Nova Civitas
Blog Over Nova Civitas Kalender Archief Inschrijven English
 
FAQ
Publicaties
Artikels
CNE
IES Europe
Koppelingen
 
   
Zoek


Archief
Recente bijdragen
Koppelingen
Powered by
Movable Type 2.661

 
 

19 augustus 2006

Ouderwets, klassikaal en degelijk onderwijs. Het bestaat nog.

classroom.jpg Onlangs stond een opmerkelijk bericht in De Volkskrant ([1]). De tweede fase en het studiehuis, die enkele jaren geleden zijn ingevoerd in het voortgezet onderwijs, zijn een mislukking en worden zo zoetjesaan weer afgeschaft. Dat is buitengewoon opmerkelijk, daar deze zeer drastische onderwijsvernieuwingen bij de invoering als ‘ei van Columbus’ werden gepresenteerd. De scepsis die toen al heerste onder leerlingen, hun ouders en docenten werd weggewuifd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Ten onrechte, naar nu blijkt. Na jaren van ontevredenheid gaat nu ook het ministerie overstag en wordt de situatie van voor de tweede fase langzaam maar zeker grotendeels hersteld.

Niet alle scholen hebben enkele jaren geleden echter de tweede fase en het studiehuis ingevoerd. Er zijn in Nederland enkele kleine, particuliere scholen voor voortgezet onderwijs. De onderwijsvernieuwingen van de afgelopen jaren zijn aan deze scholen grotendeels voorbij gegaan. Nu de onvrede en problematiek in het reguliere onderwijs alleen maar toenemen loont het de moeite de mogelijke alternatieven onder de loep te nemen. Dit artikel beperkt zich tot het voortgezet onderwijs.

Er zijn in Nederland zeer weinig particuliere scholen voor basis- of voorgezet onderwijs, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland. In 2003 volgden ongeveer 2300 ([6 p39]) leerlingen onderwijs aan een particuliere school voor voortgezet onderwijs. Geen enkele politieke partij ziet particulier onderwijs als een serieus alternatief voor regulier onderwijs. Toch kan particulier onderwijs voor veel mensen een uitkomst zijn. Leerlingen gaan vaak naar een privé-school omdat ze in het reguliere onderwijs zijn vastgelopen. Vooral voor leerlingen met dyslexie, faalangst of andere (leer)problemen is het gemakkelijk te verzuipen in de leerfabrieken met de bekende ordeproblemen, een gebrek aan individuele aandacht, te grote klassen, lerarentekort, organisatorische problemen, verouderde gebouwen en een onderwijsaanbod dat niet is afgestemd op het individu. Particuliere scholen bieden veel meer persoonlijke begeleiding dan reguliere scholen ooit kunnen geven en opereren kleinschaliger. Sommige leerlingen hebben deze aandacht nu eenmaal nodig om tot goede resultaten te komen.

Op de huidige reguliere scholen wordt veel zelfdiscipline verwacht en veel leerlingen kunnen die niet opbrengen. Dit is ook één van de grootste punten van kritiek op de tweede fase en het studiehuis. Met sommige leerlingen gaat het gewoon mis. Ze volgen een opleiding ver onder hun niveau, blijven meerdere keren zitten of zakken voor het eindexamen en vaak hebben ze een groot gebrek aan motivatie. Regulier onderwijs lijkt een heilloze weg, het is meestal al jaren achtereen niet goed gegaan. Met name voor deze groep leerlingen kan het particulier onderwijs een uitkomst vormen.

De beslissing van ouders om hun kind naar een particuliere school te sturen wordt doorgaans niet licht genomen. Ouders hebben het hele traject van belonen tot dreigen met straf, controleren op huiswerk en gesprekken met de school veelal al doorlopen. Particulier onderwijs wordt dan als laatste redmiddel gezien. Bovendien zijn veel ouders ontevreden over de prestaties van reguliere scholen en de omgang met de problemen van hun kind. Eigenlijk kan men dit de scholen ook niet kwalijk nemen. Er gaat zoveel tijd op aan vergaderen, onderwijsvernieuwingen, administratie en het zonder kleerscheuren doorkomen van de dag dat we al blij mogen zijn als docenten überhaupt aan lesgeven toekomen. Om maar te zwijgen van extra begeleiding voor leerlingen met leerproblemen. Een reden die docenten van particuliere scholen dan ook aanvoeren om niet meer volledig in het regulier onderwijs werkzaam te zijn is dat ze in het particulier onderwijs leerlingen kansen kunnen bieden die ze in het regulier onderwijs niet kunnen geven. Ofwel, ze kunnen tenminste nog gewoon hun vak uitoefenen zonder dat ze gehinderd worden door massa’s theoretici achter een bureau.

Kleine en overzichtelijke scholen

Privé-scholen zijn kleine scholen. De meeste hebben ongeveer 100 leerlingen per vestiging. Ook de klassen zijn veel kleiner dan bij reguliere scholen. De groepsgrootte varieert ongeveer van 6 tot 14 leerlingen. De individuele aandacht voor de leerling is dan ook veel groter dan bij reguliere scholen. Lesuitval is een onbekend verschijnsel en ook tussenuren zijn er niet. Een schooldag duurt van ’s ochtends vroeg tot in de avond. Leerlingen zitten de hele dag op school en worden aan het werk gehouden. Voor een bepaalde groep leerlingen pakte dit extra goed uit omdat ze hierdoor uit hun oude milieu met verkeerde vrienden werden gehaald. Van bureaucratie hebben de scholen minder last ([zie 6]). Aangezien alle inkomsten van betalende klanten moeten komen zal er efficiënt met de middelen moeten worden omgesprongen. Ouders zijn vaak veel directer betrokken bij het onderwijs dan op reguliere scholen en ze zullen verspilling van hun geld aan nutteloze en onzinnige zaken ongetwijfeld kritisch benaderen.

