatst worden, lijkt wel zijn stelling te bevestigen dat Vlaamse journalisten uitblinken als vooringenomen en onderdanige dienaars van hun politieke broodheren. Toch kan hij niet ontkennen dat zijn adressenboekje uitpuilt van de conservatieve contactpersonen — tot in het Vaticaan en het Witte Huis toe. Zijn echtgenote, Alexandra Colen, manifesteert zich binnen de partij Vlaams Belang al jaren als het boegbeeld van de ethisch conservatieve strekking.

Als journalist breekt Belien zich het hoofd over de vraag waarom het met de conservatieve pers in Vlaanderen maar niet wil lukken. Buiten randfenomenen als ’t Pallieterke, Nucleus, Doorbraak en zijn eigen blad Secessie beweegt er niets. ,,De druk om onderdanig te zijn aan het Belgische regime, is enorm toegenomen’’, zo kapittelde hij enkele weken geleden nog zijn ‘progressieve’ collega’s. Conservatieve en dus haast per definitie Vlaamsgezinde journalisten stevenen volgens hem op een regelrecht beroepsverbod af. Ook Belien zelf legt — sedert zijn ontslag op staande voet bij Gazet van Antwerpen, nu toch 15 jaar geleden — zijn ei alleen nog in buitenlandse publicaties.

,,Het is een paradox’’, zegt Belien. ,,Vlaanderen zou het Beieren aan de Noordzee zijn. Ik geloof ook werkelijk dat onze sociologische grondstroom conservatief is. Helaas, geen enkele partij speelt daarop in. Vlaanderen heeft ook geen conservatief dagblad. Je kunt dat positief bekijken: er is duidelijk een gat in de markt. Maar financiers die op onze golflengte zitten, zijn heel mercantiel geïnspireerd. Met een krant valt niet meteen veel geld te verdienen.’’

Het weekblad Punt hield het drie maanden uit.

(zucht) ,,In de jaren tachtig was er West Magazine, later kwam Topics. Allemaal mislukkingen. Punt was journalistiek gezien niet goed gemaakt. Het was niet scherp, niet uitdagend, niet spits. Kortom, het was een gemiste kans. De mislukking van Punt heeft ons tien jaar in de tijd teruggezet.’’

,,Ik geloof niet dat Vlaanderen te klein is voor zo’n blad. Als het goed gemaakt is, kun je ook niet-gelijkgezinden aanspreken. Ik droom van een Vlaamse versie van het Britse blad The Spectator. Een beetje zoals het Antwerpse blad ’t Pallieterke, waar ik elke week een column verzorg, maar dan wat meer uitgepuurd.’’

Het internet biedt dan een goedkope uitweg.

,,Inderdaad. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik voel me journalist, ik wil schrijven. Maar in Vlaanderen heb ik geen medium. Met de website www.brusselsjournal.com heb ik samen met enkele gelijkgezinden, allemaal mensen die in de traditionele media niet of nauwelijks aan bod komen, een eigen medium gecreëerd. Het gaat om een bundeling van rechtse pennen. Naast ikzelf doen onder meer Alexandra Colen (Vlaams Belang), Luc van Braekel (VLD, bekend van de weblog lvb.net, red.) en Jos Verhulst (Witte Beweging) mee. Ik hoop ook conservatieve academici als Boudewijn Bouckaert (VLD) en Matthias Storme (N-VA) aan boord te krijgen. Momenteel gaat het om vrijwilligerswerk. Wie weet verandert dat ooit.’’

,,Ik ben kritisch over de vaderlandse media. Dat heeft met mijn eigen ervaring te maken. Als journalist van Gazet van Antwerpen kon ik bepaalde ideeën niet kwijt in eigen land, laat staan in mijn eigen krant. Ik moest naar buitenlandse bladen uitwijken. De Gazet noemde zich een conservatieve krant, maar ik mocht niet schrijven dat politieke partijen tijdens de jaren tachtig op elke benoeming wogen. België is geen democratie, het is een corporatistisch systeem. De manier waarop mensen stemmen, verandert weinig aan de besluitvorming.’’

,,Mijn toenmalige hoofdredacteur, Lou De Clerck, die nota bene de woordvoerder van Wilfried Martens was geweest, werd door de CVP-top aangesproken op wat ik schreef in kranten als The Wall Street Journal of NRC Handelsblad. De primeurs voor de krant zouden zogezegd in het gedrang komen. Uiteindelijk moest ik voor elk stuk dat ik schreef toestemming vragen. Toen ik na de weigering van koning Boudewijn om de abortuswet te ondertekenen, toch mijn uitleg deed in The Wall Street Journal, werd ik op staande voet ontslagen.’’

Door uw engagement in de charismatische beweging wist u perfect wat Boudewijn van plan was.

,,Inderdaad, maar ik mocht het in Gazet van Antwerpen niet schrijven. De toenmalige premier, Wilfried Martens, wist het ook. Hij dacht dat de koning blufte. In elk geval wilde niemand een openlijk debat. En zoals zo dikwijls in Vlaanderen werd het probleem dan maar uitgesteld. Uiteindelijk vroeg The Wall Street Journal me naar de reden waarom niemand over die zaak schreef.’’

,,Ik wil me gerust houden aan de interne censuur op een redactie. Maar als een hoofdredacteur zich bemoeit met wat ik buiten mijn uren voor een buitenlands medium maak, dan heb ik ook als privé-persoon geen recht meer op een eigen mening. Mijn ontslag betekende het einde van mijn journalistieke carrière. Daarna raakte ik nergens meer aan de bak.’’