31 augustus 2005
Hayek : "Waarom ik geen conservatief ben"
Reeds lang waren we op zoek naar een Nederlandse vertaling van Hayek's "Why I am not a conservative". We prijzen ons zo gelukkig hem te hebben gevonden op de website van onze vrienden van het Libertarisch Centrum Nederland, waarvan wij op zeer regelmatige basis dingen overnemen… Iets dat trouwens over en weer gebeurt. De tekst die U vandaag te lezen krijgt is het nawoord dat Friedrich Hayek (foto) schreef bij zijn in 1960 verschenen boek "The Constitution of Liberty". Dit boek is tot op vandaag een meesterwerk in de klassiek-liberale literatuur… Er wordt verteld dat Margaret Thatcher bij het inleiden van haar eerste kabinetsvergadering het boek op tafel kwakte , haar ministers met de gekende scherpte aankeek en zei : "Gentlemen, THIS is what we believe in".
Veel conservatieven voelen zich samen met de liberalen thuis in Nova Civitas, of vinden toch dat zij er geestesverwanten vinden. In de tekst van Hayek wordt nochtans het onderscheid tussen beiden met autoriteit in de verf gezet. Het is naar de mening van de webmaster ook een goed pleidooi voor al die redenen waarom boven het conservatisme toch het liberalisme te verkiezen is.
Ga vanavond niet slapen zonder de hiernavolgende passages te lezen. Laat ze tot U doordringen. Denk erover na. Stel U vragen over Uzelf en wat er rond U gebeurt. En, zelfs als U niet helemaal akkoord bent met Hayek… leer iets bij.
1. In tijden waarin de meeste Progressief geachte bewegingen steeds verdere inbreuken op de persoonlijke vrijheid bepleiten, is het heel waarschijnlijk dat degenen die de vrijheid in het hart bewaren hun energie verbruiken in de oppositie. Hier vinden zij zichzelf aanzienlijke tijd aan dezelfde kant als dezen die gewoonlijk weerstand bieden aan verandering. In termen van de actuele politiek vandaag hebben ze in het algemeen geen andere keuze dan de Conservatieve partijen te steunen. Maar, hoewel het (Liberale nvdr) standpunt die ik heb proberen te definiëren als “Conservatief” wordt omschreven, is ze heel verschillend van deze waaraan deze benaming traditioneel gegeven wordt. Er zit een gevaar in de verwarde omstandigheden die de verdedigers van vrijheid en de ware Conservatieven samenbrengen in gemeenschappelijke oppositie tegen ontwikkelingen die hun idealen beide bedreigen. Daarom is het belangrijk om helder onderscheid te maken tussen het standpunt dat ik hier inneem en datgene dat al lang – misschien terecht – als Conservatisme bekendstaat.
Conservatisme is in se een legitieme, waarschijnlijk noodzakelijke, en zeker wijdverspreide houding van oppositie tegen drastische verandering. Het heeft, sinds de Franse Revolutie, gedurende anderhalve eeuw een belangrijke rol gespeeld in de Europese politiek. Tot aan de opkomst van het socialisme was het de opponent van Liberalisme. In de geschiedenis van de Verenigde Staten vinden we niets gelijkaardigs, omdat wat in Europa Liberalisme werd genoemd, de gewone traditie is waar de Amerikaanse politiek op gebouwd is. Zodoende was de verdediger van de Amerikaanse traditie een Liberaal in de Europese zin. Deze reeds bestaande verwarring werd nog verergerd door de recente poging om het Europese Conservatisme te transplanteren naar Amerika, wat, onbekend aan de Amerikaanse traditie, een ietwat eigenaardige bedoening is geworden. En enige tijd hiervoor, begonnen Amerikaanse radicalen en socialisten zich ‘Liberalen’ te noemen. Ik zal desalniettemin doorgaan met het standpunt dat ik inneem voor dit moment te omschrijven als Liberaal, waarvan ik geloof dat ze evenveel verschilt van het ware Conservatisme als van het socialisme. Laat mij er meteen bijzeggen echter, dat ik dat doe met stijgende bezorgdheid, en ik zal er later over moeten nadenken wat dan wèl een geschikte benaming zou kunnen zijn voor de partij van de vrijheid.
De reden hiervoor is niet alleen dat tegenwoordig de term “Liberaal” in de Verenigde Staten oorzaak is van voortdurende misverstanden, maar ook dat in Europa het overheersende type rationalistisch Liberalisme er lang een geweest is van de gangmakers van het socialisme.
Laat me nu stellen wat voor mij een doorslaggevend bezwaar is tegen elk Conservatisme dat verdient zo genoemd te worden, namelijk dat het vanuit haar eigenste natuur geen alternatief kan bieden voor de richting waarin we gaan. Het kan erin slagen, door haar weerstand tegen huidige tendensen, om ongewenste ontwikkelingen te vertragen, maar, omdat het geen andere richting aanwijst, kan het deze uiteindelijk niet tegenhouden. Om deze reden is het onveranderlijke lot van het Conservatisme altijd geweest om tegen haar zin meegesleept te worden op een Progressieve koers. Het getouwtrek tussen Conservatieven en Progressieven kan alleen de snelheid, en niet de richting, beïnvloeden van eigentijdse ontwikkelingen. Maar, hoewel de noodzaak bestaat voor een “rem op het vehikel van vooruitgang”, kan ik persoonlijk geen genoegen nemen met eenvoudig helpen remmen. Wat de Liberalen op de eerste plaats in vraag moeten stellen, is niet hoe snel of hoe ver we moeten gaan, maar waar naartoe. In feite verschilt de Liberaal veel meer van de collectivistische radicaal van vandaag dan de Conservatief. Waar deze laatste in het algemeen houdt aan nauwelijks meer dan een milde en gematigde versie van de vooroordelen van zijn tijd, moet de Liberaal vandaag op een meer positieve wijze ingaan tegen enkele van de fundamentele concepten die de meeste Conservatieven delen met de socialisten.
2. Het beeld dat meestal wordt gegeven van de relatieve positie van de drie partijen doet meer om hun ware relaties te verhullen dan te verhelderen. Zij worden gewoonlijk voorgesteld als verschillende posities op een lijn, met de socialisten aan de linkerkant, de Conservatieven aan de rechterkant en de Liberalen ergens in het midden. Niets kan meer misleidend zijn. Als we een diagram willen, is het beter om ze in een driehoek te rangschikken met de Conservatieven in de ene hoek, de socialisten trekkend naar de tweede en de Liberalen naar de derde hoek. Maar, omdat de socialisten lange tijd in staat zijn geweest om harder te trekken, zijn de Conservatieven eerder geneigd om de socialistische richting te volgen dan de Liberale, en hebben ze op gezette tijden in het verleden een aantal ideeën, die door radicaal propaganda respectabel zijn geworden, geadopteerd. Als voorstanders van de Gulden Middenweg, zonder eigen doel, hebben Conservatieven zich steeds laten leiden door het geloof dat de waarheid ergens tussen beide extremen moet liggen – met als resultaat dat ze hun positie veranderden telkens er een extremere beweging verscheen aan de ene of de andere kant.
Het standpunt dat op een willekeurig tijdstip met recht kan omschreven worden als Conservatief hangt daarom af van de richting van de bestaande tendensen. Aangezien de ontwikkelingen gedurende de laatste decennia in het algemeen hebben plaatsgevonden in een socialistische richting, kan het lijken dat zowel Conservatieven als Liberalen in hoofdzaak gericht zijn geweest op het vertragen van deze beweging. Maar het belangrijkste punt betreffende het Liberalisme is dat het ergens anders naartoe wil, en niet van stil te staan. Hoewel vandaag wellicht soms de tegenovergestelde indruk gewekt wordt, doordat er een tijd was waarin Liberalisme meer algemeen geaccepteerd was en sommige van haar doelen dicht bij de verwezenlijking kwamen, is het nooit een achteromkijkende doctrine geweest. Er is nooit een tijd geweest waarin Liberale ideeën volledig gerealiseerd waren en waarin het Liberalisme niet vooruitkeek naar verdere verbetering van de gewoontes. Liberalisme heeft geen aversie van evolutie en verandering, en overal waar spontane verandering versmacht werd door overheidscontrole, staat het een massale verandering van de politiek voor. Voorzover veel van de tegenwoordige overheidsactiviteiten beschouwd, is er in de wereld van vandaag weinig reden voor de Liberaal om de dingen te willen behouden zoals ze nu zijn. Inderdaad, eerder lijkt het voor de Liberaal dat wat het dringendst nodig is in de meeste plaatsen op de wereld, een grondig wegdraaien van de obstakels van vrije groei is.
Dit verschil tussen Liberalisme en Conservatisme mag niet verward worden met het feit dat het in de Verenigde Staten nog steeds mogelijk is om individuele vrijheid te verdedigen door lang gevestigde gewoonten te verdedigen. Voor de Liberaal zijn deze waardevol, niet in hoofdzaak omdat ze sinds lang gevestigd zijn of omdat ze Amerikaans zijn, maar omdat ze corresponderen met de idealen die hij koestert.
3. voordat ik de belangrijkste punten beschouw waarin de Liberale houding scherp tegenover de Conservatieve staat, wil ik benadrukken dat de Liberaal wellicht veel, en ten voordele, heeft kunnen leren van het werk van sommige Conservatieve denkers. Sommige diepgaande inzichten, die ware bijdragen zijn aan ons begrip van een vrije maatschappij, hebben we te danken aan hun genegen en respectvolle studie van de waarde van spontaan gegroeide gebruiken (tenminste buiten het veld van de economie). Hoe reactionair in hun politieke opvattingen figuren als Coleridge, Bonald, De Maistre, Justus Möser, of Donoso Cortès ook mogen geweest zijn, zij gaven ook blijk van doorzicht in de betekenis van spontaan gegroeide gebruiken zoals taal, wet, moraal en conventies die voorafgingen aan moderne wetenschappelijke benaderingen, en waarvan de Liberalen wellicht hebben kunnen profiteren.
Maar de bewondering van de Conservatieven voor spontane groei heeft meestal enkel betrekking op het verleden. Zij vertonen een typisch tekort aan moed om dezelfde soort ongeplande verandering te verwelkomen waaruit nieuwe instrumenten voor het menselijke avontuur kunnen opduiken.
Dit brengt me tot het eerste punt waarop de Conservatieve en Liberale opvattingen radicaal verschillen. Zoals dikwijls erkend door Conservatieve schrijvers, is één van de fundamentele trekjes van de Conservatieve houding de angst voor verandering, een terughoudend wantrouwen van het nieuwe an sich, terwijl het Liberale standpunt gebaseerd is op moed en vertrouwen, op een bereidheid om verandering haar loop te laten nemen, zelfs als we niet kunnen voorspellen waar ze toe zal leiden. Er zou niet veel tegen in te brengen zijn indien de Conservatieven enkel niet zouden houden van een te snelle verandering van gewoonten, gebruiken en openbare orde. Hier is de roep om voorzichtigheid en geleidelijkheid inderdaad sterk. Maar de Conservatieven zijn geneigd om de macht van de overheid te gebruiken om verandering te verhinderen of tot op zekere hoogte haar snelheid te beperken tot wat aanvaardbaar is voor de meer terughoudende geest. Vooruitblikkend in de toekomst ontbreekt het hen aan geloof in spontane aanpassingskrachten die de Liberaal verandering doen aanvaarden zonder angst, zelfs als hij niet weet hoe de noodzakelijke aanpassingen zich zullen aandienen. Het is , inderdaad, onderdeel van de Liberale houding om aan te nemen dat, in het bijzonder op economisch vlak, de zelfregulerende krachten van de vrije markt op één of andere manier voor de vereiste aanpassingen aan de nieuwe omstandigheden zullen zorgen, hoewel niemand kan voorspellen hoe zij dit zullen doen in een bepaald geval. Er is misschien geen andere factor die zoveel bijdraagt aan de frequente tegenzin van mensen om de vrije markt te laten werken als hun onvermogen om te bevatten hoe het noodzakelijke evenwicht tussen vraag en aanbod, tussen export en import, of hun equivalenten, tot stand zullen komen zonder geplande controle. De Conservatief voelt zich veilig en tevreden enkel en alleen als hij er zeker van is dat één of andere hogere wijsheid waakt over verandering en er toezicht op houdt, alleen als hij weet dat één of andere autoriteit is belast met het “ordelijk” laten verlopen van de verandering.
Deze angst om ongecontroleerde sociale krachten te vertrouwen is nauw verwant met twee andere karakteristieken van Conservatisme: haar gesteldheid op gezag en haar gebrek aan inzicht in economische krachten. Aangezien het zowel abstracte theorieën als algemene principes wantrouwt, begrijpt het noch de spontane krachten waar een beleid van vrijheid zich op baseert, noch bezit zij een basis om beleidsprincipes op te formuleren.