De meeste onderwijsvernieuwingen van de afgelopen jaren zijn aan de particuliere scholen voorbij gegaan. Weliswaar worden de vakken van de tweede fase gedoceerd, van een studiehuis is geen sprake. Leerlingen krijgen ouderwets, klassikaal en degelijk onderwijs, niet gehinderd door modieuze en extravagante ideëen van Haagse onderwijsdeskundigen. Voor veel leerlingen is dit ‘to the point’ onderwijs een verademing. Huiswerk – vaak een bron van conflicten tussen ouders en de leerling – wordt op school gemaakt, onder begeleiding. Van leerlingen wordt verwacht dat ze hun werk doen en eigenlijk niet meer dan dat. Deze duidelijke, door Haagse regelneven verafschuwde inzichten, zorgen voor opmerkelijke resultaten.

Het volgen van de laatste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs in één jaar is eerder norm dan uitzondering. De strakke discipline en lange werkweek maken het mogelijk om meer stof te behandelen in dezelfde tijd dan op een gewone school. Veel leerlingen van particuliere scholen hebben al vertraging opgelopen door zittenblijven of zakken voor het examen en op deze manier kan weer één jaar worden gewonnen.

De slagingspercentages blijven iets achter bij die op reguliere scholen ([6] p42). Cijfers die scholen zelf opgeven variëren van 75% tot 90% geslaagden (tegen meer dan 90% op reguliere scholen [3]), waarbij de cijfers wel iets vertekend worden door het feit dat leerlingen die zakken voor het eindexamen wel deelcertificaten halen voor de gehaalde vakken en alleen de onvoldoende vakken over hoeven te doen. Gezien de problematische achtergrond van een groot deel van de leerlingen kan dit een prestatie van formaat worden genoemd.

Dit alles heeft echter wel zijn prijs. Privé-scholen zijn bijzonder kostbaar. Kosten variëren van 14.000 euro tot wel 20.000 euro per leerling per jaar ([6] p42). Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste is er de concurrentie met de reguliere scholen. Als particuliere scholen niet significant meer bieden dan staatsscholen zullen ze de concurrentie met de staatsscholen, die immers 'gratis' zijn, nooit aankunnen. Ze zullen dus 'veel' beter moeten zijn, en dat heeft z'n prijs. Ten tweede krijgen particuliere scholen geen geld uit de belastinginkomsten, zodat dit bedrag volledig door de ouders zal moeten worden opgehoest. Overigens zit 80% van de leerlingen slechts één jaar op een particuliere school ([6] p61). Ouders maken de keus om de onderwijscarrière van hun kind te redden door één keer diep in de buidel te tasten.

De hoge kosten lijken in de meeste gevallen echter gerechtvaardigd te zijn. Veel ouders zijn zeer te spreken over de resultaten die particuliere scholen bij hun kroost weten te behalen. Bij een enquête die in 2003 werd afgenomen onder 365 ouders van leerlingen op particuliere scholen werd als rapportcijfer aan de school gemiddeld een 8 gegeven ([6] p195). Ouders zijn vooral positief over de zeer strakke discipline en de individuele aandacht voor leerlingen. Opvallend genoeg weten ook de leerlingen zelf de strakke discipline wel te waarderen ([6] p180). Ze hoeven geen voortdurende strijd te leveren tegen hun gebrek aan zelfcontrole en behalen doorgaans goede resultaten.

Een leerling op een reguliere school kost de staat gemiddeld 5600 euro per jaar. Voor het speciaal onderwijs kan dat oplopen tot wel 9000 euro ([4]). Een leerling op een privéschool spaart de overheid dus veel geld uit. Het kost de staat immers minimaal 5600 euro minder omdat ze één leerling minder onderwijs hoeft te verlenen. Het zou niet meer dan rechtvaardig zijn als ouders wier kinderen naar een particuliere school gaan dat bedrag jaarlijks volledig gekort krijgen op hun belasting. Je betaalt tenslotte ook geen wegenbelasting als je niet op de openbare weg rijdt. Er zou dan sprake zijn van serieuze concurrentie tussen particuliere en reguliere scholen, ofwel tussen scholen die het geld van de klant moeten krijgen en scholen die het geld vanuit Den Haag ontvangen. Op dat moment wordt duidelijk of centrale sturing, politiek, democratie en talloze clubjes geleerde deskundigen tot betere resultaten leiden dan de markt.

Het is de vraag waarom de overheid niet tot een dergelijke eenvoudige doch rechtvaardige maatregel overgaat. Voor de kosten hoeven ze het niet te laten. Als het aantal leerlingen van particuliere scholen gelijk blijft, zou het de overheid niet meer dan ongeveer 20 miljoen euro kosten, een grijpstuiver op het totale onderwijsbudget van 27,5 miljard euro ([5]) dat zich ook nog eens terugverdient door de besparingen in de staatsuitgaven op het onderwijs. Als het staatsonderwijs echt betere resultaten oplevert dan onderwijs in de vrije markt, zal het particulier onderwijs toch vanzelf verdwijnen? De leerlingen zouden met hangende pootjes terugkeren naar de staatsscholen voor echt kwaliteitsonderwijs. En als particulier onderwijs beter is dan staatsonderwijs zodat de staatsscholen uit de markt geprijsd worden, zou de overheid dan niet blij moeten zijn dat zijn belangrijkste doelstelling wordt gehaald: goed onderwijs voor iedereen. Iemand die op de particuliere scholen slecht onderwijs krijgt kan immers 'gratis' op de staatsscholen terecht.