Orde doet zich voor aan de Conservatief als het resultaat van voortdurende aandacht vanwege gezag, dat, met dit doel voor ogen, moet toegestaan worden te doen wat nodig is gezien de omstandigheden, en niet gebonden hoort te zijn aan strikte regels. Een toewijding aan principes vooronderstelt het begrijpen van de algemene krachten door de welke de inspanningen van de maatschappij worden gecoördineerd, maar het is zulke maatschappelijke theorie en in het bijzonder van de economische mechanismen die het Conservatisme opvallend ontbreekt. Zo onproductief is het Conservatisme geweest in het voortbrengen van een algemeen begrip van hoe een sociale orde wordt gehandhaafd dat haar moderne aanhangers, in een poging om een theoretische fundering te produceren, zich onveranderlijk en bijna uitsluitend beroepen op auteurs die zichzelf als Liberaal beschouwden. Macauley, Tocqueville, Lord Acton, and Lecky beschouwden zichzelf zeker als Liberaal, en met recht, en zelfs Edmund Burke bleef tot het einde toe een Old Whig en zou hebben gehuiverd bij het idee dat hij als een Tory zou beschouwd worden.
Laat me echter terugkeren naar ons hoofdpunt, de karakteristieke onbekommerdheid van de Conservatief ten aanzien van acties van het gevestigde gezag en zijn voornaamste bezorgdheid dat dit gezag niet mag verzwakt worden eerder dan dat haar macht binnen bepaalde grenzen moet gehouden worden. Dit valt moeilijk te verzoenen met de bescherming van vrijheid. In het algemeen kan waarschijnlijk gezegd worden dat de Conservatief geen bezwaar heeft tegen uitoefening van willekeurige macht zo lang deze wordt gebruikt voor wat hijzelf beschouwt als de juiste doelen. Hij gelooft dat, als de regering in handen is van fatsoenlijke mensen, zij niet te veel hoort beperkt te worden door rigide regels. Aangezien hij in essentie een opportunist zonder principes is, stelt hij zijn hoop erop dat de wijzen en de goeden zullen regeren – niet enkel door voorbeeld, zoals we allen mogen hopen, maar door het gezag dat hen gegeven en door hen uitgeoefend wordt.
Zoals de socialist, is hij minder begaan met het probleem hoe de macht van de regering beperkt zou moeten worden dan met wie er regeert en, zoals de socialist, beschouwt hij het als zijn recht om zijn waarden aan anderen op te leggen.
Wanneer ik zeg dat de Conservatief geen principes heeft, is het niet mijn bedoeling te suggereren dat hij geen morele overtuiging zou hebben. De typische Conservatief is inderdaad gewoonlijk iemand met zeer sterke morele overtuigingen. Wat ik bedoel is dat hij geen politieke principes heeft die hem in staat stellen om samen met mensen wier morele waarden van de zijne verschillen, te werken aan een politieke orde waarbinnen beiden naar hun overtuigingen kunnen leven. Het is het erkennen van zulke principes dat het naast elkaar bestaan van verschillende waardensystemen toelaat en het mogelijk maakt om een vreedzame maatschappij te bouwen met een minimum aan dwang. De aanvaarding van zulke principes betekent dat we akkoord gaan om veel dingen waar we een afkeer van hebben te tolereren.
Veel Conservatieve waarden spreken mij meer aan dan socialistische, doch voor een Liberaal is het belang dat hij persoonlijk hecht aan specifieke maatschappelijke doelen geen voldoende rechtvaardiging om anderen te dwingen deze te dienen. Ik twijfel er niet aan dat sommige van mijn Conservatieve vrienden geschokt zullen zijn door wat zij zullen beschouwen als “toegevingen” aan moderne opinies die ik gedaan heb in deel 3 van dit boek. Maar, hoewel ik wellicht even afkerig ben van bepaalde beschouwde maatregelen als zijzelf en er wellicht ook niet mee zou instemmen, heb ik geen weet van algemene principes waaraan ik kan refereren om andersdenkenden ervan te overtuigen dat deze maatregelen niet toelaatbaar zijn in de algemene soort maatschappij die we beiden willen. Succesvol leven en werken met anderen vereist meer dan vertrouwen in elkaars concrete doelen. Het vereist een intellectuele toewijding aan een soort orde waarin het voor anderen geoorloofd is, zelfs als het gaat om standpunten die voor de ene fundamenteel zijn, om andere doelen na te streven.
Het is om deze reden dat voor de Liberaal morele noch religieuze idealen als afdwingbaar gelden, terwijl zowel Conservatieven als socialisten zulke grenzen niet erkennen.
Soms denk ik dat het meest opvallende attribuut van het Liberalisme, dat het evenveel van Conservatisme als van Socialisme onderscheidt, het inzicht is dat morele overtuigingen betreffende gedragskwesties die niet onmiddellijk van invloed zijn op de beschermde sfeer van anderen geen dwang rechtvaardigen. Dit verklaart wellicht ook waarom het zoveel makkelijker lijkt voor de berouwvolle socialist om nieuw spiritueel onderdak te vinden in de Conservatieve kudde dan in de Liberale.
In laatste instantie berust het Conservatieve standpunt op het geloof dat in om het even welke maatschappij er herkenbaar superieure personen bestaan wiens overgeërfde waarden, normen en positie horen beschermd te worden en die een grotere invloed horen te hebben op publieke aangelegenheden dan anderen.
De Liberaal, uiteraard, ontkent niet dat er wat superieure mensen bestaan – hij is geen egalitarist – maar erkent niet dat wie dan ook het gezag heeft om te bepalen wie deze superieure mensen zijn. Terwijl de Conservatief geneigd is om een bepaalde gevestigde hiërarchie te beschermen en verlangt van de autoriteiten dat ze de status beschermt van diegenen die hij van waarde acht, vindt de Liberaal dat respect voor gevestigde waarden niet kan rechtvaardigen dat men zijn toevlucht neemt tot het toekennen van privileges, monopolies of welke dwingende maatregel van staatswege dan ook om zulke mensen onderdak te bieden voor de krachten van economische verandering. Hoewel hij zich volledig bewust is van de belangrijke rol die culturele en intellectuele elites gespeeld hebben in de evolutie van onze beschaving, gelooft hij ook dat deze elites zichzelf moeten bewijzen door hun vermogen om hun positie te behouden onder dezelfde regels die van toepassing zijn op alle anderen.
Nauw verbonden hiermee is de gebruikelijke houding van de Conservatief tegenover de democratie. Ik heb eerder duidelijk gemaakt dat ik het principe van de meerderheid beslist niet als een doel beschouw maar hoogstens als een middel, of misschien als het minste kwaad van alle regeringsvormen waaruit we moeten kiezen. Maar ik geloof dat de Conservatieven zichzelf voor de gek houden wanneer ze de democratie de schuld van alle kwaad geven. Het grootste kwaad is de onbeperkte macht van de overheid, en niemand is in staat om met onbeperkte macht te gaan. De macht die de moderne democratie bezit zou nog onaanvaardbaarder zijn in handen van een kleine elite.
Toegegeven, pas toen de macht in handen van de meerderheid kwam achtte men verdere beperkingen van de macht van de overheid overbodig. In deze zin zijn democratie en een onbeperkte overheid met elkaar verbonden. Het is echter niet democratie, maar onbeperkte overheidsmacht die bezwaarlijk is, en ik zie niet in waarom het volk niet zou leren om de bevoegdheden van het democratisch beslissingsproces te beperken in dezelfde zin als die van gelijk welke andere vorm van overheid. Alleszins lijken de voordelen van de democratie als methode van vreedzame verandering en van politieke opvoeding zo groot te zijn vergeleken met deze van gelijk welk ander systeem dat ik geen sympathie kan hebben voor de antidemocratische tendens van het Conservatisme. Het is niet wie er regeert maar waartoe de regering bevoegd is dat mij het essentiële probleem lijkt.
Dat de Conservatieve oppositie ten aanzien van teveel overheidscontrole geen principiële kwestie is maar eerder te maken heeft met de precieze bedoelingen van de overheid wordt duidelijk geïllustreerd op het economische vlak. Conservatieven zijn het gewoonlijk niet eens met collectivistische en directivistische maatregelen op industrieel vlak, en hier vinden Liberalen dikwijls bondgenoten in hen.
Maar tezelfdertijd zijn Conservatieven gewoonlijk protectionistisch en hebben zij dikwijls socialistische maatregelen gesteund in de landbouw. Inderdaad, hoewel de beperkingen die vandaag bestaan in de industrie en handel hoofdzakelijk het resultaat zijn van socialistische inzichten, werden de even belangrijke beperkingen in de landbouw gewoonlijk geïntroduceerd door Conservatieven, zelfs op eerdere tijdstippen. En in hun inspanningen om het vrije ondernemerschap in diskrediet te brengen hebben vele Conservatieve leiders gewedijverd met de socialisten.
4. Ik had reeds gerefereerd naar de verschillen tussen Conservatisme en Liberalisme op puur intellectueel vlak, maar ik moet hiernaar terugkeren omdat de karakteristieke Conservatieve houding hier niet enkel een ernstige zwakheid van het Conservatisme is maar er tevens naar neigt om iedere zaak die zich met hen lieert eveneens te schaden. Conservatieven voelen instinctief aan dat het met name nieuwe ideeën zijn, meer dan iets anders, die verandering veroorzaken. Maar, juist vanuit haar karakteristieke standpunt, vreest het Conservatisme nieuwe ideeën omdat het geen eigen andere principes heeft om er tegenin te gaan, en, door haar wantrouwen van theorie en haar gebrek aan verbeelding betreffende alles behalve datgene dat de ervaring reeds bewezen heeft, berooft het zichzelf van de benodigde wapens in de strijd om de ideeën.
Anders dan het Liberalisme, met haar fundamenteel geloof in de kracht van ideeën op lange termijn, houdt het Conservatisme zich aan de verzameling tot dan toe overgeleverde ideeën. En omdat het niet echt gelooft in de kracht van overleg, is haar laatste toevlucht in het algemeen een aanspraak op superieure wijsheid, gebaseerd op een soort zelfaangemeten waan van superioriteit.
Het verschil wordt het duidelijkst in de verschillende houdingen van de twee tradities tegenover de vooruitgang van kennis. Hoewel de Liberaal zeker niet alle verandering als vooruitgang beschouwt, beschouwt hij de vooruitgang van kennis als een van de hoofddoelen van de menselijke inspanningen en verwacht er de geleidelijke oplossing van problemen en moeilijkheden van die we ooit mogen hopen te kunnen oplossen. Zonder het nieuwe te prefereren louter omdat het nieuw is, is de Liberaal zich ervan bewust dat het deel uitmaakt van de essentie van het mens zijn om vernieuwing voort te brengen, en is hij bereid om nieuwe kennis te aanvaarden, of hij nu blij is met de gevolgen of niet.
Persoonlijk vind ik dat het meest bezwaarlijke element van de Conservatieve houding haar neiging is om welonderbouwde nieuwe kennis te verwerpen omdat ze een afkeer heeft van sommige gevolgen die eruit schijnen voort te vloeien, of, om het bot te stellen, haar obscurantisme. Ik zal niet ontkennen dat wetenschappers, evenzeer als anderen, onderhevig zijn aan grillen en mode en dat we veel reden hebben om voorzichtig te zijn met het aanvaarden van conclusies die zij trekken uit hun laatste nieuwe theorieën. Maar de redenen van ons voorbehoud moeten zelf rationeel zijn en moeten gescheiden gehouden worden van onze spijt dat de nieuwe theorieën onze geliefde geloofspunten ondermijnen. Ik kan niet veel geduld hebben met degenen die, bijvoorbeeld, een afkeer hebben van de evolutietheorie of wat zij noemen “mechanistische” verklaringen van het fenomeen leven vanwege bepaalde morele consequenties die op het eerste gezicht schijnen te volgen uit deze theorieën, en nog minder met dezen die het als irrelevant of oneerbiedig beschouwen om bepaalde vragen ook maar te stellen. Door te weigeren de feiten onder ogen te zien, verzwakt de Conservatief enkel zijn eigen positie. Dikwijls volgen de conclusies die, gebaseerd op rationalistische vermoedens, getrokken worden uit nieuwe wetenschappelijke inzichten hier helemaal niet uit. Maar alleen al door actief deel te nemen aan het uitwerken van de gevolgen van nieuwe ontdekkingen leren we of ze al of niet passen in ons wereldbeeld, en, indien ja, hoe. Indien onze morele geloofspunten werkelijk zouden blijken afhankelijk te zijn van feitelijke aannames die onjuist blijken te zijn, dan zou het nauwelijks moreel juist zijn om ze te verdedigen door te weigeren om feiten onder ogen te zien.
Verbonden aan het Conservatieve wantrouwen van het nieuwe en het vreemde is haar vijandigheid tegenover internationalisme en haar neiging tot een sterk nationalisme. Hierin ligt een andere bron van haar zwakheid in de strijd om ideeën. Het kan het feit niet veranderen dat de ideeën die onze beschaving veranderen geen grenzen respecteren. Maar weigering om nieuwe ideeën te leren kennen berooft je van de kracht om deze ideeën effectief te weerleggen wanneer het nodig is. De groei van ideeën is een internationaal proces, en slechts diegenen die volwaardig deelnemen in de discussie zullen in staat zijn om betekenisvolle invloed uit te oefenen. Het is geen werkelijk argument om te zeggen dat een idee on-Amerikaans is, of on-Duits, noch is een fout of slecht ideaal beter omdat het van één van onze landgenoten afkomstig is.
Er kan nog heel wat meer gezegd worden over het nauwe verband tussen Conservatisme en nationalisme, maar ik zal niet uitweiden over dit punt omdat men zou kunnen denken dat mijn persoonlijke mening het mij onmogelijk maakt te sympathiseren met enige vorm van nationalisme. Ik zal er slechts aan toevoegen dat het deze nationalistische dubbelzinnigheid is die dikwijls de grondslag biedt voor de brug van Conservatisme naar collectivisme: denken in termen van “onze” industrie of middelen is slechts een kleine stap verwijderd van de eis dat deze nationale bezittingen dienen aangewend te worden voor het nationaal belang.
Maar wat dit betreft is het Continentaal Liberalisme dat afgeleid is van de Franse Revolutie weinig beter dan het Conservatisme. Ik hoef nauwelijks te zeggen dat nationalisme van deze soort iets heel anders is dan patriottisme en dat een aversie van nationalisme volledig compatibel is met een diepe gehechtheid aan nationale tradities. Maar het feit dat ik er de voorkeur aan geef en eerbied voel voor sommige tradities uit mijn maatschappij hoeft geen oorzaak te zijn van vijandigheid tegenover alles wat vreemd en anders is.
Slechts bij een eerste indruk lijkt het paradoxaal dat het anti-internationalisme van het Conservatisme zo dikwijls geassocieerd wordt met imperialisme. Maar hoe meer iemand een afkeer heeft van het vreemde en zijn eigen gebruiken superieur vindt, hoe meer hij ertoe neigt het als zijn “missie” te zien om anderen te “beschaven” – niet door vrijwillige en ongehinderde omgang zoals de Liberaal verkiest, maar door hen de zegeningen van een efficiënte overheid te brengen. Het is significant dat we ook hier weer de Conservatieven dikwijls de handen in elkaar zien slaan met de socialisten tegen de Liberalen – niet enkel in Engeland, waar de Webbs en hun Fabianen uitgesproken imperialisten waren, of in Duitsland, waar staatssocialisme en koloniaal expansionisme samengingen en de steun vonden van dezelfde “salonsocialisten”, maar ook in de Verenigde Staten, waar het zelfs ten tijde van de eerste Roosevelt kon aanschouwd worden: “ de Jingo’s en de Sociale Hervormers zijn samengegaan en hebben een politieke partij gevormd, die ermee dreigde de regering te kapen en te gebruiken voor haar programma van Caesaristisch paternalisme, een gevaar dat nu slechts bezweerd lijkt te zijn doordat de andere partijen hun programma in ietwat mildere graad en vorm hebben overgenomen.”
5. Er is één aspect echter, waarvan met recht gezegd kan worden dat de Liberaal een positie inneemt halverwege de socialisten en de Conservatieven: hij staat even ver weg van het ruwe rationalisme van de socialist die alle sociale instellingen wil herontwerpen aan de hand van een patroon dat voorgeschreven wordt door zijn individuele denken, als van het mysticisme waartoe de Conservatief zo frequent zijn toevlucht moet nemen. Het standpunt dat ik hier heb omschreven als Liberaal, deelt met het Conservatisme een wantrouwen van de rede in zoverre dat de Liberaal zich er zeer van bewust is dat we niet alle antwoorden kennen en dat hij er niet zeker van is dat de antwoorden die hij heeft stellig de juiste zijn, of zelfs dat we alle antwoorden kunnen vinden. Hij kijkt er ook niet op neer om assistentie te zoeken van om het even welke niet-rationele instelling die zijn waarde heeft bewezen. De Liberaal verschilt van de Conservatief in zijn bereidheid om zijn onwetendheid te aanvaarden en toe te geven hoe weinig we weten, zonder het gezag van bovennatuurlijke krachten in te roepen waar zijn verstand tekortschiet. Het moet toegegeven worden dat in sommige gezichtspunten de Liberaal fundamenteel een scepticus is – maar het lijkt een bepaalde graad van nederige of respectvolle twijfel te vereisen om anderen hun geluk te laten zoeken op hun eigen weg en om consistent aan deze tolerantie, die een essentiële karakteristiek is van het Liberalisme, vast te houden.
Er is geen reden waarom dit noodzakelijkerwijs een afwezigheid van religieus geloof van de kant van de Liberaal moet betekenen. Anders dan het rationalisme van de Franse Revolutie, heeft het Liberalisme geen strijd met religie, en ik kan het militante en essentieel onliberale antiklerikalisme (antireligionisme) dat zo energiek aanwezig was in het negentiende-eeuwse Continentale Liberalisme slechts betreuren. Dat idt niet essentieel is aan het Liberalisme wordt duidelijk getoond door haar Engelse voorvaderen, de Old Whigs, die maar al te nauw verbonden waren met een bepaald religieus geloof. Wat de Liberaal hier van de Conservatief onderscheidt is dat hij zich, hoewel ernstig met zijn eigen geloof, nooit zichzelf het recht zal toe-eigenen om dit aan anderen op te leggen en dat voor hem het spirituele en het wereldse verschillende sferen zijn die niet door elkaar horen te worden gehaald.
6. Wat ik heb gezegd zou voldoende moeten zijn om uit te leggen waarom ik mijzelf niet zie als Conservatief. Veel mensen zullen denken echter, dat het standpunt dat opduikt nauwelijks is wat zij gewend zijn “Liberaal” te noemen. Ik moet daarom nu de vraag onder ogen zien of deze benaming vandaag de geëigende benaming is voor de partij van vrijheid. Ik heb reeds aangegeven dat, hoewel ik mijzelf mijn hele leven omschreven heb als een Liberaal, ik dit de laatste tijd gedaan heb met toenemende twijfel – niet alleen omdat in de Verenigde Staten deze term constant aanleiding geeft tot misverstanden, maar ook omdat ik mijzelf meer en meer bewust ben geworden van de grote kloof die er bestaat tussen mijn standpunt en het rationalistische Continentale Liberalisme of zelfs het Engelse Liberalisme van de Utilitaristen.
Indien Liberalisme nog steeds zou betekenen wat het betekende voor de Engelse historicus die in 1827 kon spreken over de revolutie van 1688 als “de triomf van deze principes die in de taal van vandaag Liberaal of constitutioneel genoemd worden” of als men nog steeds zou kunnen spreken, met Lord Acton, van Burke, MacAulay en Gladstone als de drie grootste Liberalen, of als men nog steeds, met Harold Laske, Tocqueville en Lord Acton zou kunnen beschouwen als “ de belangrijkste Liberalen van de negentiende eeuw”, dan zou ik inderdaad maar al te trots zijn mijzelf met deze benaming te omschrijven. Maar, zoveel als ik ertoe verleid word om hun Liberalisme het ware Liberalisme te noemen, moet ik erkennen dat de meerderheid van de Continentale Liberalen voor ideeën stonden waartegen deze mannen sterk gekeerd waren, en dat zij meer werden geleid door een verlangen om de wereld een voorbedacht rationeel patroon op te leggen dan te voorzien in de gelegenheid van vrije groei. Hetzelfde is grotendeels waar voor wat men Liberalisme heeft genoemd in Engeland tenminste sinds de tijd van Lloyd George.
Het is aldus noodzakelijk om te erkennen dat wat ik “Liberalisme” genoemd heb weinig van doen heeft met enige politieke strekking die vandaag onder die benaming doorgaat. Het is ook twijfelachtig of de historische associaties die deze term vandaag draagt oorzaak zijn van het succes van enige van deze groepen. Of in deze omstandigheden men een inspanning moet doen om de term te redden van wat men aanvoelt als een misbruik is een vraag waarin de meningen uiteen kunnen lopen. Ikzelf vind meer en meer dat het gebruik van deze term zonder lange verklaringen teveel verwarring zaait en dat het als label meer een ballast dan een bron van sterkte is geworden.
In de Verenigde Staten, waar het bijna onmogelijk is geworden om de term “Liberaal” te gebruiken in de betekenis waarin ik het gebruikt heb, wordt de term “libertarisch” gebruikt in de plaats daarvan. Wellicht is dat de oplossing, maar wat mij betreft klinkt deze zonderling en onaantrekkelijk. Naar mijn smaak draagt het teveel het karakter van een verzonnen woord en van een surrogaat. Wat ik zou willen is een woord dat de partij van het leven beschrijft, de partij die vrije groei voorstaat en spontane evolutie. Maar ik heb mijn hersens gepijnigd zonder succes om een beschrijving te vinden die voor zichzelf spreekt.
7. We moeten voor ogen houden echter, dat, ten tijde dat de idealen die ik heb trachten te herformuleren, zich begonnen te verspreiden door de Westerse wereld, de partij die deze vertegenwoordigde een algemeen erkende naam had. Het waren de idealen van de Engelse Whigs die de inspiratie vormden voor wat later bekend werd als de Liberale beweging in gans Europa en die de concepten leverde die de Amerikaanse kolonisten met zich meedroegen en die hen leidden in hun strijd om onafhankelijkheid en naar de stichting van hun grondwet. Inderdaad, tot het karakter van deze traditie werd gewijzigd door de toevoegsels ten gevolge van de Franse Revolutie, met haar totalitaire democratie en socialistische leerstellingen, was “Whig” de benaming waaronder de partij van de vrijheid algemeen bekend stond.
De benaming stierf in haar geboorteland, deels omdat de principes waarvoor hij stond een tijdlang niet meer onderscheidend waren voor een bepaalde partij en deels omdat de mannen die de naam droegen niet trouw bleven aan deze principes. De Whig partijen van de negentiende eeuw, zowel in Brittannië als in de Verenigde Staten, brachten uiteindelijk de naam in diskrediet bij de radicalen onder hen. Maar het is nog altijd waar dat, aangezien Liberalisme de plaats van het Whiggisme pas heeft ingenomen nadat de vrijheidsbeweging het ruwe en militante rationalisme van de Franse Revolutie had geabsorbeerd, en aangezien onze taak hoofdzakelijk moet bestaan in het bevrijden van deze traditie van de overrationalistische, nationalistische en socialistische invloeden die erin doorgedrongen zijn , Whiggisme historisch gezien de correcte benaming is voor de ideeën waarin ik geloof. Hoe meer ik leer over de evolutie van ideeën, hoe meer ik me er van bewust ben geworden dat ik gewoon een berouweloze Old Whig ben – met de nadruk op “Old”.
Zichzelf bekennen als een Old Whig betekent uiteraard niet, dat men terug wil gaan naar het einde van de zeventiende eeuw. Het is één van de doelstellingen geweest van dit boek om te tonen dat de doctrines die toen voor het eerst werden geformuleerd zijn blijven groeien en ontwikkelen tot ongeveer zeventig of tachtig jaar geleden, zelfs ondanks dat ze niet langer het hoofdstreven vormden van een bepaalde partij. Sindsdien hebben we veel geleerd dat ons ertoe in staat zou moeten stellen om ze te herformuleren in een meer bevredigende en effectieve vorm. Maar, hoewel het vereist is om ze te herformuleren in het licht van onze huidige kennis, zijn de basisprincipes nog altijd deze van de Old Whigs. Toegegeven, de latere geschiedenis van de partij die deze naam droeg heeft sommige historici doen twijfelen of er wel een welomschreven kern van Whigse principes bestond. Toch kan ik kan het alleen maar eens zijn met Lord Acton dat, hoewel sommige van de patriarchen van de doctrine “de meest onfatsoenlijke heerschappen” waren, de notie van een hogere wet boven maatschappelijke conventies, die met het Whiggisme begon, de hoogste verwezenlijking is van de Engelsen en hun nalatenschap aan de natie – en we mogen eraan toevoegen, aan de wereld. Het is de doctrine die aan de basis ligt van de algemene traditie van de Angelsaksische landen. Het is de doctrine waar het Continentale Liberalisme uit genomen heeft wat er waardevol in was. Het is de doctrine waar het Amerikaanse overheidssysteem op gebaseerd is. In haar pure vorm is het terug te vinden in de Verenigde Staten, niet door het radicalisme van Jefferson, noch door het Conservatisme van Hamilton of zelfs van John Adams, maar door de ideeën van James Madison, de “vader van de constitutie”.
Ik weet niet of het politiek gezien praktisch is om die oude benaming nieuw leven in te blazen. Dat dit voor de meeste mensen, zowel in de Angelsaksische wereld als overal elders, vandaag de dag een term is zonder duidelijke associaties is misschien eerder een voordeel dan een nadeel. Voor hen die vertrouwd zijn met de geschiedenis van ideeën is het waarschijnlijk een benaming die verreweg het beste uitdrukt wat de traditie bedoelt. Dat het Whiggisme, zowel voor de echte Conservatief en zelfs nog meer voor de vele socialisten die in Conservatieven zijn veranderd, de benaming is voor hun favoriete aversie, toont een gezond instinct van hun kant. Het is de benaming geweest voor de enige verzameling idealen die consistent is ingegaan tegen alle willekeurige macht.