Het lijkt erop dat de primaire doelstelling van de overheid helemaal niet is om iedereen zo goed mogelijk onderwijs te laten volgen. Het lijkt er meer op dat het onderwijs een speelbal is in een politiek spelletje. Er worden steeds meer maatschappelijke problemen bij de scholen gedeponeerd. Of het nou gaat om emancipatie, het bevorderen van integratie, normen en waarden of gelijke kansen voor iedereen: er wordt vaak geroepen dat hier een taak voor het onderwijs ligt. Onderwijs, dat in zijn huidige vorm door de staat wordt vormgegeven. Het ziet er niet naar uit dat de overheid haar greep op de opgroeiende jeugd van 4 tot minimaal 16 jaar op korte termijn zal loslaten, de prestaties van particuliere scholen ten spijt.

Paul VAN LEEUWEN


Noten :

[1] Minister zet het mes in Studiehuis. Opgevraagd 16 november op http://www.volkskrant.nl/denhaag/1132120650534.html

[3] Slagingspercentage scholen gelijk gebleven. (17 juni 2004). Opgevraagd 3 april 2005 op http://nu.nl/news.jsp?n=342722&c=10

[4] Ministerie van OCW - Kerncijfers 1998 – 2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. (n.d.) Opgevraagd 5 april 2005 op http://www.minocw.nl/begroting/kerncijfers9802/32.html

[5] Ministerie van OCW – Dossier Begroting 2006. (n.d.) Opgevraagd 18 november 2005 op http://www.minocw.nl/begroting/

[6] Ali de Regt en Don Weenink / Investeren in je kinderen – Over de keuze voor particulier onderwijs in Nederland / Boom – Amsterdam

We namen dit artikel over van de site van het Libertarisch Centrum Nederland.

Posted by NovaCivitas at 06:06 pm | Druk deze pagina

18 augustus 2006

Het Kassa-Socialisme (D.J. Eppink)

eppink2.jpg Verwijzend naar "kassa-socialisten" De Batselier (directeur Nationale Bank), Stevaert (gouverneur Limburg), Van den Bossche (gedelegeerd bestuurder BIAC) en Haek (gedelegeerd bestuurder NMBS) hekelt Derk Jan Eppink (foto) de zelfbediening door de toppolitici van de SP.A.

Het Vlaamse socialisme kent drie strekkingen: het tribune-socialisme, het katheder-socialisme en het kassa-socialisme.

Tot de eerste reken ik Jef Sleeckx, die gepassioneerd opkomt voor de arbeiders. Hij heeft mijn sympathie.

Voor het tweede staat Frank Vandenbroucke model. Hij heeft mijn respect.

De derde strekking verfoei ik. Het was Norbert de Batselier die de kleine kantjes van het "kassa-socialisme" dik in de verf zette.

De Vlaamse socialisten moeten zich afvragen waar ze voor staan. Ze beweren op te komen voor de armen en arbeiders. Ze beschuldigen ondernemers van hebzucht en schilderen hen af als asociaal omdat sommigen zich (te) hoge vergoedingen toekennen.

Maar SP.A-leiders zijn veel erger dan grijpgrage ondernemers. Zij katapulteren zich in goedbetaalde publieke functies met inkomens waarvan ondernemers dromen. Ondernemers lopen het risico dat het bedrijf over de kop gaat en dat ze hun geld verliezen.

Socialistische leiders kunnen niet failliet gaan. Zij gebruiken de staat als trog. Als het geld op is, verhogen zij de belastingen. Uiteindelijk betaalt de kleine man hun afromen. Socialistische leiders zien de overheid als een zelfbedieningswinkel zonder kassa.

De gewone man begint het te doorzien, want er is een patroon.

De Batselier gold als partijvernieuwer, maar ik heb van die vernieuwing nooit meer gezien dan holle verklaringen op een ideologisch congres. Hij werkte tien jaar geleden mee aan het Sienjaal, samen met Maurits Coppieters en de altijd olijk ogende Freddy Willockx. Dat Sienjaal was gebakken lucht.

Mijn wantrouwen tegenover de Batselier werd gesterkt toen hij in 2004 probeerde zijn vrouw te benoemen tot hoofd van de administratie van Dendermonde, de gemeente waar De Batselier zelf burgemeester is. De operatie mislukte omdat niet alleen de oppositie in drie geheime stemrondes haar "nee" liet blijken, maar ook leden van de regerende coalitie.

Dat nepotisme toonde het gebrekkige oordeelsvermogen van "Den Bats". Zijn overstap naar de goedbetaalde functie bij De Nationale Bank met behoud van een flinke vergoeding van het Vlaams Parlement, ligt in dezelfde lijn.

Hij is niet de enige. Steve Stevaert benoemde zich tot "gouverneur voor het leven" van de provincie Limburg en meende dat bovendien te kunnen combineren met een goed betaalde functie bij de verzekeringsmaatschappij Ethias. Het geld ging zijn neus voorbij dank zij Jean-Marie Dedecker, die ooit beweerde dat het makkelijker is een hond langs een worstenwinkel te leiden dan een socialist langs een hoop geld.