8. Men kan zich terecht afvragen of de benaming werkelijk zo’n grote rol speelt. In een land als de Verenigde Staten, dat, in het algemeen, vrije instellingen heeft en waar, tengevolge daarvan, de verdediging van het bestaande dikwijls de verdediging van de vrijheid is, maakt het misschien niet zoveel uit dat de verdedigers van de vrijheid zichzelf Conservatieven noemen, hoewel zelfs hier de associatie met de Conservatieven uiteraard dikwijls vervelend kan zijn. Zelfs wanneer mensen instemmen met dezelfde afspraken, dient de vraag gesteld te worden of zij hiermee kunnen instemmen omdat ze al bestaan of omdat ze uit zichzelf wenselijk zijn. De algemene weerstand tegen de golf van collectivisering mag het feit niet verdoezelen dat het geloof in integrale vrijheid gebaseerd is op een essentieel vooruitkijkende (Progressieve) houding en niet op enig nostalgisch verlangen naar het verleden of een romantische bewondering voor het voorbije.
De noodzaak aan een helder onderscheid is echter absoluut primordiaal, daar waar de Conservatieven, zoals in grote delen van Europa, al een groot deel van de collectivistische geloofsovertuiging hebben aanvaard - een overtuiging die zolang de politiek heeft beheerst dat vele van haar instellingen aanvaard worden als vanzelfsprekendheden en een bron van trots vormen voor de “Conservatieve” partijen die hen gecreëerd hebben. Hier kan diegene die in vrijheid gelooft niet anders dan in conflict treden met de Conservatieven en een essentieel radicale positie innemen, gericht tegen populaire vooroordelen, ingegraven posities, en stevig ingewortelde privileges. Dwaasheden en misbruiken worden niet beter omdat ze al lang gewortelde dwaasheden en misbruiken zijn.
Hoewel “Quieta non movere” (zachtjesaan, dan breekt het touwtje niet) soms een wijze stelregel is voor de staatsman kan het de politieke filosoof niet bevredigen. Hij mag dan nog willen dat de politiek behoedzaam vooruitgaat en niet voordat de publieke opinie klaar is om haar te ondersteunen, maar hij kan geen afspraken accepteren enkel en alleen omdat de huidige opinies deze goedkeuren. In een wereld waar de belangrijkste behoefte, eens te meer, is, zoals het was in het begin van de negentiende eeuw, om het proces van spontane groei te bevrijden van obstakels en belemmeringen die door menselijke dwaasheid zijn opgestapeld, moet zijn hoop gevestigd zijn op het overtuigen en het verwerven van de steun van diegenen die door hun aard “Progressieven” zijn, dezen die, hoewel zij nu wellicht verandering zoeken in de verkeerde richting, tenminste bereid zijn om het bestaande kritisch te onderzoeken en het te veranderen waar nodig.
Ik hoop dat ik de lezer niet misleid heb door occasioneel te spreken van de “partij” waar ik dacht aan groepen mensen die een verzameling intellectuele en morele principes verdedigen.
Partijpolitiek van welk land dan ook is niet de bezorgdheid van dit boek geweest. De vraag hoe de principes die ik heb geprobeerd te herformuleren door de gebroken fragmenten van een traditie samen te voegen kan vertaald worden in een programma dat de massa aanspreekt, moet de politieke filosoof overlaten aan “dat verraderlijke en doortrapte dier, vulgair genaamd een staatsman of politieker, wiens beraadslagingen gestuurd worden door de grillen van de eigentijdse dingen.” De taak van de politieke filosoof kan slechts zijn om de publieke opinie te beïnvloeden, niet om de mensen tot actie te organiseren. Dat kan hij slechts efficiënt doen als hij zich niet bezighoudt met wat er op dit moment politiek mogelijk is, maar consistent de verdediging opvat van de “algemene principes die altijd dezelfde zijn.” In deze zin twijfel ik eraan of er zoiets kan bestaan als een Conservatieve politieke filosofie. Conservatisme mag dan dikwijls een bruikbare praktische stelregel zijn, maar het geeft ons geen leidende principes die ontwikkelingen op lange termijn kunnen beïnvloeden.
Friedrich August von Hayek
Uit: F.A. Hayek: “The Constitution of Liberty” (Chicago: The University of Chicago Press, 1960)
29 augustus 2005
Stemmen met de voeten
Decentralisatie is een belangrijk vraagstuk in de liberale theorie. Dat individuele rechten moeten worden beschermd, is zowat de kern van het liberalisme. De vraag is echter hoe dat op de beste manier te verwezenlijken.
Stellen we best ons vertrouwen in een heel sterk centraal orgaan, dat de uitwassen van lokale organen in toom moet houden? Met andere woorden, stellen we best ons vertrouwen in de federale of Vlaamse overheid die de gemeenten moet controleren, of in een Europese Unie die de lidstaten moet controleren?
Of moeten we daarentegen bevreesd zijn dat deze centrale autoriteit zelf zijn macht zal misbruiken, net zoals die gedecentraliseerde autoriteiten dat doen, maar dan op een veel grotere schaal? De EU beschikt over veel meer regulerende bevoegdheid dan de Belgische staat, en kan met deze macht dus veel meer schade aanrichten.
Is het anderzijds niet noodzakelijk om van zodra menselijke activiteiten zich afspelen op een veel groter speelveld dan voordien, de bescherming van dit speelveld ook veel groter te maken? In de vroege Middeleeuwen was handel voornamelijk lokaal. De bescherming ervan gebeurde dan ook best lokaal. Na verloop van tijd gebeurde handel op een veel grotere schaal. De groei van de natiestaat heeft aan de bescherming ervan een goede bijdrage geleverd, naast ook grote kosten. Heden wordt handel iets Europees en ook internationaals.
De vraag moet dan gesteld durven worden of de kosten van centrale autoriteiten niet ruimschoots gecompenseerd worden door de voordelen.
De oplossing van deze vraag hangt samen met de vraag hoe de kosten van centrale autoriteiten te minimaliseren. En daar kunnen antwoorden op worden gegeven. De belangrijkste reden waarom de Europese natiestaten, die supercentralisaties waren, de ontwikkeling van de cultuur niet hebben geremd zoals dat in China het geval was, is dat er door het bestaan van kleine gedecentraliseerde autoriteiten een cultuur is ontstaan die zich verzet tegen machtsmisbruik. De natiestaten konden hun macht maar langzaam opbouwen, via charters en keuren, en sinds de zestiende eeuw werden de absolutistische uitwassen ervan bestreden door verzetsbewegingen (eerst in de Nederlanden) en later ook door een intellectuele beweging die als ‘de Verlichting’ aangeduid wordt.
De cultuur als garantie tegen uitwassen is weliswaar een sterke garantie, maar de twee wereldoorlogen van de voorbije eeuw hebben bewezen dat zelfs een hoogstaande cultuur zoals de Duitse, in een mum van tijd kan ontaarden in barbarij.
Het feit dat men op het Europese continent steeds kon “stemmen met de voeten”, was een andere, en ultieme, garantie tegen de uitwassen van machtscentralisatie.
Het “stemmen met de voeten” is een nog steeds bestaande garantie tegen machtsmisbruik. Wie vindt dat hij hier teveel belastingen betaalt, kan zijn geld investeren in het buitenland. Wie vindt dat hij in zijn eigen land wordt vervolgd, kan verhuizen, althans is dat tot op zekere hoogte mogelijk. Kredietratingagentschappen, zoals “Moody’s”, beoordelen staten op hun kredietwaardigheid. Een staat die de eigen middelen verspilt, zal niet veel van haar eigen obligaties kwijtgeraken, en dus niet veel middelen krijgen. Een grotere internationale competitie en ook technologie zorgen ervoor dat geld makkelijk in andere staten kan worden geïnvesteerd, of in andere investeringen tout court. Dit mechanisme, dat als “globalisering” kan worden geduid, zorgt in feite voor een privatisering van overheden, ietwat optimistisch gesteld.
Wat dan met bestaande centralisaties, zoals de Europese Unie? De EU kan zich vooralsnog onttrekken aan de logica van de markt. Ambtenaren verspillen er veel meer dan op nationaal niveau, en de regulering is dikwijls nog schadelijker dan op nationaal niveau. De concurrentie die ervoor zorgt dat bedrijven en ook burgers voor de beste regulering kunnen kiezen, vermindert er ook door. Een negatieve evolutie dus, die EU.
Hoe dan ook is soms regulering op meer centrale schaal nodig. Hoe kan dit dan worden bereikt? Agentschappen kunnen worden opgericht om deze taak uit te voeren. Sommige EU-agentschappen kunnen hiervoor dienst doen, andere helemaal niet. Soms kan concurrentie in de regelgeving mogelijk en nodig zijn, soms niet. De EU wordt dus best als reguleringsagentschap opgesplitst, en de overgebleven delen geprivatiseerd.
Bruno Frey (foto hierboven), een Zwitsers academicus, beschrijft in zijn studiewerk een internationaal netwerk van reguleringsagentschappen, dat hij een systeem van “functional overlapping competing jurisdictions (FOCJ)” noemt. Als embryo’s hiervan ziet hij bepaalde multinationals, maar ook efficiënte stadstaten of kleine landen, alsook internationale sportbonden en religieuze organisaties.
De garantie dat die agentschappen hun macht niet zullen misbruiken, ligt in het recht om te stemmen met de voeten. Ten allen tijde moet men zich eraan kunnen onttrekken, en voor een ander agentschap kunnen kiezen. Onderlinge samenwerkingsakkoorden, zoals die nu al tussen staten bestaan, moeten ervoor zorgen dat men zijn eigen afspraken nakomt. Wie toegezegd heeft zich aan de jurisdictie van een bepaald agentschap te onderwerpen, moet uiteraard ook eventuele bijdragen of boetes betalen die worden gevraagd. Bovendien ligt de ultieme garantie tegen machtsmisbruik in een door burgers gekoesterde moraal dat individuele rechten moeten worden gerespecteerd, en dat inperkingen daarop niet mogen worden aanvaard.
Pieter CLEPPE
Bron : www.cleppe.blogspot.com
Voor de paper van Bruno Frey klikt U hier.
24 augustus 2005
Domeinkaping novacivitas.be: Marc Spruyt reageert
De webmaster van deze site heeft het momenteel nogal druk en kan weinig content opsnorren. Gelukkig krijgen we steun van bevriende webmasters en het is niet de eerste keer dat Luc Van Braekel ons iets interessants stuurt. Vandaag gebeurt er een en ander in de pers en op websites rond de wederrechtelijke registratie - door Marc Spruyt - van de domeinnaam novacivitas.be. Konden we toch niet ongepubliceerd laten... Met dank aan Luc.
Drie weken geleden berichtte ik (LVB) hier over de kaping van het domein novacivitas.be door Blokwatch-voorman Marc Spruyt. De klassiek-liberale denktank bracht de zaak voor de Antwerpse rechtbank. Hugo Coveliers, raadsman van Nova Civitas, verkneukelde zich al op geanimeerde pleidooien, en eiste een schadevergoeding van 50.000 euro. Maar Blokwatch bond in nog voor de zaak gepleit werd. De domeinnaam werd overgedragen aan Nova Civitas. "Ik had dolgraag gepleit", zegt Coveliers vandaag in De Standaard.
Inmiddels heeft ook Marc Spruyt zijn versie van de feiten gepubliceerd op het internet. Niet op de website van Blokwatch, maar in een reactie op de weblog van Jurgen Verstrepen. Enkele opmerkelijke uitspraken:
Op 14 juli 2005 heb ik inderdaad de domeinnaam in kwestie geregistreerd. Alleen gebeurde dat niet, zoals Nova Civitas beweert en DS kritiekloos overneemt, tengevolge van een of ander standpunt van Nova Civitas. Dat gebeurde wel omdat het mij hoogst verbaasde dat die domeinnaam nog vrij was, en het mij een ludieke manier leek om op deze wijze in contact te treden met een mogelijks voor Blokwatch interessant doelpubliek.
Als Spruyt consequent is met zichzelf, dan kan hij meteen ook domeinnamen als stevaert.com, tobback.com of vakboungd.be registreren. Het is immers bekend dat er de voorbije 20 jaar een flink deel van de socialistische achterban is overgestapt naar Vlaams Belang, en dat ook de vakbonden te kampen hebben met een groeiend aantal sympathisanten van 'extreem-rechts' in hun rangen. Met de registratie van deze domeinnamen kan Blokwatch dan in contact treden met "een mogelijks interessant doelpubliek". De registratie zou dan uiteraard niets zeggen over de houding van Blokwatch tegenover Stevaert, Tobback of de vakbonden.
Mochten wij de bedoeling hebben gehad Nova Civitas te “schaden”, dan hadden we niet naar Blokwatch doorgelinkt, maar bv. naar de website van de VLD of van Karel De Gucht [...]
Hoezo? Nova Civitas is nog steeds van mening dat "de natuurlijke habitat van het liberalisme in Vlaanderen rond de VLD zou moeten gekristalliseerd worden", en Karel De Gucht was in 2004 hoogstpersoonlijk aanwezig toen Nova Civitas de Prijs van de Vrijheid uitreikte aan Ayaan Hirsi Ali. Het associëren van Nova Civitas met de VLD of met Karel De Gucht is alvast veel minder schadelijk dan een verbinding met Blokwatch.
Dat Coveliers Blokwatch “banaal en marginaal” vindt moet hij weten. Maar voor de goede orde en de correctheid van de informatie, toch ook nog dit. Blokwatch haalt dagelijks minstens 30 à 50 maal zoveel bezoekers als Nova Civitas doet. Zeer marginaal dus.
Spruyt doelt hier natuurlijk op de websites van beide organisaties. Nu is het uitbaten van een website niet meteen het hoofddoel van Nova Civitas. Het aantal bezoekers van een website lijkt me niet meteen een maatstaf voor het afwegen van de marginaliteit of het belang van organisaties of personen met politieke standpunten. Als LVB.net meer bezoekers haalt dan de website van de VLD (en dat is meestal ook zo), wil dat dan zeggen dat de VLD banaler en marginaler is dan mij? Ik denk het niet.
O ja, nog iets om jullie jaloers op te maken: geen enkele website haalt zo vaak het nieuws als Blokwatch doet. Een overzicht van onze spraakmakende vermeldingen in de Vlaamse dagbladpers: http://www.blokwatch.be/content/view/432/1/lang,nl/
Als het de bedoeling was om in het nieuws te komen, dan was de domeinkaping van novacivitas.be een geslaagde stunt. Maar dan is het wel vreemd dat Spruyt nogal verstoord is over de berichtgeving in De Standaard over de hele zaak:
Als De Standaard (en Jurgen Verstrepen) het dan toch nodig vindt twee weken nadat de zaak in der minne is geregeld, “nieuws” te maken van onze zogenaamde domeinkaping van novacivitas.be, hadden ze ook wel even de tijd kunnen nemen onze versie van de feiten te vragen. Dat zou journalistiek correcter zijn geweest en een heel pak interessanter voor hun lezers.
Wel, er is dan nog het verwijt dat Nova Civitas "nog altijd niet" het nodige zou gedaan hebben om de overdracht van de domeinnaam te initiëren... Sorry, maar we hadden daarover zowel telefonisch als schriftelijk contact met onze agent en we kregen bevestiging dat het nodige zou gebeuren.
Wordt hopelijk binnenkort afgesloten...
L. Van Braekel
gepubliceerd op woensdag 24 augustus 2005 @ 14:34
Laatste paragrafen toegevoegd door Nova Civitas Webmaster.
Posted by NovaCivitas at
05:04 pm
|
Druk deze pagina
20 augustus 2005
Liberalen smeden plannen - Niet alleen Verwilghens toekomst onzeker
Voor de liberalen wordt het erop of eronder in het najaar. De coalitiepartners gaven de VLD al een waarschuwing dat de partij orde op zaken moet stellen. Er worden discreet plannen gemaakt. Dat er in de 'nouveau' VLD geen plaats meer is voor Marc Verwilghen (foto) was al langer duidelijk. Maar het laatste uur van Jean-Marie Dedecker lijkt nu ook geslagen. En hier en daar wordt zelfs over noodscenario's gesproken als Bart Somers het niet redt als partijvoorzitter.
Het heeft niemand echt verbaasd, het bericht dat Marc Verwilghen andermaal is voorgedragen voor een internationale functie, meer bepaald als Commissaris voor de mensenrechten bij de Raad van Europa. Eerder dit jaar mislukte de poging om de liberaal te bombarderen tot hoog commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties, in opvolging van een handtastelijke Ruud Lubbers. Sindsdien staat de 'exit' van de gewezen 'witte ridder' uit de vaderlandse politiek in de sterren geschreven. In tegenstelling tot zijn kandidatuur als hoog commissaris voor de vluchtelingen maakt Verwilghen nu wel een goede kans. De job van mensenrechtencommissaris bij de Raad van Europa heeft minder prestige. 'Veel meer dan een rapporteursfunctie is het niet', is te horen. En het kan vrij snel gaan, want tegen 7 september moeten alle kandidaturen binnen zijn.
In de federale regering zou dan tegen midden oktober niet alleen het aangekondigde vertrek van sp.a-vice-premier Johan Vande Lanotte moeten worden opgevangen, maar ook dat van Marc Verwilghen als minister van Economie. Dat is geen geschenk voor de liberalen, want het zal het geduw en getrek bij de VLD alleen maar doen toenemen. Velen voelen zich geroepen, weinigen zijn uitverkoren. VLD-kamerfractievoorzitter Rik Daems hoopt al langer op een ministeriële comeback. Maar die ambitie heeft ook zijn streekgenote Patricia Ceysens, die na een kort ministerambt in de Vlaamse regering genoegen moest nemen met het fractieleiderschap in het Vlaams Parlement. Ook de naam van Vincent Van Quickenborne valt, de rijzende ster van de VLD, van wie de laatste tijd weinig of niets meer wordt gehoord.
En dan is er natuurlijk nog Jean-Marie Dedecker, het enfant terrible. In liberale kringen is te horen dat hij met niet minder dan een ministerportefeuille tevreden zal zijn. Het zou hem meteen 'neutraliseren', mocht hij zijn droom in vervulling zien gaan en minister van Economie worden. Wordt hij het niet, dan dreigt hij meteen weer alle duivels te ontbinden. En de kans is bijzonder klein dat Dedecker minister wordt want de socialisten willen daar niet van weten. De manier waarop Dedecker in Oostende wild tekeergaat tegen Vande Lanotte, draagt niet bij tot een goede verstandhouding. Naar verluidt heeft de toekomstige sp.a-voorzitter de VLD al laten verstaan dat Dedecker volgend jaar best niet deelneemt aan de gemeenteraadsverkiezingen in Oostende. Anders is er van het paarse voorakkoord, met Bart Tommelein als VLD-lijsttrekker, in de koningin der badsteden geen sprake meer.
Vlaams Belang
Dedecker lijkt voor de liberalen dan ook meer dan ooit een probleem te worden en allerminst een troef. Dat Dedecker de partij meer schaadt dan baat, is al langer de analyse van Karel De Gucht. Het ziet ernaar uit dat De Gucht dit keer niet alleen gelijk heeft, maar ook zal krijgen. Guy Verhofstadt maar vooral ook Patrick Dewael staan nu helemaal achter de visie van De Gucht. Bij een eerstvolgende misstap zal Dedecker uit de partij worden gezet. En het kan snel gaan, want Dedecker kondigde al aan opnieuw luid van zich te zullen laten horen als de VLD het na het zomerreces slecht blijft doen in de peilingen. 'Als je aankondigt dat je een owngoal gaat scoren, komt er veel volk achter de netten staan kijken, maar dat blijft niet duren', zegt een liberaal.
Dat Dedecker niet langer als een troef wordt beschouwd, heeft veel te maken met de 'Stemmenkampioen', de populariteitspoll van Het Laatste Nieuws. Daaruit is overduidelijk naar voren gekomen dat zijn populariteit moet worden toegeschreven aan Vlaams Belang-kiezers. 'Dedecker houdt dus geen kiezers vast voor de VLD, maar leidt die veeleer naar het Vlaams Belang', zegt een liberaal. Dedecker als laatste dam tegen het Vlaams Belang, zijn zogenaamde troefkaart, is blijkbaar een illusie. Plots wordt het minder moeilijk hem aan de deur te zetten. Het risico wordt dan wel heel reëel dat Dedecker zich aansluit bij Hugo Coveliers, die bezig is een donkerblauwe partij uit de grond te stampen. Dat project zou heel wat meer ampleur krijgen met de komst van de populaire Dedecker. Een afscheuring in de VLD is dan zeker in Antwerpen niet ondenkbaar.
Partijvoorzitterschap
Voor VLD-voorzitter Bart Somers wordt het ongetwijfeld een hete herfst. Hij moet niet alleen de blauwe lijn bewaken in het debat over het loopbaaneinde en de financiering van de sociale zekerheid, hij zal vooral ook het spanningsveld in zijn eigen partij onder controle moeten houden. Dat laatste wordt een helse klus, want er is niet alleen Dedecker die als schaduwvoorzitter het gezag van Somers blijft ondermijnen. Er is ook Karel De Gucht. Die heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij niet hoog oploopt met Somers. En dat is er niet beter op geworden sinds Somers in zijn slottoespraak op het het economisch congres van de VLD even hard naar De Gucht als naar Dedecker uithaalde. Dat leverde Somers een staande ovatie van de congresgangers op. Maar als hij het straks niet zou redden als partijvoorzitter, zal De Gucht geen helpende hand uitsteken. Integendeel.
'Ofwel krijgt Bart Somers de interne spanningen onder controle, ofwel niet. En dan is het goed mogelijk dat we naar een noodscenario gaan, waarbij Patrick Dewael - al dan niet onder druk - het voorzitterschap bij de VLD in handen neemt', zegt een liberaal. 'Steeds meer wordt duidelijk dat de mayonaise niet pakt met Bart Somers als voorzitter', wordt eraan toegevoegd. Somers geraakt maar niet af van zijn dodelijke imago van 'playmobilmannetje' dat volledig wordt gestuurd door Verhofstadt. Het mandaat dat hij kreeg om VLD'ers uit de partij te zetten die hun mond niet houden, heeft de indruk versterkt dat de gewezen woordvoerder van Verhofstadt geen ruggengraat heeft. Dat het hem aan natuurlijk gezag ontbreekt. Somers nu aan de kant schuiven, zou de doodssteek inhouden voor de politieke carrière van de man die volgens Guy Verhofstadt de toekomst van de Vlaamse liberalen is.
Dat de partijtop zulke zware ingrepen durft door te voeren met verkiezingen in zicht, is al eens bewezen. Op enkele maanden voor de verkiezingen van 2004 schoof premier Guy Verhofstadt voorzitter Karel De Gucht zonder verpinken opzij. Na de stembusgang, waar de liberalen grote verliezen leden, stond Patrick Dewael onder druk om de voorzittershamer van de VLD over te nemen, maar hij weigerde in het water te springen. Hij liet op dat bijzonder moeilijk moment de eer aan Somers. Dewael had voordien al de Vlaamse regering in de steek gelaten, om zich aan de zijde van Guy Verhofstadt in de federale regering te kunnen nestelen. Hij hoopte Verhofstadt op te kunnen volgen als die voorzitter van de Europese Commissie zou worden. Die droom is voorgoed weg. Bovendien is onze federale minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael, er naar verluidt niet gerust op dat een eventuele terroristische aanslag in ons land niet op zijn politieke kop terechtkomt.Wim VAN DE VELDEN
Wim Van De Velden
De Tijd, 19-08-2005
19 augustus 2005
VLD heeft nieuw reclamebureau
De VLD heeft het reclamebureau VVL BBDO in de arm genomen. Daarmee stelt Fons Van Dijck, in de jaren negentig directeur communicatie bij de SP, zijn expertise voortaan ten dienste van de liberalen.
Bij de verkiezingen van 2003 en 2004 mocht communicatie-adviseur Noël Slangen (Groep C) nog samen met het reclamebureau GV Company de VLD-boodschap in (softe) beelden vertalen. Nu gooit voorzitter Bart Somers het over een andere boeg.
VVL BBDO krijgt de moeilijke klus toegeschoven om de communicatie van een partij in malaise om te turnen tot een wervende boodschap voor 2006 en 2007. Het bureau heeft wel enige ervaring met ,,gedaanteverwisselingen''. Zo begeleidde het de fusie van KB, Cera en ABB, de transformatie van Union Minière in Umicore en van Orange in Base en verzorgt het al zeven jaar de campagnes van Electrabel.
Fons Van Dijck is er sinds 2001 strategisch directeur. Eerder werkte hij voor Telenet en voor de SP.A. Van 1991 tot 1996 moest hij de toenmalige SP door woelige communicatiewateren leiden, onder meer naar aanleiding van het Agusta-schandaal.
- Hoe gaat u de communicatie aanpakken van een partij in moeilijkheden?
Een match duurt 90 minuten, en supporters van Zulte-Waregem weten sinds dit weekend dat er in de toegevoegde tijd nog van alles kan gebeuren. VVL BBDO gaat de gemeente- en provincieraadsverkiezingen volgend jaar en de federale verkiezingen in 2007 begeleiden. Voor die laatste zijn we nog maar halfweg. In de tweede helft kan nog van alles gebeuren.
Ik denk dat de VLD ons bureau gekozen heeft voor onze succesvolle communicatie én onze discretie. Wij zullen alleen optreden achter de schermen, van ons zul je geen verklaringen of analyses horen.
- Zult u, zoals Noël Slangen eerder deed bij de premier en de partij, ook advies geven over omgang met journalisten? De partij klaagt er over dat ze ,,te slecht'' in de media komt.
Dat behoort niet tot onze opdracht.
- In wat verschilt politieke marketing van het op de markt zetten van ,,fast moving consumer goods'' (FMCG)?
Politici zijn levende producten. Logischerwijs heb je meer stoorzenders dan bij FMCG. Dat maakt het complexer.
Een ander belangrijk verschil is dat je altijd groeit ten koste van een ander, en vice versa. De kiezersmarkt is en blijft altijd 100 procent. In de telecomsector, bijvoorbeeld, kun je campagnes opstellen die gebaseerd zijn op een groeiende markt. Daar groei je niet, of niet noodzakelijk, ten koste van een ander. In de politiek is dat helemaal anders.