Hoog gezeten in Limburg leeft Steve er goed van en begon allereerst met een dure renovatie van zijn residentie aan de Hasseltse Lombardstraat. In het hotel van de gouverneur is alles gratis, althans voor hem. Het is brassen zonder einde. Het geld vliegt in pakken de ramen uit en de champagne vliegt in dozen binnen. Volgens Steve moet geld rollen, bij voorkeur het geld van een ander.

Kameraad Luc Van den Bossche wierp zich op als de architect van het Copernicus-plan, dat strenge selectieprocedures invoerde voor topposities. Die procedure gold niet toen Van den Bossche zichzelf parachuteerde als gedelegeerd bestuurder van BIAC, waarvan de overheid een belangrijke aandeelhouder is. Zijn dochter Freya, die giften niet van leningen kan onderscheiden, volgde hem op in de federale regering.

Kassa-socialisme ontaardt steevast in nepotisme. Socialisten grijpen naar overheidsbedrijven omdat normale bedrijven hen niet willen, wegens "onbruikbaar". Jannie Haek, voormalig kabinetschef van Johan Vande Lanotte, sloeg de topfunctie bij de NMBS aan de haak.

"Kassa-socialisten" vormden een kaste zoals die ooit bestonden in de DDR of de Sovjet-Unie. Ze zeggen dat verontwaardiging over sociale misstanden hun drijfveer is. Maar gewonen mensen raken verontwaardigd over deze zelfbenoemde verontwaardigden. De SP.A heeft alle reden om verkiezingen te vrezen...

Derk Jan Eppink

Knack - 02/08/2006

Posted by NovaCivitas at 01:25 am | Druk deze pagina

11 augustus 2006

Andy Garcia's misdaad

lost_city.jpg Johan BRANDERS vertaalde een artikel van Humberto FONTOVA over een nogal onconventionele film over de Cubaanse revolutie die bij ons op 6 september in de zalen komt. Dat films mensen wakker kunnen schudden - of minstens het debat aanwakkeren - bleek enkele maanden geleden al met "V for Vendetta". Het gebeurt nu opnieuw, zij het in een totaal ander verband. Vrij actueel, nu Fidel Castro de laatste paar dagen opnieuw de voorpagina's haalde. Beleven we straks het einde van een tijdperk ? Hier wordt een verhaal verteld over het begin.

Andy Garcia heeft het goed verkorven met zijn film The Lost City. Bij de mainstream media, welteverstaan. Zo goed als unaniem breken ze een film af waaraan 16 jaar is gewerkt. In dit innemend drama over een Cubaans middenklasse gezin dat uiteenvalt tijdens de laatste vrije dagen van Havana, volhardde Garcia in het weergeven van wat historische waarheid over Cuba - een groteske en onvergeeflijke blunder in deze industrie. Daarvoor betaalt hij nu de prijs.

Eerder hadden vele filmfestivals al geweigerd de film te tonen. Nu wordt hij geweigerd door vele Latijns-Amerikaanse landen. De ergernissen die de film wekt zijn veelvuldig en gevarieerd. De ergste van allemaal; Che Guevara wordt getoond terwijl hij mensen in koelen bloede vermoordt.

"Waar haalt Garcia het idiote idee dat Cuba voor de komst van Castro een relatief welvarende maar politiek onrustige plek was?" vragen de critici. Alle Cubanen die hij in beeld brengt lijken wel middenklassers. "Waar in zijn film is de vloedgolf van verkromde en verhongerde boeren die Fidel en Che Havana hebben binnengedragen?" vragen ze. "Waar zijn al die ziekelijke en ongeletterde arbeiders en boeren waar mijn leraars Dan Rather, CNN en Oliver Stone mij over verteld hebben?" vragen de critici.

De fantasieën en hallucinaties van de mainstream media over het pre-Castro tijdperk, over Che, Fidel en de Cubanen in het algemeen werden door Garcia grondig dooreengeschud. Bijgevolg laten de van hun stuk gebrachte critici recensie na recensie hun ergernis en verachting de vrije loop.

"In een film over de Cubaanse revolutie zien we haast niemand van de arme arbeiders voor wie de revolutie zogezegd gestreden is," sneert Peter Reiner in The Christian Science Monitor. "In The Lost City ontbreekt historische complexiteit."

Wat werkelijk ontbreekt is Dhr. Reiners historische kennis. Andy Garcia en scenario­schrijver Guillermo Cabrera Infante wisten heel goed dat "arme arbeiders" geen rol speelden in de fase van de Cubaanse Revolutie die getoond wordt in de film. De anti-Batista oproer was voor het overgrote deel het werk van de Cubaanse midden- en vooral, hogere klasse. In augustus 1957 riep Castro's rebellenbeweging op tot een "Nationale Staking" tegen de dictatuur van Batista - en dreigde om werkwilligen dood te schieten. De "Nationale Staking" werd compleet genegeerd. Een nieuwe werd afgeroepen voor 5 april 1959. En opnieuw negeerden de Cubaanse arbeiders hun "bevrijders" en gingen massaal uit werken.

"Garcia's verhaal beklaagt het verlies van gemakkelijke rijkdom voor een paar enkelingen," kermt Michael Atkinson in The Village Voice. "Arme mensen zijn totaal afwezig; Garcia en Infante moeten gedacht hebben dat boerenrevoluties zonder aanwijsbare reden gebeuren - of tenminste zonder reden waarover de rijke 1 procent zich zorgen hoeft te maken."

Wat "totaal afwezig" is is Dhr. Atkinson's kennis over het Cuba van Garcia's film. Zijn sneer over die "rijke 1 procent," en vooral zijn "boerenrevolutie" belichamen de afgezaagde leugens over Cuba die nog steeds nagekakeld worden.

"De verpauperde massa van Cubanen die Castro als bevrijder omhelsden duiken alleen op in korrelige zwart-wit nieuwsfragmenten," snuift Stephen Holden in The New York Times. "Politieke dialoog beperkt zich in de film tot het niveau van het lager middelbaar."

"De film slaagt er niet in te focussen op de straatarme arbeiders wiens benarde toestand het vuur van de revolutie ontstak," klaagt Rex Reed in the New York Observer.

Hier is een UNESCO rapport over Cuba omstreeks 1957 dat komaf maakt met de fantasieën over het pre-Castro tijdperk die nog steeds gekoesterd worden door Amerika's meest gerenommeerde academici en meest erudiete filmcritici: "Een kenmerk van de Cubaanse sociale structuur is een omvangrijke middenklasse," zo begint het. "Er zijn in Cuba meer gesyndiceerde werknemers (in verhouding met de totale bevolking) dan in de VS. Het gemiddelde loon voor een achturige werkdag in Cuba in 1957 is hoger dan in België, Denemarken, Frankrijk en Duitsland. De Cubaanse loonarbeid vertegenwoordigt 66,6 % van het bruto nationale inkomen. In de VS is dat cijfer 70 %, in Zwitserland 64 %. 44 % van de Cubanen zijn gedekt door sociale wetgeving, een hoger percentage dan in de VS."

In 1958 had Cuba een hoger inkomen per hoofd dan Oostenrijk en Japan. Cubaanse industrie-arbeiders hadden de 8ste hoogste lonen ter wereld. In de 50'er jaren hadden Cubaanse havenarbeiders een hoger uurloon dan hun tegenhangers in New Orleans en San Francisco. Cuba had een achturige werkdag ingesteld in 1933 - vijf jaar voordat Roosevelts New Dealers hierin slaagden. Voeg daaraan toe: één maand betaald verlof. De veelvuldig (door links) bejubelde sociaal-democratieën van West-Europa konden dit pas 30 jaar later realiseren.

Cuba, een land met 71 % blanken in 1957, had de rassenscheiding al volledig afgeschaft 30 jaar voordat Rosa Parks in Birmingham van die bus gesleept werd. In 1958 had Cuba meer vrouwelijke afgestudeerden per hoofd dan de VS.

De anti-Batista opstand (niet revolutie) was voor het overgrote deel het werk van universiteitsstudenten en hoger opgeleiden. Hier is de samenstelling van het eerste kabinet van de "boerenrevolutie", bestaande uit de leiders van de anti-Batista strijd: 7 advocaten, 2 universiteitsprofessoren, 3 universiteitsstudenten, 1 dokter, 1 ingenieur, 1 architect en 1 voormalige burgemeester en kolonel die deserteerde uit het Bastista leger. Een notoir "bourgeois" gezelschap om het met de woorden van Che te zeggen.

Tegen 1961 daarentegen, waren het de arbeiders en campesinos die de overgrote meerderheid vormden van de anti-Castro rebellen, vooral de geurrillas in het Escambray gebergte. En jongens, hoe zou DIE opstand het niet doen in een bloedstollende actiefilm. Als zo'n film door een of ander mirakel ooit gemaakt zou worden mag je er zeker van zijn dat de geleerde critici die ook zullen afbreken. Wie heeft er nu ooit gehoord van een plattelandsbevolking die vecht tegen haar "weldoeners" Fidel en Che?

New York Times recensent Stephen Holden hekelt ook Garcia's implicatie dat "het leven rooskleurig was voordat Fidel Castro naar de stad kwam en alles naar de knoppen hielp."

In werkelijkheid, mijnheer Holden, nam Cuba voordat Castro "naar de stad kwam" meer immigranten (hoofdzakelijk van Europa) op als percentage van de bevolking dan de VS. En er leefden meer Amerikanen in Cuba dan Cubanen in de VS. Verder werden binnenbanden gebruikt in vrachtwagenbanden, olievaten voor olie en piepschuim als isolatie. Het waren geen begeerde artikelen op de zwarte markt voor gebruik als drijvend hulpmiddel bij het ontvluchten van de glorierijke bevrijding onder het afweren van hamer- en tijgerhaaien.

De geleerde heer Holden ergert zich ook aan de "belachelijke karikaturen van norse communistische apparatsjiks die orders brullen." Blijkbaar moeten apparatsjiks voorgesteld worden als enigszins misleide sociale werkers, of als lichtjes overijverige Howard Dean campagnemedewerkers.

Het is geen "karikatuur", mijnheer Holden, dat de "apparatsjiks" die Garcia in zijn film laat zien een hoger percentage van hun landgenoten opsloten en executeerden in de eerste drie maanden nadat ze aan de macht kwamen dan Hitler en zijn apparatsjiks deden in hun eerste drie jaren.