- Beschouwt u het voor uzelf als een ,,switch'' van partij?
Dat is een privé-zaak. Die vraag is ook nooit aan bod gekomen bij de VLD. Wij werken voor Lay's en Pepsi Cola. Daar heeft niemand me ooit gevraagd of ik chips of cola lust.
Isabel Albers
© De Standaard, 18-08-2005
Posted by NovaCivitas at
12:25 pm
|
Druk deze pagina
18 augustus 2005
Bart de Wever - 'In een regering met de PS? Waarom niet?'
'Ik ben een absolute antiromanticus', bekent N-VA voorzitter Bart De Wever (foto). 'Mij zul je nooit betrappen met de nekharen stijf overeind, patriottische liederen zingend.' Maar als overtuigd Vlaams-nationalist hecht hij wel veel belang aan de onderliggende identiteitsbeleving, op voorwaarde dat het een open, positief verhaal blijft. 'De schaduwkanten worden overbelicht. Men sleurt er altijd meteen Joegoslavische toestanden bij.'
Nog maar kort geleden was de N-VA-voorzitter te gast op de "denkdag" van Nova Civitas. In De Morgen van 25-07-2005 verscheen een interview met hem dat interessante aanvullingen biedt op het verslag dat we hier enkele dagen geleden afdrukten. Reden te over om U het interview aan te bieden.
Na de fotosessie onder het Mariabeeld dat zijn voorgevel siert - een erfenis van de eerste bewoner, Gerard Van de Vijver, in de jaren vijftig CVP-schepen in Berchem - troont De Wever ons mee naar binnen. Fier wijst hij op een affiche uit 1917: een origineel exemplaar van de Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring die in die tijd werd opgesteld. Rudi van der Paal, een van de stichters van de Volksunie, deed ze hem cadeau, "uit erkentelijkheid".
"Niet veel Vlamingen hebben zo'n affiche", zegt De Wever. "In Ierland hangt de onafhankelijkheidsverklaring van 1916 bij wijze van spreken in elke huiskamer. Een typevoorbeeld van hoe je op een positieve manier met identiteit kunt omgaan. Het Ierse zelfbewustzijn heeft uitstraling. Cultureel, maar ook sociaal-economisch. Ierse producten hebben een goede naam. En wij, wij hebben het beste bier van de wereld, maar tot voor kort dronken we het allemaal zelf op."
U hebt het over Belgisch bier?
Bart De Wever: "Oké, dat is niet exclusief Vlaams. Maar het zegt iets over de beleving van onze identiteit. Schaamte is misschien een groot woord, maar er heerst toch een gevoel dat we niet te veel betekenen.
"Mijn keuze ligt niet bij de Belgische identiteit. Ik loop dus niet warm voor de symbolen ervan. Weinig mensen trouwens. Voor 11 juli ook niet, hoor. Op 11 juli kun je de leeuwenvlaggen hier in de buurt op je twee handen tellen, op 21 juli idem dito voor de driekleur. Dat is een van de problemen in dit land: identiteit leeft niet."
Je hoeft je toch niet te beroepen op een nationale identiteit om iets voor te stellen?
"Dat is het punt niet. Mijn stelling is dat het kan helpen. Vooral sociaal zwakkere groepen hebben behoefte aan de zekerheid en de nestwarmte die een identiteitsgevoel kan geven. Mensen voelen zich cultureel en sociaal-economisch uitgedaagd. Cultureel door de islamwereld, economisch door pakweg China. Ze hebben het gevoel dat ze er alleen voor staan. De wereld wordt altijd maar groter. Daartegenover zet ik de lokale gemeenschap, als vakbond in de wereld. Wij willen voluit aan het internationale gebeuren meedoen, van op onze vierkante meter. Ik geloof niet dat identiteit alles oplost, maar ik denk dat het een houvast kan bieden als je er positief mee aan de slag gaat.
"Mijn vrees, en ze is eigenlijk al bewaarheid, is dat de mensen die zo'n houvast zoeken zich naar degenen keren die identiteit op een negatieve manier invullen."
En dat is volgens u het verschil tussen N-VA en Vlaams Belang?
"Voor honderd procent. Ons nationalisme is totaal verschillend. Zij promoten Vlaanderen als een schild tegen alles wat vreemd is. Als een soort georganiseerd groepsegoïsme, gericht op uitsluiting. Vlaming zijn vullen zij in op een manier die het voor buitenstaanders onmogelijk maakt om er ooit bij te horen."
Ook N-VA kiest voor een Vlaamse identiteit.
"Ons programma focust op burgerschap. De bereidheid om een gemeenschap te vormen is cruciaal, maar we werpen geen onmogelijke barrières op. Vlaming zijn gaat voor mij niet over godsdienst of kledij. Die vrijheid is een van de verworvenheden van het westerse denken. Iemand die er bijkomt hoeft zijn private cultuur niet op te geven, maar moet wel bereid zijn om mee te spelen in de publieke cultuur die erboven staat. En als zo iemand sociaal-economisch kansen krijgt, zal zijn private cultuur uiteindelijk afkleuren op de hele samenleving. Dat is mijn ideaalbeeld: dat die private cultuur opgaat in het geheel en je tot een nieuwe synthese komt. Men heeft de afgelopen veertig jaar een ondoordacht inburgeringsbeleid gevoerd. Vanuit een superioriteitsdenken dacht men dat allochtonen zich wel zouden assimileren, omdat wij nu eenmaal beter leven. Drie generaties verder moet je vaststellen dat dat een naïeve veronderstelling was."
Werken symbolen als de Vlaamse leeuw of 11 juli dat ideaal niet tegen omdat ze zo sterk geassocieerd zijn met het negatieve flamingantisme, zoals u het noemt?
"Er is een concurrentiestrijd tussen België en Vlaanderen op het vlak van identiteitsvorming. Daardoor zijn zulke symbolen gepolitiseerd. Ik kan me voorstellen dat iemand die hier aankomt de indruk krijgt dat ze tegen hem gericht zijn. Maar daarom ga ik nog geen andere symbolen kiezen. Want dan hebben zij die ze proberen te recupereren voor hun negatieve verhaal echt gewonnen."
De leeuw heeft voor u dus zijn waarde?
"Ik ben een absolute antiromanticus. Mij zul je nooit betrappen met de nekharen stijf overeind, patriottische liederen zingend. Maar ik kijk er ook niet op neer. Ik word er warm noch koud van, maar 11 juli is de feestdag van mijn gemeenschap, en dat betekent iets, ja. In de negentiende eeuw, toen die feestdag werd gekozen, was Vlaanderen ruraal, heel arm en had zijn taal geen rechten. Nu, een goede honderd jaar later, staan we waar we staan. We mogen best trots zijn. Op zich heeft dat uiteraard weinig te maken met het geploeter in de modder in Kortrijk, zevenhonderd jaar geleden."
Waarom zou een Vlaamse identiteit meer waard zijn dan een Belgische?
"Op zich is ze dat niet. Democratie is volkssoevereiniteit. Dat dwingt je te zeggen wie het volk is en wie niet. De grenzen van onze democratie zijn de grenzen van Vlaanderen. De Belgische democratie heeft haar kansen gehad, maar is uit elkaar gevallen in twee aparte democratieën. Elk met hun eigen publiek, eigen agenda en eigen media. Ze leggen verantwoording af aan hun eigen kiezers en komen elkaar alleen tegen in het federaal parlement. Zo kan het niet werken. Vlaanderen kan dat wel. Zeker als er een Europees dak boven wordt getimmerd. Daaronder kun je je macrobelangen veiligstellen. Dat is het model van de eenentwintigste eeuw. De 'glokalisering', waarbij je je inschrijft in het supranationale, maar tegelijk het lokale uitbouwt als een warm nest. Dat is ook het model van vele hippe denkers in de VS. Mijn ideeën worden achterhaald genoemd, maar een Benjamin Barber oogst overal roem voor zijn opvattingen over burgerschap. Terwijl ik zijn ideeën gewoon op de Vlaamse casus toepas."
U pleit voor een nuchtere, bijna pragmatische vorm van identiteitsbeleving. Helpt het dan om met Vlaamse grensborden aan de taalgrens te gaan staan? Of met een vrachtwagen vol geld naar Strépy te rijden om de transfers te symboliseren?
"Kijk, ik ben politicus. Ik moet door een mediamuur om het publiek te bereiken. Ik kan van 's ochtends tot 's avonds dit soort verhalen vertellen, maar daarmee bereik ik Jan Publiek niet. Dus moet ik andere methodes zoeken. Je kunt daar de neus voor ophalen, maar van dat elitarisme ben ik genezen na de verkiezingsuitslag van 2003. Je moet wat durven pesten en jennen, dan krijg je aandacht."
Zulke acties leiden de aandacht toch eerder af van het verhaal dat u wilt vertellen?
"Je geeft je tegenstanders de kans om je te ridiculiseren en een karikatuur te maken van je boodschap, dat klopt. Maar liever dat dan niets. Die actie in Strépy wordt beschouwd als de ultieme provocatie. Maar sindsdien is het debat over de transfers niet meer stilgevallen. Ook aan Franstalige kant worden daar sinds kort zinnige dingen over gezegd. Ik begrijp dat men ons een kwaad hart toedraagt. Maar de vraag is: heb je daar politiek resultaat mee geboekt? Ja dus."
Zijn er in Wallonië mensen die uw analyse delen?
"Ja, maar ze zitten in de verdrukking. De Waalse minister-president Jean-Claude Van Cauwenberghe is een regionalist tot en met. Een grote coq wallon op zijn revers. Hij zegt dat hij een 'collègue extremiste' is, maar voegt eraan toe dat de angst overheerst in Wallonië. De doctrine van Di Rupo is nog minstens vijftien jaar het financiële status-quo handhaven. In functie daarvan moet de Waalse identiteit compatibel worden gemaakt met het Belgicisme en het royalisme. De koning, de Belgische eenheid; begrippen die een positieve connotatie hebben, en waarvan het tegendeel dan xenofobie en racisme zouden zijn. Ook in de 21-julitoespraak van Albert: de vrees voor Joegoslavische toestanden. Het streven naar Vlaamse autonomie wordt bijna gecriminaliseerd."
Wat denkt u dan wanneer Yves Leterme de koning uitnodigt in Ieper voor 'België danst'?
"Dat is de typische schizofrenie in dit land. Identiteitsbeleving ís niet exclusief. Voor vele mensen in Vlaanderen kan het perfect om eerst de Vlaamse identiteit te beleven en te vieren, en tien dagen later de Belgische. Ik heb daar geen moeite mee."
Ook niet als een kopstuk van uw kartelpartner zich zo opstelt?
"Dat behoort tot zijn ambt. Twee identiteiten knokken om de loyaliteit van de bevolking. Sommigen kiezen uitdrukkelijk voor de ene of de andere, een grote groep is niet mee. Leterme is minister-president van alle Vlamingen, het is niet meer dan normaal dat hij doet wat hij moet doen. Ik zit niet op zijn stoel, ik zal er ook nooit geraken, maar ik zou het waarschijnlijk niet anders doen."
En de koning uitnodigen in Berchem?
"Ik zou minister-president van alle Vlamingen willen zijn, en niet van de Vlaamse beweging alleen. Mensen kiezen voor verschillende identiteiten. Die schizofrenie is er, en daar kan ik mee leven."
Toch charmant dat dat kan.
"Ik heb er geen moeite mee. Het zou veel erger zijn mocht het gepaard gaan met agressie. Zoals in Baskenland bijvoorbeeld, waar men met het mes tussen de tanden leeft."
Maakt het net geen deel uit van onze identiteit dat we het gemoedelijk aanpakken en niet met elkaar op de vuist gaan omdat we toevallig van mening verschillen?
"Dat is zo. De Zuidelijke Nederlanden zijn altijd een speelbal geweest van de grote mogendheden. Het gevoel dat je je plan maar moet trekken heeft zich in onze mentaliteit vastgezet. Zoals riet dat buigt maar nooit breekt. Maar het verzwakt ons. Kijk naar Brussel-Halle-Vilvoorde: alle Vlaamse partijen willen splitsen, je hebt de grondwet aan je kant, je hebt een arrest van het Arbitragehof en nog slagen de Franstaligen erin de splitsing tegen te houden. En achteraf vraagt iedereen zich nog eens af: waar hebben we ons toch zo druk over gemaakt?"
Zegt u het maar.
"Op het moment dat de toepassing van de grondwet niets meer betekent, vraag ik me af waar we als politici mee bezig zijn. In een normaal federaal land beslist de meerderheid. Dus: we zijn geen normaal federaal land. Hoe ga je ooit iets deftig aanpakken als je B-H-V nog niet geregeld krijgt? Hoe ga je de sociale zekerheid hervormen in functie van de vergrijzing? Het is inderdaad eigen aan de mentaliteit. We zijn de lamme goedzak, en we eten er geen boterham minder om. Het bittere is dat dat niet waar is: het zal aan het einde van de maand veel schelen als de nv België op deze manier blijft draaien. Dan raken we nooit klaar voor de uitdagingen die op ons afkomen. Het is een illusie te denken dat onze welvaart eeuwig is."