Andy Garcia toont het precies zoals het was. In 1958 onderging Cuba een opstand, geen revolutie. Cubanen verwachtten politieke verandering, geen socio-economische catastrofe. Maar ik besef ten volle dat dergelijk onderscheid te "complex" is voor filmcritici. Zij houden meer van clichés en fantasieën over revolutie. Garcia had de lovenswaardige voorbeelden van "historische complexiteit" en "nauwkeurigheid" kunnen volgen zoals die getoond worden in eerdere films over Cuba. Neem bijvoorbeeld de twee die de critici prefereren boven The Lost City; Havana en Godfather II.

In Havana wordt Fulgencio Batista door de briljante regisseur Sydney Pollack gecast met blond haar en blauwe ogen. In werkelijkheid was Batista een zwarte. In Godfather II laat Francis Ford Coppola de straten van Havana op oudejaarsavond 1958 volstromen met mensen en hij toont ze in een gevechtsscene die regelrecht uit Braveheart had kunnen komen. In werkelijkheid was het die nacht muisstil in de straten van Havana.

Ik waag me niet in de verheven rol van filmcriticus. Ik geef dus geen commentaar op de dramatische en cinematografische kritiek van deze doorluchtige recensenten. Ik zeg niet, en suggereer zelfs niet, dat The Lost City een betere film is dan Godfather II. Ik bekritiseer alleen maar de critici voor hun kritiek op de historische nauwkeurigheid van The Lost City. In hun recensies zien we - in al hun glorie - de kolossale en blijkbaar ongeneeslijke onwetendheid van de mainstream media in alles wat met Cuba te maken heeft.

Vertaling: Johan Branders
Origineel artikel: Humberto Fontova's "Andy Garcia's Thought Crime"


Relevante websites : www.thelostcitythemovie.com
Première België: 6 september 2006
Première Nederland: 17 augustus 2006

Posted by NovaCivitas at 10:23 pm | Druk deze pagina

7 augustus 2006

Hugo Schiltz : een biografie

hugoschiltz.jpg Hugo Schiltz werd op 28 oktober 1927 geboren in de gemeente Borsbeek, vlakbij Antwerpen. Als overtuigde flamingant maakte hij al op jonge leeftijd deel uit van de Vlaamse beweging. Tijdens WO II maakte hij deel uit van de Dietsche Blauwvoetvendels, waarvoor Schiltz na de oorlog enkele maanden in de gevangenis belandde.

Aan de KU Leuven behaalde hij een doctoraat in de rechten, een licentie in de economische wetenschappen en een baccalaureaat in de Thomistisch wijsbegeerte. Hij werd in 1953 advocaat aan de balie in Antwerpen en bleef de advocatenpraktijk nadien voortzetten. Daarnaast was hij nog docent aan de economische hogeschool St-Aloysius (Ehsal) in Brussel.

In 1958 werd Schiltz lid van de Antwerpse gemeenteraad, waar hij onafgebroken bleef zetelen tot 1989. Hij werd volksvertegenwoordiger voor de Volksunie in 1965 en zetelde in de Kamer zetelen tot 1991. Mede door zijn dossierkennis groeide Schiltz uit tot een uitstekend redenaar en debater.

Egmontpact

Schiltz werd partijvoorzitter in 1975. Hij slaagde erin de Volksunie in 1977 in de regering te krijgen. Maar de droom werd een nachtmerrie voor de Vlaams-nationalisten, vanwege het Egmontpact. Schiltz verdedigde die grondwetswijziging, maar slaagde er niet in zijn achterban te overtuigen. Het kwam uiteindelijk tot een breuk binnen de Vlaamse beweging, wat leidde tot de afscheuring van het Vlaams Blok van de Volksunie. Het Egmontpact werd nooit goedgekeurd.

Zijn partij raakte daardoor een tijdje op de sukkel en leed twee zware verkiezingsnederlagen na elkaar. Daarop besloot Schiltz in 1979 zich terug te trekken als VU-voorzitter, hoewel hij het vertrouwen van de partijbasis bleef behouden.

Van 1981 tot 1985 was hij gemeenschapsminister van Financiën en Begroting. Daarna werd de VU'er vicepremier en minister van Begroting en Wetenschapsbeleid in de laatste regering-Martens (van 1988 tot 1991). Hij was toen mee verantwoordelijk voor de val van die regering, omdat hij weigerde in te stemmen met een wapenlevering aan Koeweit. Daarna was hij nog vier jaar senator (van 1991 tot 1995).

Afscheid van de nationale politiek

Schiltz droomde daarna enkel nog van het Antwerps burgemeesterschap. Daarvoor ging hij in 1994 een kartel aan met de CVP, onder de naam 'Antwerpen '94'. Maar het initiatief was minder succesvol dan verhoopt. Schiltz moest de burgemeesterssjerp aan zich laten voorbijgaan en werd zes jaar lang schepen van Financiën, Economie en Toerisme. In 1995 werd hij benoemd tot minister van Staat.

Hij nam afscheid van de actieve politiek in januari 2001 en concentreerde zich daarna volledig op de advocatuur. Na de splitsing van de VU volgde hij Anciaux en co naar het links-liberale Spirit.

LLC

Bron : De Standaard Online.

Posted by NovaCivitas at 08:19 pm | Druk deze pagina

6 augustus 2006

Hugo Schiltz overleden

schiltz.jpg Vlaams politicus Hugo Schiltz is zaterdagavond overleden in het Universitaire Ziekenhuis van Antwerpen. Dat meldt zijn familie. De oud-voorzitter van de Volksunie werd 78.

De Vlaams-nationalistische politicus stampte dit jaar nog een nieuw advocatenkantoor uit de grond, samen met drie confrators. ,,Ik heb een ijzersterke gezondheid'', zei hij in mei nog in De Standaard. Nog geen drie maanden later is hij na een korte ziekte overleden.

Schiltz werd op 27 oktober 1927 geboren in Borsbeek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij lid van de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV). Zijn broer vocht aan het Oostfront. Na de oorlog belandde hij enkele maanden in de gevangenis. Daarna studeerde hij rechten en economie in Leuven.

In 1953 vestigde Schiltz zich in Antwerpen als advocaat. Vijf jaar later werd hij er gemeenteraadslid.

In 1963 sloot hij zich aan bij de Volksunie. Hij werd Kamerlid (1965-1991) en senator (1992-1995). Van 1975 tot 1979 was hij voorzitter.

Egmontpact

Hij koos bewust voor deelname aan de macht en was bereid compromissen te sluiten, tot groot ongenoegen van de traditionele rechtse Vlaams-nationalisten. In 1978 stapte Schiltz met zijn partij in de regering om het Egmontpact over de nieuwe staatshervorming uit te voeren. In het najaar van 1978 liep het pact op de klippen en leed de VU een zware verkiezingsnederlaag. Schiltz werd verantwoordelijk geacht en in 1979 nam hij ontslag als partijvoorzitter.

In de tweede helft van de jaren 1980 werd hij samen met Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene een van de grote architecten van het gefederaliseerde België In 1995 werd hij minister van Staat.

Advocatuur

Begin 2001 stapte hij uit de actieve politiek en lanceerde hij zich opnieuw in de advocatuur. Hij was eerst actief bij Ernst & Young en Peeters Advocaten, waarna hij samen met het voormalige hoofd van de juridische dienst van Boelwerf, Guido Verschroeven, Laurius stichtte. Het kantoor is er nu in geslaagd drie senior advocaten los te weken bij Baker & McKenzie.

,,De enige manier voor een oude man om braaf te blijven, is hard werken'' zei Schiltz enkele jaren geleden in een gesprek met Gazet Van Antwerpen. ,,Ik ben nog steeds nieuwsgierig naar wat er in de wereld, in het land en in deze stad gebeurt. En ik voel me verantwoordelijk voor de mensen die ik in de advocatuur heb geïntroduceerd.''

,,Wat we samen hebben verwezenlijkt, mag niet verwateren. Dat geldt ook voor de politiek. Het lot heeft mij gezegend met gezondheid en talent, en in ruil daarvoor wil ik een bijdrage aan de gemeenschap blijven leveren. Misschien is het ook wel een soort kwajongensachtige revanche op iedereen die mij politiek dood heeft verklaard.''

LLC

Bron : De Standaard Online.


Posted by NovaCivitas at 08:13 pm | Druk deze pagina

5 augustus 2006

Deirdre McCloskey : ‘Kapitalisme leidt tot liefde en samenwerking’

manhattan-skyline2.jpg De intelligentsia – links of rechts – mag graag afgeven op het kapitalisme. Het zou leiden tot cultureel verval. Econome Deirdre McCloskey neemt het voor de commercie op. ‘De markt maakt betere mensen van ons.’

Vier boekwerken denkt ze nodig te hebben om de intelligentsia van haar gelijk te overtuigen. Vorige maand verscheen het eerste deel – vijfhonderd pagina’s dik (de dertig pagina’s lange literatuurlijst niet meegerekend). Maar de Amerikaanse econome Deirdre McCloskey wil haar boodschap desgevraagd ook best in twee zinnen samenvatten: ‘De markt maakt betere mensen van ons. Want het kapitalisme draait uiteindelijk niet om concurrentie, maar om samenwerking.’

Krijg dat er maar eens in bij de academici, de romanschrijvers en de kunstenaars die vol argwaan naar de markt kijken. ‘Zij zijn ervan overtuigd dat de markt mensen corrupt maakt, dat commercie onze cultuur aantast, of dat het kapitalisme alleen maar tot vervreemding en een gefragmenteerde samenleving heeft geleid. Voor de consumptiemaatschappij hebben ze al helemaal geen goed woord over.’

Als je hen vervolgens vraagt waar ze al die wijsheid vandaan hebben, dan blijkt de bron vaak – direct of indirect – Marx te zijn. McCloskey schudt haar hoofd. ‘Marx heeft in zijn hele leven nooit een stap in een fabriek gezet. Wat wist hij nou van een burgerlijk, werkend leven af?’

Niet alleen de linkse elite geeft af op de markt. ‘Ook conservatief rechts gelooft dat het kapitalisme zal leiden tot een verval van normen en waarden.’

Het eerste deel van haar magnum opus – titel: The Bourgeois Virtues. Ethics for an Age of Commerce (De burgerlijke deugden. Ethiek voor een tijdperk van commercie) – schreef ze grotendeels in Nederland. McCloskey, hoogleraar economie, Engels en geschiedenis aan de Universiteit van Illinois in Chicago, heeft ook een deeltijd-leerstoel aan de Erasmus Universiteit.

In haar appartement aan een Amsterdamse gracht hangen kleine stickertjes met woorden als ‘de rugleuning’, ‘de stoel’, of ‘de stande lamp’ op het meubilair. Zo probeert ze de Nederlandse taal onder de knie te krijgen. Een Amerikaanse recensent klaagde al over de vele etymologische verwijzingen naar de Nederlandse taal in haar boek.