B-H-V bewijst voor u dat België niet slagkrachtig meer is?
"Het bewijst dat de optelsom van die twee democratieën steeds meer blokkerend werkt. En dat je je geen enkele illusie moet maken over de echt moeilijke dossiers."
Heeft uw partij B-H-V al verwerkt?
"We zaten met een kater. Maar er zijn ook positieve effecten. We hebben onze boodschap kunnen brengen. Het beleid van de Vlaamse regering voor de rand staat op scherp. Als ik op straat sympathisanten tegenkom, vinden ze dat we het niet slecht gedaan hebben. Heel bizar. In de partij zijn er mensen die ontgoocheld zijn en zelfs afhaken, maar op het niveau van de kiezer zit het goed. Dat blijkt ook uit de peilingen."
Gaat u dan bij de volgende verkiezingen wel nog in kartel met CD&V?
"Die discussie is nog niet gestart. Maar mij lijkt het logisch dat we het kartel verderzetten. Er komt een cruciale communautaire ronde in 2007. We moeten zorgen dat we mee aan de onderhandelingstafel zitten. Als we samen met CD&V de grootste blijven, zitten we op de chauffeurszetel. Alleen zullen we moeten knokken dat we in de auto geraken."
Wat als de Franstaligen de dag na de verkiezingen zeggen: CD&V oké, N-VA niet?
"Di Rupo zegt dat nu al. Het wordt een keiharde strijd."
En als CD&V onder druk van de Franstaligen, vanuit dezelfde bekommernis om op de bestuurderszetel te raken, zijn kleine kartelpartner laat zitten?
"Ik heb de indruk dat de bereidheid bestaat om samen een verhaal te schrijven."
Ziet u zichzelf al in een regering met de PS?
"Waarom niet? Vanzelfsprekend zal dat natuurlijk niet zijn. Maar ik geloof niet in revolutionaire methodes. België zal verdwijnen door evolutie. Intussen moet je onderhandelen, ook met de PS. Wat overblijft van de nv België zal met hand en tand verdedigd worden door degenen die er financieel het meeste belang bij hebben. De steentjes zullen serieus losgewrikt moeten worden voor we ze kunnen verleggen."
Gemeenteraadsverkiezingen dan. U hebt vorig jaar gepleit voor een samenwerking tussen VLD, CD&V en N-VA in Antwerpen om een groot blok te vormen tussen de linkerzijde en het VB. Zonder succes.
"Sinds B-H-V zijn de relaties tussen ons en de VLD lichtjes vertroebeld. Het zou nochtans mooi geweest zijn. Die formatie had een grote kans om de burgemeester te leveren."
Legt u zich erbij neer dat Antwerpen volgend jaar in handen valt van het VB?
"Helemaal niet. Ik ben er tamelijk gerust op. Het VB wordt hier geleid door Philip Dewinter, en niemand moet die man. Ik zie hem nooit een absolute meerderheid halen en ik zie hem moeilijk bruggen slaan naar anderen."
U bent tegen het cordon sanitaire. Is het mogelijk dat N-VA het in een of andere gemeente doorbreekt?
"Het is aan het VB om zich aanvaardbaar te maken. Wie wil trouwen, moet begeerlijk zijn. Op dit moment zie ik een partij die wordt overheerst door Dewinter. Ondanks de cosmetica van de inhoud is de persoonlijkheid totaal niet veranderd. In het Vlaams parlement zit ik naast hem. Die ervaring maakt me niet bepaald trouwlustig. Hij ziet politiek als een poppenkast, waarin hij de lach- en applausmeester is. Ik gun hem die rol, elk verhaal heeft een nar nodig. Maar het zou goed zijn mocht het VB ooit eens mee in een bestuur stappen, zodat het duidelijk wordt wat ze waard zijn. Dat kan hun alleen maar stemmen kosten."
Zou u als partijvoorzitter uw veto stellen mocht een of andere lokale afdeling een bestuur met het VB willen vormen?
"Ik zie geen enkele gemeente waar de situatie zich voordoet. Ik denk dat je die vraag beter aan Bart Somers stelt. De kans is groter dat de VLD ermee geconfronteerd wordt. Als het dan nog eens in een andere gemeente is dan de mijne, is dat mooi meegenomen. Je hoort die plattelandsburgemeesters voortdurend zeggen dat we in Antwerpen het cordon moeten doorbreken. Doe het zelf, hé."
Interview : Gorik VAN HOLEN.
Relevante websites :
www.demorgen.be
www.n-va.be
Posted by NovaCivitas at
12:25 pm
|
Druk deze pagina
15 augustus 2005
Dure Olie
Dure olie? De Belgische federale regering doet er nog eens tot 13 procent belastingen bij…Een artikel van Rudi De Ceuster (foto)
De wereldeconomie zucht reeds maanden onder een galopperende ruwe olieprijs, die wellicht deels speculatief is. Volgens financiële kringen kost dit ons land zowat 3 miljard Euro, of één procent groei – daar waar zelfs onder normale omstandigheden de jaarlijkse groei van onze economie met moeite merkbaar boven de één procent zou uitstijgen.
Helaas is er ook nog een onfrisse fiscale zijde aan dit verhaal. Bovenop die welhaast dagelijks stijgende olieprijs heft de federale regering, met een VLD-Eerste Minister en een dito liberale Minister van Financiën, daarenboven nog eens bijkomende accijnzen en BTW op die hogere olieprijs.
Op basis van cijfers die ons uit betrouwbare bron bereiken zijn de accijnzen en BTW op dieselbrandstof tussen 1 januari 2005 en vandaag gestegen naar 558 Euro per liter, komend van 491 Euro per liter bij het begin van dit jaar. Dat is een stijging met eventjes 13,6 procent.
Eenzelfde verhaal wat benzine aangaat: accijnzen en BTW zijn daar gestegen tot 826 Euro per 1000 liter, komend van 753 Euro per 1000 liter op 1 januari 2005 – of een verhoging met 9,6 procent.
Beide cijfers komen bovenop de stijging van diesel- en benzineprijzen voor belastingen, als gevolg van de verhoogde ruwe olie-prijzen.
Het is ontstellend dat een regering onder deze omstandigheden blijft vasthouden aan een fiscaal kliksysteem voor olieproducten dat in deze economisch tragische contekst de last voor de verbuiker nog verzwaart.
De zogenaamde “accijnsverlaging” op de diesel met 2,10 Euro per 1000 liter, of 2,1 duizendsten van een Euro per liter, die twee dagen geleden triomfantelijk werd aangekondigd, is een aanfluiting van de intelligentie van de kiezer.
Uit cijfers blijkt overigens nu reeds een duidelijke terugloop van het diesel- en benzineverbruik in België in 2005. De automobilist gaat ofwel over de grens tanken, ofwel laat hij zijn wagen vaker op stal.
Desondanks heeft op basis van de verbruikscijfers van diesel en benzine in 2004 het perverse accijns- en BTW-systeem de Belgische verbruiker tussen 1 januari 2005 en vandaag naar verluidt bijkomende belastingen gekost ten bedrage van ongeveer 145 miljoen Euro voor diesel, en van zowat 55 miljoen Euro voor benzine – samen 200 miljoen Euro op zeven maanden, of zowat 343 miljoen Euro op jaarbasis bij constante prijzen.
Men vraagt zich af of niemand binnen de Belgische regering beseft hoezeer men met dit soort irrationele inhaligheid de hele Belgische economie benadeelt, op een ogenblik dat de ondernemers hier een hopeloze strijd leveren om concurrentieel te blijven.
Gezien de koppeling van de lonen aan de prijsindex zal dit de Belgische loonkosten, nu al tot zowat de hoogste in Europa gerekend, nog eens verhogen. De bedrijven moeten deze klap incasseren op het ogenblik dat zij nog steeds zuchten onder een te rigide arbeidsregeling, een in België onredelijk hoge electriciteitsprijs, dure en tergend inefficiënte milieuregels, enz..
Dit alles gebeurt op een moment dat in al onze buurlanden een bedrijfs- en tewerkstellingsvriendelijk beleid wordt gevoerd, waarbij Duitsland na de aankomende verkiezingen hoogstwaarschijnlijk het voortouw zal nemen.
Ondertussen laat het zich aanzien dat hier in België het najaar zal ingezet worden met een aantal schijnbewegingen en het gewone immobilisme tussen regering en sociale partners inzake de zeer dringend te nemen maatregelen aangaande de sanering van de sociale zekerheid, en voor de bevordering van de tewerkstellingsgraad.
Met een regering die, na de voormelde verhoging van de energiekosten, het aandurft dergelijke virtuele “accijnsverlagingen” aan te kondigen, valt, zoals reeds herhaaldelijk voorspeld, het ergste te verwachten.
Wanneer ontwaakt de federale overheid van dit land uit haar nu reeds twee jaar durende winterslaap?
Rudi De Ceuster
14/08/05
14 augustus 2005
De "Resource Bank Europe"-conferenties in Borovets en Vilnius : voor een vrij en verantwoordelijk Europa
Denktanks van de oude en de nieuwe wereld ontmoeten elkaar dit jaar opnieuw in Vilnius, Litouwen, ter gelegenheid van de tweede “Resource Bank Europe”-conferentie. Net zoals op de eerste bijeenkomst vorig jaar in Borovets, Bulgarije (zie groepsfoto) waaraan ondergetekende deelnam, is de bijeenkomst bedoeld om individuen en verenigingen die dezelfde doelstellingen delen bijeen te brengen zodat ervaringen en ideeën kunnen worden uitgewisseld. Deze bijdrage gaat over denktanks en de rol die ze te spelen hebben in het politieke en economische bestel.
De “Resource Bank” werd opgericht om de middelen (“resources”) te bundelen die de wereld moeten leiden naar meer vrijheid en welvaart. Het voornaamste middel daartoe is de inzet van die individuen die deze waarden als belangrijk beschouwen en die ze, ten koste van veel inspanningen, in de werkelijkheid omgezet willen zien.
Mensen - inclusief politici, activisten, leraren, journalisten, geestelijken, etc. - kunnen soms agenten van veranderingen zijn, maar ideeën zijn de eigenlijke aanstichters. Bij het formuleren en uitvoeren van beleid - inclusief de grote keuze tussen vrij ondernemerschap of socialisme, democratie of dictatuur - zijn ideeën van de hoogste, zelfs van beslissende betekenis. De overtuiging die mensen koesteren, zegt heel veel (misschien wel alles) over hun gedrag, over hun keuze in het stemhokje, over de wetten en regels die zij omhelzen, en over het soort systeem dat zij zullen willen realiseren. Verander de ideeën, en je kunt de loop van de geschiedenis veranderen.
Velen van ons hebben weken, maanden of jaren geleden het vrijheidsideaal omarmd. Maar eens dat gedachtengoed geïntegreerd is, hoe wordt dan te werk gegaan om het verder te ontwikkelen ? Meer in het bijzonder, hoe worden de idealen van persoonlijke en economische vrijheid in daden omgezet ? Waarom goede ideeën hebben als ze niet op een of andere manier kunnen worden doorgegeven, in het werkelijke leven kunnen worden getransponeerd ?
Hoe kan men in ideeën investeren? Een zeer effectief middel om dat te doen is in het recente verleden ontstaan: het instituut voor onderzoek naar politiek en beleid, de 'denktank'.
Wat is een denktank ?
Op de « Disinfopedia »-website wordt een denktank nogal laatdunkend omschreven als “an organization that claims to serve as a center for research and/or analysis of important public issues. In reality, many think tanks are little more than public relations fronts, usually headquartered in state or national seats of government and generating self-serving scholarship that serves the advocacy goals of their industry sponsors”. De praktijk is gelukkig enigszins anders : veel denktanks publiceren waardevol politiek en economisch onderzoek, en menig wetenschapper vond zijn/haar weg naar een denktank uit onvrede met het conformisme dat vaak de “gevestigde” maatschappijwetenschappen kenmerkt. Denktanks zijn een middel om de hierboven omschreven idealen te promoten, en door het beïnvloeden van opiniemakers, politici en ambtenaren te trachten de beperkingen van de persoonlijke en economische vrijheid zoveel mogelijk weg te werken.
'Denktanks' formuleren opvattingen over tal van politieke kwesties, organiseren daar seminars en conferenties over, en door deze programma's en publicaties dringen zij met hun politieke boodschap door tot de media, tot kamerleden en tot het grote publiek - om op deze wijze een rol te spelen in de opinievorming zoals die in een samenleving plaats heeft.
Tientallen 'denktanks' zijn in de afgelopen decennia vooral in Engeland en de Verenigde Staten opgericht. Het is eigenlijk allemaal begonnen met een succesvol zakenman – sir Anthony Fisher, tijdens de oorlog RAF-piloot - die zich tegelijk zorgen maakte over de ontwikkelingen in de samenleving. Op een avond bezocht hij een lezing van de klassiek-liberale econoom Friedrich A. Hayek, auteur van (onder meer) het beroemde boek The Road to Serfdom. Enthousiast over de inhoud van diens lezing liep Fisher na afloop op Hayek af en vroeg hem wat hij kon en moest doen om het debat en de politiek in goede banen te leiden. Moest hij politicus worden? 'Nee', zei Hayek. 'We moeten ons richten op de "handelaren in tweedehands ideeën", op mensen dus die de ideeën over samenleving en politiek van belangrijke filosofen uit het verleden, op een eigentijdse manier kunnen weergeven en op concrete kwesties kunnen toepassen. Als u iets wilt doen, richt u dan met uw opvattingen en uw geld een instituut op dat dit werk gaat doen', zei Hayek.