The Bourgeois Virtues is gelardeerd met citaten uit romans, gedichten, films en filosofische traktaten die de minachting voor commercie moeten blootleggen. Naar een roman die de burgerman, de zakenman of de handelaar in een positief daglicht zetten, zul je in de moderne literatuurgeschiedenis lang moeten zoeken volgens McCloskey.

Op tv en in de bioscoop is het beeld al niet veel positiever. ‘Kijk bijvoorbeeld naar televisieseries als Dallas, waarin protagonisten als JR volledig gewetenloos worden geportretteerd. Of naar een Hollywood film als Wall Street, waarin een jonge, materialistische aandelenhandelaar koste wat kost de top wil bereiken.’

Een volstrekt eenzijdig beeld, vindt McCloskey. Volgens haar leidt het kapitalisme juist tot liefde. ‘Adam Smith schreef al dat de slager moet luisteren naar anderen, wil hij succesvol zijn. Andere 18de eeuwse denkers, zoals de Fransman Montesquieu, spraken over ‘‘zoete commercie’’: de markt zou mensen wel van hun onbehouwen manieren afhelpen.’ Want wie iets wil verkopen, zal zich aan zijn medemens moeten aanpassen.

Maar in de negentiende eeuw keert het tij. McCloskey: ‘Bij de Britse romanschrijver Charles Dickens zie je dat echt gebeuren. In zijn vroege romans steekt die nog de draak met iedereen, of ze nu arm of rijk zijn, van hoge of lage komaf. Maar in de latere romans, zoals Hard Times, krijgt vooral de zakenman het te verduren. De verhaallijn wordt dan steeds hetzelfde: een zakenman die langzaam tot het inzicht komt dat het gekkenwerk is om alsmaar calculerend door het leven te gaan.’

De ironie is dat de romantische kunstenaars en schrijvers die in de negentiende eeuw afgaven op het kapitalisme, zelf zonen en dochters waren van de nieuwe burgerij. ‘En zo is dat nog steeds’, constateert McCloskey misnoegd. ‘Onze samenleving is daardoor doordrenkt van zelfhaat. En dat is gevaarlijk.’

Gevaarlijk, echt? McCloskey is ervan overtuigd. ‘De Kenneth Lay’s (de ex-topman die Enron naar de ondergang fraudeerde) van deze wereld krijgen zo met de paplepel ingegoten dat het nu eenmaal bij commercie hoort om hebzuchtig te zijn. Zulke overmoedige topmannen zijn een gevaar voor de toekomst van het kapitalisme. Maar als je hen zou vragen waarom ze zich zo buitensporig gedragen, dan luidt hun antwoord: ‘‘Mijn economie-docent heeft mij dat zo geleerd.’’ Dit is nu eenmaal het beeld van de zakenman dat in onze samenleving bestaat.’

Maar de linkse elite is het niet alleen om de hebberige topman te doen. Maatschappijcritici zoals Barbara Ehrenreich, die een bestseller schreef over de ‘werkende arme’, maken zich vooral zorgen over de onderklasse. Die zouden onder mensonterende omstandigheden werk doen waarvoor nauwelijks iemand waardering heeft?

McCloskey: ‘Cijfers over arbeidstevredenheid laten zien dat het ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt wel meevalt. Natuurlijk zouden ze daar niet staan als ze niet betaald kregen, maar voor zwarte jongeren uit de achterstandsbuurt Harlem in New York gaat McDonald’s over meer dan alleen het eindeloos bakken van hamburgers. Ze treffen daar ook hun vrienden.’

Andere cultuurcritici richten hun pijlen juist op de middenklasse, die door geraffineerde marketingstrategieën zou worden aangezet tot het kopen van steeds meer spullen waaraan ze eigenlijk geen behoefte hebben? McCloskey reageert lichtelijk geïrriteerd: ‘Het is erg onaannemelijk dat het zo makkelijk gaat. In dat geval zou het wel heel makkelijk zijn om een succesvol ondernemer te worden. Kijk eens wat er in werkelijkheid gebeurt. In Amerikaanse supermarkten worden jaarlijks tienduizend nieuwe voedingsmiddelen geïntroduceerd. Negen van de tien daarvan overleven niet. Als het zo makkelijk zou zijn om mensen te manipuleren, dan zouden zoveel producten toch niet mislukken?’

Bovendien: we mogen overspoeld worden door reclame, veel daarvan is volgens McCloskey niet manipulerend maar informerend bedoeld. Is dat nu echt het ergste wat er is op aarde?’

McCloskey begrijpt ook niet dat mensen – vooral Nederlanders hebben er volgens haar een handje van – zich zo kunnen opwinden over beleefdheidsfrasen die in winkels worden gebezigd. Is het echt zo erg dat Amerikaans winkelpersoneel How are you today? zegt, ook al weet je dat ze niet echt persoonlijk in je geïnteresseerd zijn? Zou het dan prettiger zijn als ze ‘‘wie denk je wel dat je bent, lazer op’’ tegen je zouden schreeuwen?’

Wat McCloskey doet denken aan Bulgaarse supermarkten ten tijde van het communisme. Daar stond bewapend bewakingspersoneel klaar: niet om de goederen te bewaken, maar om het verkooppersoneel te beschermen tegen de klanten, die razend werden vanwege het slechte serviceniveau.

Interview : Olav Velthuis.

Bron : De Volkskrant


Posted by NovaCivitas at 08:33 pm | Druk deze pagina