Fisher fourneerde de fondsen die in Londen de oprichting van het Institute of Economic Affairs mogelijk maakten. Vanuit Londen heeft het idee van de 'denktank' zich ook naar de Verenigde Staten en andere landen verspreid. Zelf richtte Fisher de Atlas Economic Research Foundation op, een instituut dat het oprichten van andere denktanks stimuleert en begeleidt. Bij de omwentelingen die in de jaren tachtig door de regeringen van Reagan en Thatcher in gang zijn gezet, hebben deze denktanks een beslissende rol gespeeld.
Wat doet een denktank ?
Het Vlaamse publiek – althans het overgrote merendeel ervan – heeft van het bestaan of de werking van denktanks geen kaas gegeten. Het politieke debat wordt hier gedomineerd door de media en de politieke partijen : het niveau van de eerste categorie overstijgt helaas niet altijd het discours van de tweede, met uitzondering van een aantal journalisten en publicisten die blijk geven van meer politieke en economische visie. Centraal in veel discussies is dat de nadruk wordt gelegd op de rol van de overheid en de manier waarop die de belangen van “de burger” zou moeten beschermen. Het is eigen aan een tijd waarin het klassiek-liberale gedachtengoed in feite wordt opgeofferd aan de verstandhouding tussen de regerende politieke partijen die weinig anders met elkaar gemeen hebben dan het willen vasthouden aan de macht. Zo er al denktanks actief zijn, gaat het voornamelijk om “linkse” organisaties die gericht zijn op de promotie van het overheidsapparaat en zijn dienstverlening. De “rechtse” denktanks – die hoofdzakelijk de vrije markt promoten – zijn in Vlaanderen sterk in de minderheid, zo al niet onbestaande. Nova Civitas is een zeldzame uitzondering, op enige afstand gevolgd door Liberales ofschoon deze laatste organisatie zich af en toe ook wat kritischer kon opstellen tegenover het regeringswerk.
Een denktank kan nochtans twee verschillende houdingen aannemen.Enerzijds kan zij de ideeën aanleveren : door de beïnvloeding van intellectuelen, journalisten, academici, ondernemers, enz. kan zij gaan wegen op het maatschappelijke debat. De politici zullen vanzelf volgen. Anderzijds is het ook mogelijk rechtstreeks de politici te beïnvloeden. In de terminologie van Arthur Seldon, een van de leidende figuren van het Institute for Economic Affairs : er is de “artillerie”, die het slagveld beschiet met goede ideeën, en er is de “infanterie” die rechtstreeks de confrontatie met het doel aangaat. Naar de mening van Seldon moeten denktanks bij de artillerie worden gerekend. In dat opzicht kan men zich de vraag stellen in hoeverre de twee voornoemde instellingen in Vlaanderen werkelijk als “denktanks” kunnen worden aangemerkt. Hun activiteit is immers te veel verweven met die van politici.
Bundeling van de krachten
Wie zich in het milieu van de klassiek-liberale denktanks begeeft stelt al gauw vast dat hij zich in een huis met veel kamers bevindt, waarvan de bewoners verschillende doelstellingen nastreven of zich op andere facetten van het leven in de maatschappij richten. Er zijn “allround”-denktanks, maar sommigen zetten zich in voor de rechten van eigenaars, voor de rechten van belastingbetalers, voor een betere organisatie van de gezondheidszorg, enz. Sommige denktanks accepteren de idee dat er een staat bestaat die min of meer uitgebreide bevoegdheden heeft, anderen willen de staat zoveel mogelijk terugdringen of hem zelfs afschaffen. Om die reden is het van belang dat de denktanks elkaar regelmatig ontmoeten en dat er wordt afgesproken over een min of meer gemeenschappelijke strategie, over inzichten die min of meer gemeenschappelijk zijn. Dit is de reden waarom de “Resource Bank Europe” in het leven werd geroepen.
De eerste “Resource Bank”-bijeenkomst bracht een 80-tal individuen samen afkomstig uit een 30-tal denktanks en instituten vanuit de vier windstreken. De ontmoeting vond plaats van 29 tot 31 oktober. Onder de deelnemende instellingen waren er een aantal “gevestigde” zoals het Institute for Economic Affairs (IEA), de Mont Pelerin Society (MPS), de Heritage Foundation, het Liberales Institut in Zurich, het Cato Institute, de Atlas Foundation, het Hayek Institut, de Friedrich Naumann-Stiftung, het Institute for Economic Studies Europe (IES) – en een aantal “nieuwere” zoals TechCentralStation, Nova Civitas, het Centre for the New Europe (CNE), de Citizens against Government Waste (CAGW), het Lithuanian Free Market Institute. Ook een aantal individuen die het vrijheidsideaal delen en die terzake een grote verdienste hebben vervoegden de bijeenkomst : Mart Laar (Estland), Barun Mithra (India), Hans Labohm (Nederland), Milen Veltchev (Bulgarije). Er waren ook een aantal mensen die hun nieuwe denktank kwamen voorstellen of juist hun intentie te kennen gaven om er eentje op te richten.
Het nut van deze ontmoetingen
Men kan zich de vraag stellen waarom ontmoetingen van dit type noodzakelijk zijn in deze tijd van communicatie via het internet en het verspreiden van ideeën langs websites of satteliettelefoon. Waarom zouden mensen die anders al een drukke agenda hebben drie dagen uittrekken voor het bijwonen van zo’n bijeenkomst, te vermeerderen met de reis naar een afgelegen hotel in het Bulgaarse gebergte of – zoals nu in oktober – naar het verre Vilnius ?
Wanneer men erover nadenkt, echter, zijn er verschillende goede redenen en de bijeenkomsten van Borovets of Vilnius zijn volkomen een bevestiging van die redenen. Een van de redenen kan worden gevonden in Hayek’s theorie over verdoken en wetenschappelijke kennis: op het internet vindt men de “wetenschappelijke” kennis – kennis over nieuwe economische maatregelen die her en der worden toegepast, kennis over argumentatie die wordt ontwikkeld tegen dwaas of spilziek economisch beleid, kennis over goede boeken, kennis over geschiedenis, kennis over… wel, noem-maar-op. Gedurende een “Resource Bank”-ontmoeting wordt evenwel de “verborgen” of “latente” kennis medegedeeld : omtrent individuen, omtrent de manier waarop argumenten kunnen worden voorgesteld, omtrent bepaalde vrees of bepaalde overtuigingen, omtrent wat – volgens vrienden en geloofsgenoten – prioriteit zou moeten krijgen. Verschillende andere dingen die men op het net of in boeken niet terugvindt komen eveneens aan bod : over middelen tot communicatie, over technieken van fondsenwerving… weetjes, tips, trucs. Dikwijls is men verrast te vernemen wat succes heeft. Beide types van kennis, verdoken kennis zowel als wetenschappelijke kennis, zijn van belang om succesvol te zijn in de instelling, in het project. Een goede follow-up is evenwel noodzakelijk : indien het er slechts om gaat het eigen clubje te overtuigen, schieten de ontmoetingen hun doel voorbij. Communicatie achteraf (websites, boeken, artikels, enz.) is onontbeerlijk voor het verspreiden van de resultaten.
Het klinkt misschien paradoxaal, maar deelnemen aan een “Resource Bank” spaart hem die de ontmoeting bijwoont tijd, geld en moeite. Natuurlijk is de reis een kostelijke aangelegenheid, maar het surfen naar allerlei websites, het aanschrijven van vrienden voor informatie, het opbellen van collega’s kost eveneens een grote inspanning en wordt daarom soms onbepaald uitgesteld. Op de “Resource Bank”-meeting hadden de deelnemers reeds de kost van de verplaatsing aanvaard : zij waren er om informatie uit te wisselen waardoor de kost van opzoekingen sterk zou worden verminderd.
Uiteindelijk hebben de ontmoetingen ook een sociale functie : het is aangenamer samen te werken met mensen die men persoonlijk kent. Op die ontmoetingen worden veel vriendschapsbanden gesmeed.
Vilnius
Zoals gezegd is de volgende “Resource Bank”-ontmoeting gepland in Vilnius, van 14 tot 15 oktober 2005. Het programma is nu te bekijken op www.rbeurope.org. Wie meer wil weten, kan daar terecht.
S. Wyckaert
12 augustus 2005
De koopkrachtmythe
Thomas Sowell (foto) is de Rose and Milton Friedman Senior Fellow aan de Hoover Institution van Stanford University. Hij schreef meerdere boeken over economie, geschiedenis, ideologische visies, en etnische vraagstukken. Dit artikel over de koopkrachtmythe werd vertaald uit Sowells Basic Economics: A Citizens Guide to the Economy, 1st Edition, p.325-328.
Sommige van de oudste mythen over economie — reeds meer dan twee eeuwen geleden weerlegd door economen — betreffen de vrees dat er niet genoeg koopkracht zal zijn om de omvangrijke, en telkens maar groeiende, productie van goederen en diensten te kunnen kopen. Als het bovendien niet mogelijk is om alles te (ver)kopen dat geproduceerd wordt, dan zal het evenzo onmogelijk zijn om alle arbeiders aan het werk te houden.
Politici verkondigen dat sociale werkverschaffing of zelfs het bouwen van militaire bases bijdragen aan de koopkracht van een land, terwijl deze feitelijk slechts koopkracht van belastingbetalers naar elders verplaatsen zonder een netto toename voor de economie als geheel. Soms wordt zelfs beweerd dat het economische effect van een overheidsuitgave zich “vermenigvuldigt” doordat het telkens weer heruitgegeven wordt naarmate het circuleert in de gemeenschap. Maar als het geld niet bij belastingbetalers weggenomen was, dan zou het ergens anders uitgegeven en heruitgegeven zijn. Evenzo zou, als bedrijven het geld voor investeringen gebruikt zouden hebben, het geld heruitgegeven worden door diegenen van wie de investeerders machines, bureaus, en dergelijke gekocht zouden hebben.
Vaak werd gedacht dat mensen die sparen de economie van koopkracht beroven en daardoor de werkgelegenheid in gevaar brachten. Maar gespaard geld verdwijnt niet in het niets. Het wordt uitgeleend door banken en andere financiële instellingen en dan uitgegeven door andere mensen met andere doelen, maar het blijft daarbij evenzeer een deel van de koopkracht als wanneer het niet gespaard zou zijn.
Sommigen hebben beweerd dat arbeiders niet genoeg loon krijgen “om hun productie terug te kopen” terwijl de rijkere klassen niet al hun inkomen uitgeven, waardoor er een gat zou ontstaan tussen de waarde van de output en de koopkracht om deze output te kopen. Maar, zoals gezegd, gespaard geld is net zozeer koopkracht als geld dat aan consumptiegoederen wordt besteed. Dit alles is uitgepluisd in de vroege 19e eeuw in controversies over wat later bekend werd als de Wet van Say, die stelt dat aanbod zijn eigen vraag creëert. Toch is het idee dat de koopkracht tekort kan schieten in het kapitalisme nooit helemaal verdwenen, ondanks theoretisch en empirisch weerlegd te zijn door economen van eeuwen geleden.
In zijn simpelste vorm deed de koopkrachtmythe veel mensen in de 18e en 19e eeuw zich afvragen hoe de economie de enorme toename van output van de industriële revolutie kon verwerken. Wat zou er gebeuren als in alle behoeften van mensen voorzien zou zijn—een situatie die volgens sommigen aanstaande was--terwijl de machines en arbeiders alsmaar meer zouden produceren?
Maar naarmate de geschiedenis zichzelf ontvouwde, bleek dit een van de vele non-problemen te zijn waarmee fantasierijke leden van de intelligentsia door de eeuwen heen zichzelf gekweld en anderen gealarmeerd hebben. (Afnemende IQ’s, uitputting van grondstoffen, en het broeikaseffect zijn anderen.) De verzadiging van menselijke behoeftes, die sommigen in het begin van de 19e eeuw vreesden, lijkt vandaag de dag nog ver weg, ondanks dat we een overvloed hebben aan dingen als koelkasten, computers en TV’s, waarvan men destijds niet eens kon dromen.
Er speelt echter meer dan het simpele feit dat het gevreesde gevaar nooit verwezenlijkt is. Ingenieuze doemdenkers kunnen altijd zeggen dat de ramp die zij voorspelden slechts “uitgesteld is” door voorspoedige omstandigheden die niet altijd voort kunnen duren. Het empirische argument tegen de koopkrachtmythe is dus niet genoeg. Begrepen moet worden waarom een dergelijke theorie logisch ongeldig is.
Een groep Franse economen, bekend als de physiocraten, lieten in de 18e eeuw zien dat de